headerbg bl
HomeGeschiedenisHeemkundige kringenZoeken in publicatiesHet land achter de Evendijk : deel 2 - Onze Kuststreek vóór de Indijking

Het land achter de Evendijk : deel 2 - Onze Kuststreek vóór de Indijking

DEEL II - Het land achter de Evendijk - Onze Kuststreek vóór de Indijking

Maurits Coornaert

Vervolg van: Het land achter de Evendijk : deel 1

1. De Gallo-Romeinse Tijd

Voordat een aaneengesloten zeewering werd opgericht, lag onze Vlaamse kustvlakte open voor overstromingen van kortere of langere duur. In de IIe eeuw v. Chr. begint, door het dalen van de bodem van de kuststrook, een overstromingsperiode, die de “Duinkerke I – transgressie” genoemd wordt. De vloed zet onophoudelijk klei en zand af. Door deze polder-vorming wordt de dikke laag veen overdekt, die in de voorgaande eeuwen gegroeid was (1)

De kleilaag verhoogt stilaan en ook de bodem rijst weerom. Tengevolge daarvan wordt, in het midden van de Ie eeuw na Chr., de streek opnieuw bewoonbaar. Deze periode, waarin de zee zich heeft teruggetrokken, noemt de “Romeinse regressie”. De Gallische bevolking, die zich op het nieuwe land gaat vestigen, staat reeds een eeuw onder de invloed van de beschaving van de Romeinse bezetters.

Die Gallo-Romeinen bouwen hun dorpen op de “Duinkerke I – laag”. Wegens het feit dat er nog geen zeewering bestaat, zullen het meestal paaldorpen geweest zijn. Van de IJzer tot de Schelde heeft men in de polders op verschillende plaatsen Gallo-Romeinse nederzettingen ontdekt. De voornaamste steunpunten van de Romeinen waren Oudenburg en Aardenburg. De kaart van Trips in het Gruuthuusemuseum te Brugge, geeft een goed beeld van de bewoning in de Ie en IIe eeuw na Chr.

Er werd o.a. een belangrijke nederzetting gevonden te Wenduine, en ook te Zeebrugge nabij de monding van het Boudewijnkanaal. Voor zover we weten, werd er te Heist en in de onmiddellijke omgeving geen spoor van Gallo-Romeinse bewoning aangetroffen. Het is evenwel nog altijd mogelijk dat er iets van die aard te voorschijn komt.

Gedurende de Romeinse regressie lag de kustlijn ongeveer 1 à 2 km meer noordwaarts dan heden ten dage. Meestal wordt aangenomen dat de bewoners van onze kuststreek Menapiërs waren. Ze leefden vooral van visvangst en veeteelt. Maar de Gallo-Romeinen in het binnenland ontgonnen reeds lang stukken woud en beoefenden dus niet alleen veeteelt, maar ook landbouw.

Een stuk bewerkt land werd door de Romeinen “ager” of “cultura” genoemd. Deze termen zijn tot ons gekomen als “akker” en “kouter”. De kouter-toponiemen zijn talrijk voorhanden in het zuiden van Oost- en West-Vlaanderen. Waarom zou de Menapische kustbevolking de vette poldergrond niet in gebruik genomen hebben? Ze moesten zelfs geen bomen rooien om het land te kunnen uitbaten.

De Gallo-Romeinen hadden in de Vlaamse kuststreek niet alleen nederzettingen, maar ook weiden en kouters. Deze laatste droegen kouter-benamingen. Maar alles, de bevolking, haar kouters en haar toponiemen, wordt weggeveegd door een nieuwe transgressie. Na het jaar300 van onze tijdrekening begint de “Duinkerke II – transgressie” en duurt tot omstreeks 700 (2). Een dikke laag slib overdekt de Gallo-Romeinse bewoningslaag.

2.  De Frankische Tijd

Gedurende 3-4 eeuwen brengt de zee zand en klei aan. Door deze afzettingen verhoogt het peil van de grond onmerkbaar. Land dat door de zee aangeslibd of aangeworpen wordt, noemde men “den aenwerp van der zee” of schorreland. Na 700 zijn er meer en meer stroken schorre-grond, die bloot komen en alleen nog bij uitzonderlijke hoge vloed onder water lopen.

De schorren worden stuk voor stuk in gebruik genomen door een nieuwe bevolking. Nu geen Gallo-Romeinen meer, want terwijl de Duinkerke II aan de gang was, werden de Romeinen verdreven door de invallen van de Franken. Vanuit de zandstreek, waar ze reeds lang gevestigd zijn, nemen de Franken het nieuwe polderland in bezit en geven aan de uitbatingen en nederzettingen Frankische namen.

Uit die periode stammen de toponiemen die gevormd werden met “-heem” en “-sale” die beide “woning” betekenen. Het eerste lid van zulke plaats-namen is in de meeste gevallen een persoonsnaam, bv. Hrokashem (Roksem): woonst van Hroka (3). Ten noorden van Brugge kennen we o.a. Mikhem, Boonhem, Kathem, Kleyhem, Garlhem, Dudzele, Frankzele, Gizele, Rizele (4). Genoemde nederzettingen zijn gevestigd in het zg. Oudland. Dat is het land rond Dudzele en Lissewege, dat bij de volgende transgressie, de “Duinkerke – III A”, in de eerste helft van de Xle eeuw, droog bleef. Door deze omstandigheid zijn die namen voor ons bewaard gebleven.

Maar voordat de “Duinkerke - III A “ begon, bleef onze kuststreek gedurende omtrent 3 eeuwen gespaard voor transgressies. Na de Duinkerke - II begint de Karolingische regressie (± 700 tot + 1000). Zodra een stuk schorreland begroeid geraakt, worden er schapen op geweid. Het was echter nog altijd mogelijk dat de kudde door een uitzonderlijke vloed verrast werd. Het enige afweermiddel was het opwerpen van kunstmatige hoogten, waarop het vee kon vluchten: vluchtheuvels of terpen. Daarom menen we dat verschillende terpen, vooral in de omgeving van Dudzele, reeds in de VIIIe eeuw zijn opgeworpen.

De schapenkudden en derhalve ook de terpen dringen steeds verder vooruit in de schorren. De schapeboeren zijn verplicht in de kustvlakte op de terpen te gaan wonen. Ongetwijfeld is er gedurende de “Karolingische regressie”

een niet onbelangrijke bewoning geweest. Een groot deel van deze nederzettingen wordt weer verdreven door een transgressie, de “Duinkerke - III A”, in de eerste helft van de XIe eeuw.

Het noordelijk deel van de parochies Lissewege en Dudzele, gans het grondgebied van de parochies Ramskapelle, Heist en Knokke, wordt door een nieuwe laag slib overdekt. Daarom kunnen we moeilijk aannemen dat namen van weiden, velden of waterlopen, die vóór 1000 in het gebied van de “Duinkerke - III A” bestonden, de overstromingsperiode overleefd hebben.

Wat de terpen betreft, die in het bereik van de overstroming kwamen te liggen, kunnen we het volgende zeggen: in het begin werden waarschijnlijk enkele ervan verhoogd; daarna bleven ze enige jaren ongebruikt liggen; bij het intreden van de nieuwe regressie konden ze weer diensten bewijzen bij het bezetten van de nieuwe schorre. Kleinere terpen zullen ondertussen vervaagd zijn.

We mogen hoegenaamd niet beweren dat alle wallen of werven, reeds vóór 1000 opgeworpen zijn. Na de “Duinkerke -III A” zal het nodig geweest zijn, nieuwe aan te leggen, Ook is het niet mogelijk dat alle oude terpen hun naam doorheen de overstromingsperiode bewaard hebben, of na de overstroming dezelfde naam behouden hebben. In die periode kreeg een nederzetting meestal de naam van de stichter, maar die naam kon later door die van een volgende bewoner verdrongen worden.

3. Het Schorreland

Rond 1050 is de overstromingsperiode weerom voorbij en wordt de streek ten noorden van Lissewege en Dudzele opnieuw schorreland. De stukken aangeworpen grond, die schapenweide worden, krijgen een toponiem gevormd met -schorre of -nesse, d.i. aangeslibd land. In het 36e Bg Eye ontdekten we, zo wat 300 m ten zuiden van het Werf, een Vagenesse (A 616) (5); en in het 60e Bg Reig, 300 m ten zuiden van de Mote, de Scherpenesse. Dit laatste kan schorreland met een scherpe hoek betekenen: het perceel heeft inderdaad een scherpe hoek.

De term schorre heeft als nevenvormen: schore, schaar, scheer; en is verwant met het Engelse “Shore” = kust. Een eerste voorbeeld is Schoorinck in het 32e Bg Eye (A 294-297). Deze term kan een samenstelling zijn van schor + ing.

“Ing” is een fries woord dat betekent “vochtige weide” (6). De eerste weiden op de schorren waren zeker moerassig; in middeleeuwse latijnse teksten noemen ze ook “mariscus”, een woord dat gevormd is naar het germaans “mariski”, vgl het Vlaams “meersch” = natte weide.

In de eerste jaren zijn de schorren niet alleen drassig, maar ook nog zilt. Een benaming als “zoute schorre” ligt daarom voor de hand. Zulk een toponiem treffen we dan ook in onze omgeving aan. De ommelopers van Eyesluys noemen het 35e, 46e en 47e Bg “eene jeghenoode ghenaemt Sandtscheere”. Oorspronkelijk was Zandschere niet een zandige schorre. Enkele landmeterskaarten gebruiken nog de oudere term. Op zo een kaart wordt de Moerstraat te Heist, die in de richting van Zandschere loopt, genoemd “Straete van Soutschore naer Heyst” (7).

De jegenode heette aanvankelijk Zoutschore of Zoutschere. Rond 1100 wordt de jegenode, samen met de omgeving, ingedijkt door de Evendijk. Stilaan verliezen, achter de dijk, termen als “zout” en “schorre” hun betekenis. De bewoners vervormen Zoutschere tot Zuutschere, en zelfs Zoudzele (8). Bij deze laatste vorm valt de term -zele op. We kunnen deze zele-naam als een voorbeeld van volksetimologie aanzien.

De vervorming tot Zandschere heeft evenwel zijn oorzaak. In zijn beginperiode heeft de Evendijk verschillende dijkbreuken meegemaakt, o.a. ter hoogte van Zoutschere. De jegenode werd toen, zolang de bres niet kon gedicht worden, overdekt met een laagje overslaggrond, bestaande uit slibhoudend zand (9).

4. De Kouters

We spraken reeds over de kouters, die onze kuststreek moet gehad hebben gedurende de Gallo-Romeinse periode, en die onder een dikke laag Duinkerke II –klei begraven liggen. De kouternamen kunnen de “Duinkerke II –transgressie” niet overleefd hebben. Maar ook na de transgressie zou de term “kouter” niet meer gediend hebben bij de naamgeving. Inderdaad, totnogtoe vond men er geen in de polders, wel aan de rand ervan, langs de hogergelegen zandstreek.

Toch hebben de ommelopers van de XVIe eeuw ons interessante kouter-toponiemen opgeleverd. Eerst en vooral “ ‘t Couterlant”, dat gelegen was in het 47e Bg Eyesluys, in de Zandschere, op amper 1 km van de zee. Het was een groot driehoekig stuk van bijna 9 Gemet, dat met een brede strook oostwaarts reikte tot de Groene Weg (A 356 en 373) (10).

Het perceel bevond zich midden in een omgeving met zeer vroege bewoning. Ten zuidwesten van het Kouterland stond er op een terp een hoeve, “het Werf” (A 406-410). Ten noorden bevond zich in een weide een ronde wal, omgeven door een walgracht. Volgens een kaart was hier “wylen een hofstedekin” (A 362) (11). Ten noordoosten liep een oude waterloop die de “Gysegracht” heette. Aan de zuidzijde lag een perceel dat een “hooghe huevele” bevatte. Deze laatste was ongetwijfeld een vroegere vluchtheuvel (A 374).

Het bestaan van genoemde terpen wijst er op dat de omgeving van het Kouterland reeds vroeg in gebruik genomen werd, en wel dadelijk na de “Duinkerke - III A”, rond het midden van de XIe eeuw. Het kan niet anders of het was in die tijd nog mogelijk dat een stuk grond midden in de polders een kouternaam kreeg.

Het is erg spijtig dat we de toestand op de plaats zelf niet meer kunnen nagaan, want nu liggen het “Werf”, de “Gysegracht”, het “Kouterland” en bijna gans het 47e begin, bedolven onder een dikke laag grond daarop terecht gekomen tengevolge van het graven van de dokken van het zeekanaal rond 1900.

Het Kouterland is niet het enige koutertoponiem ten noorden van Lissewege. Ongeveer 1,5 km meer westwaarts stond in de Middeleeuwen “Coutermuelen”. Het perceel met “Coutremuelewal”, ”daer Coutremuelen plach te staen” ligt aan de Lange Smalle Watergang, op de zuidoosthoek van de “Schaapbraakheule”, in het 52e Bg Eye, 250 m ten zuiden van de Evendijk. Ook deze omgeving behoort tot het Middelland t.t.z. het land binnen de Evendijk dat niet meer door de “Duinkerke -III B” overspoeld werd (12).

Er was meer dan één kouter in het Middelland. De oostelijke helft van het 29e Bg Eye heette de “Steenecruusecoutre”. Deze ontleent zijn naam aan het stenen kruis dat op de Evendijk stond, tegenover de Speelmansweg. Bedoelde kouter was door de Noordwatergangwegel met de Noordwatergang verbonden (13).

5. Schapenweiden van St-Baafs en van St-Pieters

Boven schreven we reeds dat de zoute schorren in het begin slechts als schapenweide bruikbaar waren. Bij de ontginning van nieuw land in de Middeleeuwen, kwamen meestal monniken te pas. Zowel de Sint-Pieters-abdij als de Sint-Baafsabdij te Gent kregen in de schorren ten noorden van Brugge, weiden toegewezen. Bezittingen van St-Pieters waren o,a. een schapenweide te Oostkerke, de “Heernesse’; een leen ten oosten van Uitkerke, nabij Raaswalle; renteland ten zuiden van Kathem. St-Baafs bezat een “kaasrente” op een perceel land ten noorden van Lissewege, in het 44e Bg Eye (14).

In de strook achter de Evendijk, die we hier behandelen, kunnen we van elk van beide abdijen een schapenweide aanwijzen. De ommelopers vermelden evenwel geen enkel perceel dat toebehoort aan een van beide abdijen, want door allerlei omstandigheden zijn ze die bezittingenkwijtgeraakt. Maar wat ze wel behouden hadden, was een rente op de grond; en die rente vermeldt de ommeloper.

St-Pieters bezat een rente die bezet was op een perceel van 5 Gemet. Deze gewezen schapenweide ligt ten noorden van Ramskapelle in het 62e Bg Reyg. Het perceel paalt aan een weg, die we de “Visweg B “ zullen noemen, om hem te onderscheiden van een andere Visweg. De Visweg B is verbonden met de Heistse Heerweg die over Dudzele naar Brugge loopt.

Verder naar het noorden was er een uitgestrekte schapenweide van St-Baafs. Aan de zuidzijde van de Evendijk, van Koudekerke tot Boudin Weit in Sluis, liggen talrijke percelen, die belast waren met de “case pennynck rente an den Abt van Ste Baafs tot Gent” (A 111-133, A 136-153, A 216-235)(15). In de ommeloper tellen we vele grotere en kleinere percelen met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 68 Gemet.(16). Een waterloop, de Kemelader, vormde de verbindingsweg van uit Lissewege.

Vóór het aanleggen van de Evendijk strekte de schapenweide zich uit tot dicht bij de zee. Het 23e Bg Eye, dat begrensd wordt door de West-Eede en de Oost-Eede, was helemaal bezet met de Casepennynckrente van 13 1/2 d.par. per gemet. Genoemd begin meet 105 Gemet. De rente moest betaald worden “telken te Sinte Maertemesse” (17).

Het deel van de schapenweide ten noorden van de Evendijk werd door de “Duinkerke – III B “ overspoeld tot omstreeks 1160. In die tijd was het tiendenrecht in het Ambacht Lissewege reeds aan de abdij van St-Bertins te St-Omaars toegekend. St-Baafs moet dus die weide gekregen hebben in de schorretijd tussen de “Duinkerke – III A “ en de “Duinkerke - III B”, d.w.z. tussen +- 1050 en ± 1130.

Rond 1100 werd de weide in twee gesneden door de Evendijk. Het noordelijk deel heeft nog de “Duinkerke -III B “ gekend. Doch na de overstroming heeft de Gentse abdij haar rechten op de weide nog kunnen doen gelden. Bij de oppervlakte van de weide moeten we ook de strook rekenen die door de dijk ingenomen wordt: d.i. ongeveer 7 G. Bedoelde bezitting van St-Baafs is minstens 180 Gemet geweest.

6. De Terpen

De veeteelt op de schorren was niet mogelijk zonder vluchtheuvels, die in onze streek “werf” of “wal” heten. Sommige van die werven zijn reeds kort na de “Duinkerke - II ” ontstaan. Eerst dienen ze slechts als wijkplaats voor de dieren, en zijn ze rond; maar naarmate de schapeboeren verder in de schorren doordringen, wordt het meer en meer noodzakelijk zich daar te vestigen.

Daarom worden sommige terpen verhoogd en verbreed. Ook krijgen de wallen een vorm die beter geschikt is voor bobouwing: een rechthoekige terp kan gemakkelijker een hoevegebouw dragen.

Bij het bezetten van het schorreland door middel van wallen, zien we een beweging noordoostwaarts van uit Dudzele in de richting van Koudekerke. Het grondgebied van Dudzele Ambacht en van Lissewege Ambacht groeit aan. Ook de bewoning op de nieuwe gronden wordt talrijker. Het wordt nodig een stuk van Dudzele en van Lissewege af te scheiden. Na het bouwen van de Evendijk heeft men al vlug in de noordoostelijke hoek van Dudzele een nieuwe parochie, Ramskapelle, en in de noordoostelijke hoek van Lissewege de parochie Koudekerke, gesticht.

We stippen terloops aan dat de periode, waarin de zele- en heemtoponiemen zo talrijk ontstonden, nu voorbij is en dat, onder invloed van do kerstening, kerke- en kapellenamen opkomen: Koudekerke, Uitkerke, Oostkerke, Koolkerke, Moerkerke, enz; Ramskapelle, Westkapelle.

Ramskapelle en Koudekerke liggen beide op een hoogte, die bij de overstroming van 1944 nog ruim 1 m boven de hoogste vloed uitstaken. Beide worden gevestigd op een plaats die goed geschikt was om een nieuwe dorpskern te herbergen.  

Toch zijn de verhevenheden, waarop genoemde parochies groeiden, waarschijnlijk oorspronkelijk geen terpen, maar eerder kreekeilanden. Een kreekeiland is als volgt ontstaan. Gedurende de lange “Duinkerke II –transgressie” werd in de kreken of stroomgeulen, door het opkomende en aftrekkende zeewater, eerst de veenlaag weggespoeld. Later heeft de zee die kreken geheel opgevuld met zandige klei. Wanneer de kuststreek volledig met slib overdekt lag en schorre geworden was, begon een nieuw proces. De zware kleilaag drukte de dikke onderliggende veenlaag gedurig meer naar beneden; ook door de ontwatering is de polderbodem nog dieper ingeklonken.

De bodem in de kreken rust niet op turf, is daardoor niet of bijna niet ingezakt, en steekt een goeie meter boven het omliggende land uit. Zulke hoge plaatsen worden kreekruggen of kreekeilanden geheten. Beide bovengenoemde hoogten zijn verbreed en opgehoogd om als woonkern te kunnen dienen, Om die reden kunnen we ze ook terpen noemen.

Op de voorgaande bladzijden hebben we reeds verschillende terpen aangehaald. De groep werven rond het Couterlant, ten noorden van Lissewege, is reeds besproken. Alle zijn ze verdwenen en door dit feit kunnen we hun vorm en hun afmetingen niet meer vaststellen.

De bewoning op Zandschere groeide aan. Er was een verbinding met de dorpskern nodig. Zo is de Zandscheerweg, van Lissewege naar het noorden, ontstaan.

Verder oostelijk en zuidoostelijk kan men een reeks terpen opmerken, aan beide zijden van de Heistse Heerweg. Naast de bovengenoemde schapen-weide van St-Pieters ligt, in het 60e Bg Reig, een grote mote. Deze was omgeven met een brede, diepe walgracht, die vóór enkele maanden grotendeels werd opgevuld. Hier moet een hoeve of een herenhof gestaan hebben. Aangezien de landboeken van de XVIe eeuw niet meer verwijzen naar vroegere bewoning - er wordt wel verme1d : “met een hooghen ronden wal” - moeten we aannemen dat deze er reeds vroeg verdwenen is. De nederzetting, van welke aard ook ze mag geweest zijn, was gelegen aan de bovengenoemde “Visweg B” (18).

Langs de Moerstraat, in het 33 Bg Eye, was er “een maniere van wallekin” (A 329). Langs de “Visweg A”, die een onderdeel vormt van de Heistse Heerweg, bevinden zich, in het 34e Bg Eye, twee wallebilken. Een wallebilk is een weide die minstens één terp bevat.

De ommeloper geeft aan: ”den wallebilck van Mynheere van Maldeghem”     “met een hooghe wal in ligghende” (A 191) (19). Deze weide behoorde vroeger toe aan de familie de Baenst. De rechthoekige terp is nog bewaard gebleven in het grasveld. De afmetingen zijn 30 m hij 45. De andere wallebilk was er een “met twee wallen daerin ligghende” (A 157) (20). De ene terp is moeilijk te herkennen, de andere ligt nu vlak tegen de spoorwegdijk aan. Voor zover we kunnen nameten, moet deze laatste ongeveer 40 m bij 40 m geweest zijn.

Tussen beide wallebilken is er een perceel: “een rondt sticxkin synde ghenouch een maniere van een wallekin, met een wallekin ghenouch ten middele hierin ligghende”.

In de reeks terpen langs de Heistse Heerweg, is de verst vooruitgeschoven terp van betekenis, de hoogte waarop Koudekerke ontstaan is. Hier moet er zeker bewoning gekomen zijn vóór het opwerpen van de Evendijk rond 1100. Maar zodra de dijk bescherming bood, kon de bevolking sneller aangroeien en werd het nodig een nieuwe parochie te stichten. Er werd dan ook een kerkje en een tiendenschuur gebouwd. Voor zover we weten wordt de parochie Koudekerke voor het eerst in 1222 vermeld (21).

Tegen de Evendijk lag er nog een “maniere van een wal” waarop rond 1600 de Dorpsmolen werd gebouwd. Een windmolen werd gewoonlijk op een hoogte geplaatst. Daardoor weten we dat de termen “wal” en “walleken” in de meeste gevallen een hoogte aanduiden. Soms voegde de schrijver er de bepaling “hoge” bij. Maar wanneer “wal” een laagte aanduidt, dan staat er meestal geschreven “nederen wal”.

Een derde groep terpen vinden we in de omgeving van de Noordwatergang-wegel. In het 24e Bg Reig. ligt nog een “Hoghe wal”; door het ploegen en eggen is hij reeds erg afgeplat. Toch kan men nog goed een ronde verhevenheid zien, die thans een hoogte van ongeveer 1 m en een doorsnede van 25 m bezit. Boven op de terp hebben we beenderen en blauwgrijze potscherven gevonden. Deze terp moet reeds vroeg een bewoonde plaats geweest zijn, en ook de meeste andere terpen moeten het geweest zijn. Het zou nodig zijn een paar overgebleven vluchtheuvels te onderzoeken om vastere gegevens te bekomen aangaande de aard en de tijd van de bewoning.

In het 28e Bg Eye was er een kleine wal, die nu weggewerkt is (C 515-516). In het 29e Bg Eye, in een weide, kan men langs de Noordwatergangwegel een drietal kleine hoogten zien, die op vroegere bewoning wijzen (C 487-489).

LEES VERDER: Het land achter de Evendijk : deel 3 - De Evendijk

_____________________________________________

7. Bronnen

  1. J. Ameryckx, Hoe ontstonden de Belgische Zeepolders?, Wetensch. Tijdingen, juli 1960 Nr 6, p 241-252
  2. J. Ameryckx, o.c.
  3. M. Guérard, Cart St Bertin, tome III, p 59 (1840)
  4. R. De Keyser vermeldt enkele van deze namen in Biekorf 59 jg. (1958) 10 A , p. 305-308
  5. Ommel. Kerk Heist (1624) f° 46 v°, Pastorie Heist.
  6. Sturmfels - Bischof, Unsere Ortsnamen p. 121, Dümmlers Verl. Bonn (1961)
  7. Venz. Mestdagh Nr 1320 (1727) R. A. Br.
  8. Invent. Water. Blankenberge, portef. 20, kaart 171 (1761) R. A. Br.
  9. J. Ameryckx, Bodemkaart v. België, Heist 11 W (1954)
  10. Ommel. Eyesluys (1576), Reg. Vrije Nr 15958, R. A. Br.                Ommel. Eyesluys (einde 1500?) Reg. Vrije Nr 15961, R. A. Br.            Ommel. Eyesluys (1576-85) Aanw. 3650, R. A. Br.
  11. Invent. Water. Blankenberge, portef. 20, kaart Nr 82, R. A. Br.
  12. Ommel. Eyesluys 52e Bg, Aanw 3560 bis
  13. Ommel. Kerk Heist (1525) f° 70 r°, Arch. Bisdom Brugge
  14. R. De Keyser, Rond de Poldertorens, 1e jg. Nr 4, p. 1 - 7 en 19 - 20
  15. Ommel. Eyesluys 34e en 35e Begin, Reg. Vrije 15961
  16. Ommel. Eyesluis 34e Bg, Aanw 3650
  17. Legger van Casepennynckrente, Invent. St-Baafs Gent, K 1107, f° 1 r° en 12 v° R. A. Gent
  18. Ommel. Reygaersvliet (ong.1600), Invent. Wateningen Nr 717, R. A. Br.
  19. Ommel. Heist (1670) f° 74 r°, Aanw 3506, R. A. Br.
  20. Idem, f° 72 v°
  21. F. D’Hoop, Cart. St Bertin, Poperinge, p 53 (1870).

00000000000000             00000000             00000000000000000

Het land achter de Evendijk : deel 2 - Onze Kuststreek vóór de Indijking

Maurits Coornaert

Rond de poldertorens
1963
04
127-136
Achiel Calus
2015-10-30 11:00:05

Afdrukken E-mailadres

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Raakvlak
Contact
Copyright © 2020  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.