headerbg bl
HomeGeschiedenisHeemkundige kringenZoeken in publicatiesVan Heksen en de Boze Vijand - Het Brugse Heksenjaar – 1634

Van Heksen en de Boze Vijand - Het Brugse Heksenjaar – 1634

van Heksen en de Boze Vijand
Het Brugse Heksenjaar – 1634

Germain Vandepitte

Catheline Ide

Indien ik niet zo oud was, zouden ze mij geen toveresse noemen! Dat waren de eerste woorden die Cathelijne ongevraagd, haar rechters toestuurde in de Collegekamer van de stad Brugge.

Deze woorden werden gesproken op 25 juni 1634, twee dagen nadat Mayken Karrebrouck en Mayken Luucx op de Burg gewurgd en gebrand werden als heksen, terwijl de zaak van Cathelijne Verpoort alias Calle Bezems nog in onderzoek was.

Cathelijne Ide was om en bij de 73 jaar oud en geboren te Drongen bij Gent, als dochter van Willem. Daar huwde ze Aernout De Schuytere en ze hadden meerdere kinderen, waarvan er zelfs naar Westkapelle waren komen wonen.

Hunne oom Zegher stierf en daar de hoeve die ze bewoonden zijn eigendom was, en er verkaveld moest worden tussen de erfgenamen, kwamen ze op straat te zitten. Vermits er niets te pachten was op Drongen, waren ze naar Westkapelle uitgeweken en gaan inwonen bij hun kinders; dit als voorlopige oplossing.

Naderhand hadden ze een hoeve gepacht van mevrouwe Pamele. Toen deze pacht ten einde liep, zagen ze in dat ze te oud waren geworden om een nieuwe aan te gaan en ze hadden de hoeve overgelaten aan een van de kinderen. Ze waren dan met hun beitjes naar Brugge komen wonen. Op het ogenblik van de feiten, was dat ook al 10 à 12 jaar geleden. Willem Ide was intussen in 1626 gestorven, zodat Catheline er alleen voorstond.

Het eerst woonden ze langs de Potterierei in het huis waar de weduwe van Pieter De Schuytere woonde. Daarna hielden ze huis in de Carmerstrate om vervolgens in de Lane terecht te komen.

Ongevraagd voegde zij er aan toe dat men niet moest denken dat ze indertijd van Drongen vertrokken waren wegens "quaede faicten". Om te bewijzen dat zoiets niet waar was, hadden ze een attestatie van de abt van Drongen. Dat biljet was bij haar dochter in Westkapelle, die woonde op de voormelde hoeve van mevrouwe Pamele.

Men vroeg haar wat haar Agnus Dei bevatte (1).

Daarin? Een briefje dat haar omtrent zeven jaar geleden gegeven werd door een Carmerbroeder die toen pastoor was op Koolkerke en die vroeger '"Roodepasteur" was geweest (2). Die had haar zestien dagen naeen belezen doordat ze betoverd was geweest van een Jacques Bandevoet (Baudevoet), een landsman van Baarle bij Drongen, die bij haar aan huis kwam.

Maar wat was de rest die in dat Agnus stak?

Dat wist ze zelf niet, maar ze had het ook van dezelfde pastoor.

Was ze vroedvrouw geweest?

Niet voor geld of broodwinning. Als de mensen er haar om vroegen ontving ze wel kinders. Dat had ze gedaan zowel op Drongen als te West- en te Ramskapelle. Daarvoor kreeg ze dan een kleine vergoeding.

Er werd haar een grauw papierke getoond dat arsenicum bevatte. Waartoe had ze dat nodig?

Catheline zei dat ze dat niet in huis en het niet kende. Waren de Heren bij haar thuis geweest? Boven op de zolder lag er een regaal tegen de ratten? Daarna zei ze dat het brokje arsenicum in haar schapraai lag. Dat kocht ze bij Mr. Rogier op de "Burse". Die verkocht haar dat tegen de ratten (3).

1 Juli 1634, in de Kamer

Wanneer en waar werd ze voor het eerst toveresse genoemd?

Was dat te Drongen, te Westkapelle of te Brugge geweest?

Dat was nu negen jaar geleden te Brugge gebeurd. Pluene Muelenaers die voorbij de Oliebrugge woonde bij het "Straetje van de Bleeckerie", had haar het eerst die naam gegeven, alhoewel ze haar niets misdaan had.

Hoelang was ze reeds van "de conste"? (4)

Maar ze was van geen conste, daar kende ze helemaal niets van.

Ja, ze kende Mr. Joos Speelman uit de Carmers, maar zijn kinderen waren nooit bij haar thuis geweest, dus kon ze dat zoontje van hem niet doodgetoverd hebben door het appels te geven. Ze wilde het aantonen met haar lichaam, dat ze geen toveresse was: ze was niet getekend.

Hoe stond het met Maximiliaan Negheman die kreupel getoverd was?

Catheline ontkende dat ze aan deze wever iets misdaan had en ook niet aan zijn dochter Margriete. Wel gaf ze toe dat ze tussen Maximiliaan zat en Jan Maertens en dat Max er over klaagde dat de toverij vernieuwd was. Daarop had ze gezegd; "est vernieut? ick zoude my doen helpen, het zoude moghen langhe aenloopen".

Ze was toen opgestaan voor iemand die om godswille ging.

Ze bekende verder dat, toen ze haar haan ging halen, Maximiliaan beweerde dat ze hem betoverd had. Ze gaf ook toe dat ze met appels op weg was voor de varkens van Pieter De Muynck, maar dat het voor haar te ver geworden was en ze die op straat had gegooid.

De Muynck had er bij haar op aangedrongen dat ze hem zou genezen en had daarbij beloofd dat hij het zou zwijgen. Zij daarentegen had gezegd niets te kunnen doen en daarvan niets af te weten. Ze ontkende hem iets te hebben gegeven; wel had ze gezegd dat hij "ruyte" kon nemen, dat ze nog gehoord had dat het daarmee kon verbeteren, dat het goed was tegen toverij.

Ongevraagd voegde zij er aan toe dat Margriete, de dochter van Max, uit haar boomgaard appels had meegenomen met "fortse" (5).

Catheline ontkende verder dat ze de kinderen van Pieter Dhoyere kende, en ze beweerde ze nooit gezien te hebben. Hoewel men de omstandigheden van het gebeurde uitvoerig uiteenzette, bleef ze volhouden die kinderen niet te kennen. De andere kinde­ren die haar geholpen hadden bij het houtdragen, hadden haar ge­zegd dat de kinderen van Pieter er niet bij waren.

Aangaande Adriaen Antheunis en zijn vrouw Magdalena, gaf ze toe deze te kennen al zolang ze hier woonde; en ze zei dikwijls aan hun zoontje Jan en de anderen, appels te hebben gegeven. Ze vroeg of ze ook over haar geklaagd hadden en het antwoord moet ontkennend geweest zijn, want ze riep triomfantelijk uit: "ziet ge wel, ik wist dat ze over mij niet zouden klagen!".

3 Juli 1634

Opnieuw werd Catheline aan de tand gevoeld. Het ging nu over Guill. De Corte en zijn dochter, die Catheline beweerde niet te kennen; zo ook niet Aernout Van Blootackere. Dat ze voor diens huis zou gestaan hebben, kon ze zich niet herinneren.

Wanneer was ze laatst te biecht geweest? Dat was drie of vier weken geleden, bij haar pastoor Aerts.

Kende ze Ghilam De Keysere? Ja, die woonde nabij haar deur en hij had een zottinne van een vrouw. Ze loochende haar te hebben betoverd of haar ooit pruimen gegeven te hebben.

Jacques de Brune, de slotmaker van rechtover de deur, kende ze natuurlijk ook; alsook zijn kinderen, vooral dan Lievynken die ongeveer 14 jaar oud was. Die had haar ongeveer een jaar geleden geholpen bij het dragen van hout en daarom had ze haar een halve stuiver gegeven. Lievynken kwam ook dikwijls in haar huis om vuur en het kan dan wel gebeuren, dat ze bij haar brood en kaas at. Dat had ze zo goed niet meer onthouden. Hoewel... ze herinnerde zich zeker dat ze in anderhalf jaar geen kaas in huis had.

Ook Betkin, het andere dochterken van de slotmaker kende ze, hoewel ze er geen onthoud van had of dat kind in haar huis geweest was. Dat kind had van haar niets gekregen.

De schipper Jan Maertens, die naast de poorte woonde op de Reie, kwam dikwijls bij haar appels lezen in haar boomgaard (6). Ze ontkende hem betoverd te hebben; ja, men mocht haar visiteren op het lichaam! Trouwens zij was ook soms bij hem thuis geweest en hat was daar dat ze eens tegen zijn schoonmoeder gezegd had, dat deze haar (Catheline) en haar eigen dochter (hier Jans vrouw) betoverd had.

Ze bekende de borst van Jan zijn vrouw te hebben gezogen om haar te helpen, ook dat ze naast Jan Maertens gezeten had.

Had ze Maertens een hurt gegeven? Dat kon waar zijn, maar ook niet; zelfs wist ze er niet van. Ze zei dat de vrouwe van Jan Maertens haar het huis ontzegd had. Eens was ze te biechte geweest in St-Donaas en ze had daar geklaagd over Jan Maertens, die verteld had dat ze een toveresse was. De biechtvader Vrancken had haar gerustgesteld zeggende :

"al dat uytbreckt en es gheen tooverie"; doelende op het zieke been.

Ondervraagd over het kind van Pieter Van Ghistele en zijn vrouw Janneken, ontkende ze en zeie gehoord te hebben dat het kind van de excessen gestorven was "naer kerstendom" (7).

Lieven Popstaele en zijn vrouw woonden in haar buurt langs de Reie en daar ging ze regematig om melk. Ze ontkende de paarden betoverd te hebben. Eens had lieven geklaagd dat er een paard kwelde en was "bloed zeickende". Ze had dat toen afgelezen en het paard was genezen (8).

Wie leerde haar dat? Catheline de dochter van Jan Cochuyt bij Deinze, die nu al overleden was. Dat was wel 30 jaar geleden, van toen ze nog op Drongen woonde0 Zij was de moeie van Catheline, die toen bij haar inwoonde.

3 Juli 1634

Men ondervroeg Catheline nu over haar schoondochter en diens mans Niklaas Willaert. Ze bekende daar soms aan huis te zijn geweest, maar niet te weten dat ze betoverd waren, nog minder dat zij daarvan de oorzaak zou zijn. Wel gaf ze toe tegenwoordig te zijn geweest op de verpachting van de hofstede en dat, zodra ze ingekomen was, zag dat Niklaas en zijn vrouw vertrokken, niet wetende dat ze ziek geworden waren.

Ja, Pieter Van Hove kende ze ook wel en daar was ze geweest om haar schoenen te laten vermaken. Eens toen ze daar aankwam, had de vrouw van de schoenmaker op het plankier kruisgewijze een stok en een bezem geworpen, waarover ze maar gestapt was. Op een andere dag had de vrouw water gegooid over het hoofd van haar man en ze veronderstelde dat het wijwater was. Daardoor was bij haar de gedachte ontstaan dat de vrouw haar voor een heks hield.

Martynken, de vrouw van Pieter Braem, was een bekende; en eens was ze bij haar gekomen om te bleken. Zij, Catheline, had haar een schotel “zo” aangeboden, maar die had ze laten staan. Ze had haar geen brood laten brengen.

5 Julie 1634

De klachten bleven binnenstromen. Vooreerst nog maar eens het geval van een kind van Pieter Dhoyere. Had ze dat kind ap­pels gegeven?

Catheline zei dat, indien het zo was, zij er in elk geval geen onthoud van had. Wel was het haar verleden nacht te binnen gekomen dat ze Mayken een brood van twee stuivers had laten brengen naar Martynken Braem om haar grote armoede.

Rogier De Gheldere had haar het regaal ongeveer zes weken geleden verkocht en het werd "binnen" gehaald door de knecht Maerten. De kinderen van Rogier had ze niets gegeven of misdaan.

Bij Corneel Pulynck was ze eens geld gaan vragen, maar de vrouw had gezegd: "Uit mijn huis gij!".

Corneel Van Landtsocht had ze gezien in de kerk van "blendeliedenpesthuys" (9). Ze ontkende hem betoverd te hebben.

Aan Pieter Parmentier had ze dikwijls faseel, geld, suiker, lijnwaad, kolen, koren en appels gegeven, die ze bij hem aan huis droeg. Anderzijds was het ook zo dat hij soms bij haar was komen zitten aan haar deur. Ze ontkende hem behekst te hebben. Ze loochende verder ook ten stelligste tegen Niklaas Willaert of zijn vrouw te hebben gezegd dat ze samen geen kinde­ren zouden krijgen. En gevraagd nopens de vloed van Martynken, ontkende ze daarvoor iets gedaan te hebben (10).

Dezelfde avond werd Catheline op het Steen in de folterkamer gebracht, waar ze in de halsband zou gesteld worden. Zoals gewoonlijk werd daarmee om 21 uur begonnen. Tegenwoordig waren de schepenen Vander Straete en De Lay.

Gevraagd naar het kind van Dhoyere, ontkende ze alle schuld. Aan Martynken had ze de "zo" gegeven in een aarden schotel.

Men verzocht Catheline de waarheid te spreken, waarop ze de driestheid had te vragen: "Wat zouden de Heren met me doen? Zouden ze me branden?" Daarop antwoordde men: "Dat men haar de grootste zoetigheid zou aandoen die maar enigszins mogelijk was". "Zout ghylieden my woelen aen een stake? Ick ben gheen toveresse! "

Een half uur later werd ze op de stoel gebonden terwijl ze klaagde over "het onrecht van hen die haar zover gebracht hadden". Op de vraag "wie dat waren" antwoordde ze: "zij die me ten onrechte aangeklaagd hebben".

Ze verzocht daarop nog eens de cipier te mogen spreken om hem te verzoeken twee kaarsen te stellen voor 0.-L.-Vrouw, daar waar ze tevoren overeengekomen waren voor één kaars. De cipier ontboden zijnde, gelaste zij hem met de opdracht om de kaarsen te stellen in de kerk van St.-Donaas: twee kaarsen van elk een vierendeel. Daarna vroeg ze nog wat te drinken, en er werd haar wat bier ingeschonken, wat ze uitdronk. Even later deed men haar de halsband om.

Te kwart voor tien uur vroeg ze om het cucifix, dat haar werd toegereikt en dat ze kuste. Waarna men de koorden spande en haar aanmaande de waarheid te zeggen. "Maar ik zeg toch de waarheid, kreunde ze, maar het benauwd me. Marie en God van hemelrijk, staat me bij!"

Om 22 uur nogmaals vermaand de waarheid te zeggen, zei ze opeens dat ze een toveresse was, om onmiddellijk daarop dat weer te ontkennen. Nog geen twee minuten later, was ze er toch ene.

Op de vraag wie ze dan wel betoverd had, antwoordde ze van geen te weten die ze dood getoverd had, uitzondering gemaakt voor de zoon van Joos Speelman. De kuiper had ze niet doodbehekst, want die leefde nog. De opsomming bleek haar waarschijnlijk te moeilijk, want opeens riep ze uit: "Ik heb het al gedaan! Al die van mij klagen heb ik betoverd!" Waarna ze de Heren bedankte omdat ze haar niet meer lieten verschijnen in de Collegekamer, voor de schande (11).

Andermaal bevestigde ze een toveresse te zijn en allen betoverd te hebben, namelijk Maximiliaan, Jan Maertens, Lieven Popstaelens paard, de kinderen van Pieter Dhoyere, Martynken Braem, Niklaas Willaert en zijn vrouw, de kinderen van de slotenmaker, de peerden van Jor van Ghistele, twee kinderen van Pulynck, de dochter van Guille De Corte. Verder ook Aernout Van Blootackere, en de vrouw van Ghilam De Keysere.

Ze verzocht dan voor allen die ze betoverd had, een mis te laten opdragen, mits er voor haar schoonzoon en schoondochter voor elk drie moesten gecelebreerd worden.

Ook het kind van Jacques Eedero en een kind van Rogier De Gheldere dat Mayken noemde, had ze betoverd. Daarvoor moesten twee missen opgedragen worden. Zonder dan nog Corneels Landtsocht te vergeten, die ook zijn mis kreeg. Ze ontsloeg hen alle van de pijn, indien zij op hun beurt haar daarvan ontsloegen. Pieter De Muynck had ze ook niet heus behandeld: dat was nog een mis. Zelfs de scherprechter werd met een mis bedacht voor al hetgene hij voor haar deed. Het ging zover dat zij de Heren deed beloven in te staan voor het werkelijk opdragen van die missen; wat Catheline deed zeggen "dat ze -wel duizendmaal bedankt waren".

' t Moet zijn dat ze op Adriaen Antheunis geen goed oog had, want eerst loochende zijn kind te hebben betoverd, om dat pas nadien toe te geven; maar van een mis was er geen sprake. Pieter Van Hove stond nog minder in aanzien, want ze ontkende formeel daar iemand te hebben betoverd. De twee kinderen van Corneel De Vlieghere, die had ze behekst en kwamen zodoende in aanmerking.

Dat ze het uitoefenen van de funktie van vroedvrouw zou uitgeoefend hebben om misbruik te maken en kwaad te berokkenen, wees ze met klem en verontwaardiging van de hand.

De Bozen had haar jaren terug, op Koolkerke, voor het eerst ontmoet "toen sy al haer kynders verloos die storven, erin sy fantasie maeckte" (12). De Bozen kwam haar toen vertroosting brengen en de belofte doen dat die kinders nog eens leven zouden.

Catheline bekende voor het eerst ten dans te zijn geweest "bij de eerste herberge achter Koolkerke" en daar later nog twee of driemaal te zijn geweest. Daar was toen ook de waardin van Koolkerke, die reeds lang overleden is; haar naam kende ze niet. Er waren daar trouwens nog twee of drie andere vrouwen die ze niet kende en ook nog een man.

Vier keer had ze vleselijke conversatie met de Bozen die "Schoonooghe" noemde en voorkwam als een flinke jonker. Zijn na­ture was koud. ' s Avonds vertrok ze uit de stad naar Koolkerke.

Met de Bozen had ze een kontrakt gesloten en ze moest met hem omgaan als met God. Haar God moest ze verloochenen en hem aanhangen, hoewel ze God niet uit haar hart gebannen had. Ook O.-L.-Vrouw moest ze afzweren, zeggende dat het "een vuyle commere was". Evenzo moest ze doen met het kruis en met haar doopsel (13).

Waarmee had ze feitelijk die lieden betoverd? Van de duivel had ze de macht gekregen om die lieden te betoveren door het opleggen van de hand, ja zelfs door hen aan te kijken.

Had ze dan geen poeder gebruikt? Neen dat had ze niet.

Had ze een duivelsteken ontvangen? Neen, ook dat niet; daar de duivel haar genoeg betrouwde "dat ze hem niet zou afgaan".

Had ze nergens tekens gelegd om de lieden te betoveren? Neen!

Verschillende malen tijdens de tortuur, zei ze blij te zijn van al die fielterij verlost te wezen: zo stond geschreven in de marge.

Het moet zijn dat de Heren uiterst tevreden waren met het bekomen resultaat, want Catherine werd geslaakt uit de tortuur.

Ze verzocht daarop de Heren nogmaals te mogen spreken met de heer Liekercke en zijn vrouw, terwijl ze smeekte opdat ze niet zou verbrand worden, maar een eerlijke begraving te krijgen.

Verder begeerde ze te geven bij testament, 8 pond groten aan de dis van St.-Salvators en 8 pond groten aan dezelfde kerk. Voor de Heren werden 4 ponden groten bestemd om te verdrinken (14). Aan de drie kinderen van de heer Liekercke elk een halve ...?, maar niet aan het kind Guille die er een heeft. Aan de cipier 2 pond groten. Betkin die het huis bewaarde kreeg 2 hemden en een zwart saaien beurs, plus het vruchtgebruik van haar huis tot meimaand aanstaande.

Vervolgens kwamen de Heren weer ter zake of al hare gedane bekentenissen strookten met de waarheid. Ja, antwoordde ze, ‘t is al waar en ik ken geen andere toveressen

Catherine Ide werd op 7 juli voorgebracht om haar bekentenissen, afgelegd in tortuur, te ratificeren en te bekennen buiten alle dwang.

Vooreerst werd haar nog gevraagd of Martynken de schotel waarin ze "zo" had gedaan, teruggebracht had. Ze meende te weten dat dit inderdaad het geval was. Veertien dagen na het geven van de schotel, was ze daar verhuisd.

Toen haar gevraagd werd naar de kinderen van Pieter Dhoyere zei ze deze kinderen niet te kennen, noch ze betoverd te hebben.

En al die andere bekentenissen die ze gedaan had, van die danserijen met de Bozen en zo meer, en al die andere betoverde personen? Niets van, antwoordde Catheline, allemaal gezegd door de overgrote pijnen.

Hoe de Heren ook verder aandrongen, het was al vergeefse moeite. Ze weigerde deze verklaringen te ondertekenen.

Geen wonder dat we haar dezelfde avond nog, weervinden in de pijnkelder. Cathelijne die nog niet gebonden was, werd verweten dat ze misbruik had gemaakt van de justitie, maar ze zouden haar nu wel doen bekennen door de pijn.

Ze antwoordde niet. Op de stoel gezet, sprak ze niet. De handen en de voeten gebonden, zei ze: Och Here!

Om 21.30 uur, de halsband aangedaan, riep ze uit: “Wilt ge me vermoorden? Zou men niet bekennen?

De koorden aangespannen en er op geslagen, kermde ze: "God, sta me bij! Hoe kunt ge me dat allemaal aandoen. Ge vermoord me! Ik ben geen toveresse. Is er dan geen gratie? Och dat de duivel alle toveressen in de afgrond der helle voere. Zal ik dat alle­maal verdragen ten onrechte? Is er dan geen gratie Mijnheren? Gij spreekt niet. Och scherprechter gij zijt scherp voor mij!"

Zo jammerend en klagend van de pijn, terwijl ze van niemand antwoord kreeg, zat Catheline daar, tot ze om 10 uur uitriep en vroeg: "Wat wilt ge dat ik zeggen zal? Dat ik een toveresse ben? Ik heb er met de boze vijand nooit beboeleerd. Ik heb laatst veel meer dan de waarheid gezegd. Ik ben toveresse, maar ik heb  niet zoveel getoverd als ik heb toegegeven".

Men vroeg haar namen te noemen. Martynken sprak ze. Appels had ze wel aan kinderen gegeven, maar ze wist nog altijd niet of het Dhoyeres waren. Verder had ze Maximiliaan betoverd en Jan Maertens. Haar schoondochters man Nicolaas Willaert. Ze wist niet juist meer of ze ook de zoon van Mr. Joos Speelman betoverd had, maar wel Rogier De Ghelders kind op de Burse en het kind van Mr Joos, alsook de kuiper en Dhoyers kinders en deze van Corneel Pulynck en Aernout Blootackers de wijnkoper en zijn meid. Voorts Corneel Landtsocht en de paarden van Lieven Popstaele en de vrouw van Ghilam De Keysere.

Ze verzocht de Heren haar te helpen door het noemen van namen, daar ze zelf in de war raakte. Had ze het knechtje van Adriaen Antheunis betoverd en het dochtertje van Jacques De Brune? Ja, die had ze vergeten te noemen. Ook het paard van Jor Van Ghistele en de dochter van Maximiliaaen Negheman en haar schoondochter de vrouw van Willaert. Het kind van Jacques Eereho had ze behekst toen ze op de Reie woonde.

Toen de naam viel van Pieter De Munck, ontkende ze. Bij Corneel De Vlieghere had ze een heel jong kind betoverd. Daarbij had ze noch kruiden noch poeder gebruikt. Ze betoverde haar slachtoffers enkel door hen met de hand aan te raken: de een aan zijn arm, de ander aan zijn hoofd, zoals het uitkwam. Onderwijl prevelde ze binnensmonds: "Ick wilde dat ghy een plaghe ofte een quellynghe creeght!"

Hoe had ze Martynken betoverd? Door haar een schotel blompap te geven waarin ze "cruyt" gewreven had dat "quaet" was, zeggende: "Ick wilde dat ghy u daer een plaghe aen eet".

Hoe had ze de kinders van Pieter Dhoyere betoverd? Die kinderen kende ze niet zo goed. Ze meende nochtans dat er twee knechtjes waren die bij haar thuis kwamen en die ze appels gaf. Dat was omtrent Sint-Jansmis geweest, een jaar geleden. Ze nam hen hij de hand.

Was er geen ander kind, dat die appels at, ook betoverd geworden? Ze antwoordde dat ze een averechts kruis op de appels had gemaakt.

Hoe had ze Maximiliaan behekst? Dat was vijf jaar geleden gebeurd op Palmenzondag. Ze was hem gaan opzoeken omdat hij een kwaad been had. Ze legde er haar hand op en zei stilletjes: "Ick wilde dat ghy daer een plaghe aen haelde".

Jan Maertens had ze betoverd door heel stijf naast hem te zitten op de bank en dezelfde woorden te zeggen. Ze memoreerde zich nog dat Jan haar gezegd had: hoe stijf zit ge hier! Daarop antwoordde ze: "Ick zal u nog naerder commen" (15).

Hoe was het in zijn werk gegaan bij het betoveren van Nicolaas Willaert?

Daags na zijn bruiloft had ze hem aangeraakt aan zijn kleren en dezelfde woorden gesproken.

Het kind van Mr. Joos kwam om appels te kopen en daar ze er geen had, had ze hem een "Ramburch" gegeven waarop ze een averechts kruis had gemaakt, terwijl ze hem tevens met de hand aanraakte (16).

Het kindeke van Rogier De Gheldere liep in de winkel en ze had het bij de hand genomen en de woorden gesproken. Het kind noemde Mayken? Ook de kuiper had ze op een dergelijke manier betoverd; en evenzo de kinderen van Pulynck.

De meid van Aernout Blootackere had ze een hurt gegeven in het passeren, waarbij ze de woorden had uitgesproken. Zo ook was het gegaan met Aernout zelf, die voor zijn deur stond en die ze tegen het lijf liep. Corneel Landtsocht had ze ontmoet in de kerk van de Blendelieden. Hij had zijn rapier bij alsof hij van wacht kwam. In het voorbijgaan had ze hem aangeraakt en de woorden gezegd.

Bij Popstaele ging ze dikwijls om melk. Lieven kwam buiten met zijn paarden en ze had er de hand op gelegd en de woorden gesproken.

Catheline zei echter geen memorie te hebben van "een boerejonck" (17).

De vrouw van Ghilam De Keysere had ze betoverd met een getoucheerde pruim waarover ze een averechts kruis gemaakt had. Het kind van Adriaen Antheunis had ze twee appels gegeven, eveneens bekruist. Lievynken, het kind van Jacques De Brune, was met haar zusterken bij haar thuis gekomen om 4 uur. Ze had het zusje pap gegeven en Lievynken een hurt.

Pieter Van Ghistele was bezig voor zijn deur met het verzorgen van een paard dat een kwaad been had. Op het paard had ze de hand gelegd en de formule opgezegd. Grietkin, het kind van Maximiliaan, had ze betoverd door handoplegging op het hoofd. Dat was voor haar vaders deur gebeurd, die in de ‘meestove’ was. Nicolaes Willaert had ze betoverd toen ze om geld ging: doch ze loochende toen gezegd te hebben dat ze geen kinderen zouden krijgen.

Zo vijf of zes jaar geleden was ze, samen met Jan Block, bezig met peren te oogsten, toen het kind van Jacques Eerebo haar aldoor toeriep van uit de kamer van haar vaders huis, om een peer te krijgen. Ze was daar heen gegaan en had het kind twee stukjes peer toegereikt door een gat in het venster, niet voordat ze er een averechts kruis had op gemaakt en de woorden gezegd.

Toen ze zes jaar geleden nog winkel hield was de vrouw van Corneel De Vlieghere gekomen met haar kind dat viel. Ze had het opgeraapt en bij de handen genomen, onderwijl de toverwoorden uitsprekende.

Er werd Catheline gevraagd sedert wanneer ze toveresse was geworden. Dat was intussen toch wel tien en een half jaar geworden, een tweetal jaren voor dat haar man stierf.

Nu moest ze de ware toedracht verhalen van haar omgang met de Bozen. Dat was begonnen toen Schoonooghe als een flinke jongeling bij haar kwam, toen ze fantasieën had door de dood van haar kinderen. Ze was twee of driemaal met hem dansen geweest samen met een andere vrouw die ondertussen overleden was. Evenveel keren had ze met hem te doene gehad; en hij was koud. ’ s Avonds ging ze naar Koolkerke om te dansen achter de herberge.

Ze had God en zijn Gezegende Moeder moeten verloochenen, hoewel ze dat niet gedaan had "vuytter herten". Ook aan het kruis en het sacrament had ze moeten verzaken.

In de vergaderingen werd er gegeten en gedronken en ze had hem moeten offeren "een conynken ende andere" en zijn poorte kussen. De andere vrouwen kende ze niet. Er was ook een man en dat was de man van een der vrouwen. Ze moesten allemaal overleden zijn, want zij had ze op de vergaderingen niet weergezien.

Hoe was dat met het teken dat ze op haar lichaam had? Dit litteken was aan haar rechterzijde gevonden geworden en het was een teken van de Boze Vijand. Ze had het van hem gekregen toen ze hem de eerste maal gesproken had op Koolkerke.

Waarom droeg ze een plaaster van termentijn op het teken? Dat was omdat termentijn heet was en het teken koud (18).

Had ze nergens bij betoverde lieden iets onder de drempels gestopt? Neen, dat had ze niet. Wel had ze de macht gekregen van de Bozen, zoals ze tevoren gezegd had.

Wanneer had ze de Bozen voor het laatst gezien? Dat was op de Tweede Kerstdag geweest bij haar thuis nabij de Carmers en bij nachte. Ook was hij bij haar geweest in het huis waar ze uitgehaald werd. De tweede dag dat ze hier gevangen zat was hij ook bij haar gekomen en hij was gebleven tot ze met de halsband zat in de pijnen, alwaar hij door wijwater gedwongen werd haar te verlaten. Gisterenavond was hij dan weer bij haar geko­men en was pas vanmorgen van haar gescheiden, toen ze naar het College gebracht werd, zonder dat hij binnen kwam. Sindsdien had ze hem niet meer gezien.

Een halfuur over middernacht, werd Catheline bevrijd van de halsband en geslaakt uit de tortuur. Helemaal bevrijd zijnde werd haar gevraagd of al hetgene ze nu verklaard had, waar was; en of ze daar nog iets had aan toe te voegen. Neen, antwoordde ze, dat volstond.

8 Juli 1634

Catheline, weduwe van Aernout Schuyters, overgehaald naar de Collegekamer en gevraagd of ze nog iets meer te zeggen of te verklaren had. Catheline had niets meer te zeggen. Enkel nog dat ze de twee officieren elk een dukaat toezegde, evenals aan Gheernaert, de knape van de cipier.

Had ze de Heren nog iets anders te zeggen? Ze verzocht de Heren dat men zou beletten dat haar kinderen iets zouden verweten worden "van hare zaak", dit door zowel te Westkapelle als aan de Oliebrugge en aan de kerk van de Carmers aan te plakken, dat daarop een straffe zou staan van 10 pond groten. Verder, dat Betkin die haar huis openhield, hout zou bekomen gedurende de tijd van het bewaren van het sterfhuis, en bovendien nog "100 houts" om te branden in de winter. Aan Catheline, de dochter van Jan De Clerck, haar dochters dochter, gaf ze haar beste bedde.

Voorts aan de huisvrouw van Charles Huughe haar nieuwe .... ? Aan Guille Van Liekercke een kuipken boter, met een kuipken dat zich in zijn huis bevond. Ze had ook een "Lyveken" in herstelling bij Marcus De Corte rechtover het Boterhuis.

Andermaal werd haar gevaagd of al hetgene ze gisteren had verteld, de waarheid was. Ja, bevestigde ze, ze hield het allemaal voor goed en waar. Ze verzocht de Heren andermaal, te mogen begraven worden.

Men was echter ook nog nieuwsgiering naar het feit waarom ze eerst Nicolaas Willaert betoverd had en pas daarna zijn vrouw. Och dat was in één tijd doorgegaan, misschien met een verschil van een paar dagen, antwoordde ze.

Hoelang was Martynken door haar betoverd nadat zij, Cathe­line, verhuisd was? Het kon hoogstens een maand of vijf weken geweest zijn, gezien ze op Kerstmis verhuisde en ze haar onttoverde op Vastenavond.

Hoelang was het geleden dat ze het kind van Rogier De Gheldere betoverd had? Was de vader van het kind er bij? De juiste tijd wist ze niet zo goed meer, maar de vader was daar niet bij, het was de moeder die in de winkel was.

Was de Bozen nog bij haar geweest sedert gisteren nacht? Neen, ze had hem niet meer gezien. De cipier had een man van de gevangenis bij haar gesteld.

Catheline Ide werd daarop veroordeeld om "ghewoelt te wor­den aen een staecke op de Burgh deser stede ende daernaer aldaer verbrant te worden totten pulver.

Actum 8 July 1634."

Ze werd verder veroordeeld tot de kosten van het geding.

Op 10 juli 1634, de dag van de executie, wesende maendach (19), werd Catheline gevraagd of ze nog iets te zeggen had aan de Heren van her College, dit "naer costume" (als naar gewoonte).

Catheline gaf te kennen dat daarover niets meer moest gezegd worden. Ze dankte de Heren voor al de moeite die ze met haar hadden met het schrijven, en ze zei "dat ze gheerne was stervende" .

Heden de executie volbracht.

***

Op 11 juli 1634 werd Loys Nollet door het College aangesteld als curator van het sterfhuis van Catheline Ide, en werd hij gelast het geld te innen en de andere formaliteiten te vervullen.

' t Was een uiterst moeilijk geval voor Louis Nollet. Na tien keer de lijst te hebben overlopen van al de missen die moesten opgedragen worden op bevel van Catheline, wist hij nog het juiste aantal niet.

Zich wendende tot het schepencollege met deze netelige kwestie, namen de Heren na lang beraad het besluit de gordiaanse knoop door te hakken.

Op 28 juli werd beslist in de Kamer, dat Loys Nollet zal doen celebreren dertig missen van requiem in plaats van de missen vermeld in de tekst. Maar nu waren de kontanten * niet meer voldoende. Bevolen werd het ontbrekende af te houden van het geld van het sterfhuis.

* Hier werd bedoeld de kontante penningen die Catheline bij zich had, bij haar gevangenneming.

Bron:  Rab Asb Reg. 624, f° 9 v°-61 r°

 Voetnoten

  1. Agnus Dei: ovaal medaillon van wit was, met aan de ene kant het Lam Gods en aan de andere een heilige. Hier echter meer een schapulier.
  2. Roodepasteur: variante voor Roopater of Pestpater. Moesten in een rode mantel gekleed gaan en stonden in voor het bedienen van besmettelijke zieken. In Brugge waren het vrijwillige Paters Ongeschoeide Carmelieten. In hun tuin staat nog het pesthuisje waarin de Pestpaters na hun dienst in quarantaine moesten verblijven.
  3. De Burse: vermoedelijk de Beurs. Het Beursplein. Arsenicum kende Cathelijne niet, wel regaal.
  4. De conste: de kunst van het toveren.
  5. Met fortse: lijkt hier een betekenis te hebben van ongevraagd, zonder toelating, een klein graadje min dan diefstal.
  6. Appels lezen: trekken, plukken.
  7. Excessen : stuipen. Naer Kerstendom : na de doop.
  8. Zeeckende: van Daele: zeken(gew) Zeieken : urineren.
  9. Blendeliedenpesthuys: kerk van Blindekens.
  10. Vloed van Martynken: de bloevloeiïng.
  11. Voor de schande: Om naar de Kamer te gaan moest ze de Burg over en was ze zichtbaar voor het publiek. In de Kamer werd ze ook geconfronteerd met getuigen en bekenden.
  12. Erin sy fantasie maeckte: wat ze in haar hoofd stak.
  13. Een vuyle commere: fr commerer= kletsen, kwebbelen. Commere = kletsmadam.
  14. Om te verdrinken: om een feestje te organizeren.
  15. Hoe stijf zit ge hier: hoe dicht tegen mekaar.
  16. Ramburch: De Bo: soort appel, Rembourg d’été of d'hiver. Zomer- of winterramboer.
  17. Een boerejonck: ???
  18. Termentijn: van Dale, zuidnl. voor Terpentijn.
  19. Nogmaals werd met de traditie gebroken, die wilde dat de terechtstellingen plaats vonden op zaterdag. Zie ook: St.-Guthago Tijdingen nr 57, 1978, Broedermoord op Oostkamp, executie op vrijdag van Karel Bouckhout. De heer Gerard Bleyaert wees me er op dat de pastoor van Oostkamp in zijn register van overlijdens, bij het inschrijven van het overlijden van Jan, vermeld heeft dat Karel toch op zaterdag onthoofd werd.

Van Heksen en de Boze Vijand - Het Brugse Heksenjaar – 1634

Germain Vandepitte

Rond de poldertorens
1984
01
023-040
Els Van Broeck
2017-07-31 13:32:18

Afdrukken E-mailadres

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2019  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.