headerbg bl
HomeGeschiedenisHeemkundige kringenZoeken in publicatiesDe verdwenen Sint-Antoniuskerk van Heist

De verdwenen Sint-Antoniuskerk van Heist

DE VERDWENEN ST-ANTONIUSKERK VAN HEIST

Jacques Larbouillat

1. Inleiding

De vroegere St-.Antoniuskerk van Heist "gheseydt Coudekerke", stond in de kern van het eerste middeleeuwse dorp. Dit was op de plaats waar nu het oude kerkhof is en dat op het kadaster aangewezen wordt onder de nummers Sectie B 357 en B 356 (1).

Deze kerk was niet zo monumentaal als sommige andere kerken in het polderland, maar ze bezat de mooiste toren van onze streek: De achthoekige geveltoren was een enig exemplaar in onze gewesten, en hij getuigde van een zeer verfijnde bouwkunst.

De kerk dateerde uit het begin van de XIIIe eeuw. Ze werd gebouwd onder het patronaat van de monniken van de St-Bertijnsabdij. Het blijft een open vraag of er eerst een kleiner godshuis was, vóór deze kerk. Wanneer binnen enkele jaren het oude kerkhof ontruimd wordt, dan ware het voor de plaatselijke geschiedenis zeer nuttig en interessant, om op deze plaats opgravingen te laten uitvoeren door deskundigen, ten einde na te gaan of er geen oudere grondvesten aanwezig zijn.

toren kerk heist2. Beschrijving van het monument

1. Steunbeer
2. Versnijding
3. Kleine terugsprong
4. Drie blindnissen
5. Laal-gotische ingang
6. Spitsbogig venster
7. Fries van dooreengevlochten
rondboogjes
8. Halve vierzijdige piramide
9. Waterlijst
10. Doorniks kalksteen
11. Spitsbogenfries

De vroeg-gotische kerk was oorspronkelijk driebeukig. Het opgaande muurwerk was in bakstenen (moefen) opgetrokken.

Aan de westzijde stond de vroeg-gotische gevel toren, omtrent gans gebouwd met moefen; zonder spits had deze een hoogte van 25,10 m. Het onderste gedeelte van de toren was rechthoekig en had als afmetingen 8,60 m bij 8,30 m, buitenwerks gemeten. De dikte van de muur was beneden 1,30 m boven 0,90 m.

De noordelijke, westelijke en zuidelijke zijden van de toren waren geschraagd door twee steunberen van ongeveer een meter breed en dik. Door kleine versnijdingen versmalden dezen naar boven toe en Waar ze eindigden maakte de toren een kleine terugsprong. Daar versmolt de bovenste afschuining van de steunberen in een hellend vlak, dat het onderste rechthoekig gedeelte van de toren afsloot.

Tussen de steunberen, op de noord- en zuidkant, waren drie blindnissen als versiering aangebracht.

Aan de westzijde van de toren was de laat-gotische ingang; van de oorspronkelijke toestand was niets meer te zien. Boven de ingang zat een

spitsbogig venster, waarvan de boog op twee kleine zuiltjes rustte.

Boven de terugsprong van het onderste gedeelte van de toren, was een fries van dooreengevlochten rondboogjes gemetseld, die nochtans niet de totale breedte van elke wand besloeg. Boven die bogen lag een waterlijst die de overgang naar het achtkantig gedeelte van de toren vormde.

Tegen het achthoekig bovenste gedeelte, waren op de vier zijden, halve vierzijdige piramiden aangebracht. In de vier andere zijden zat een drielobbige nis. Een waterlijst liep ter hoogte van de kapiteeltjes rond het achtkantig gedeelte, maar werd onderbroken door de halve piramiden op de vier vesneden hoeken.

Een wat hoger gelegen waterlijst diende als basis voor de acht galm-openingen. Elk galmgat was onderverdeeld door een middenzuiltje in doorniks kalksteen, voorzien van een haakkapiteel, een vierkante sokkel en een basis. De spitsboogjes van de galmgaten rustten op de midden-zuiltjes en op pilasters tegen de rechtstanden. Twee galmborden waren daartegen aangebracht.

Ter hoogte van de kapiteeltjes liep een horizontale lijst, die ook de galmgaten omlijstte.

Een spitsbogenfries bekroonde het metselwerk, en onderlijnde de lage torenspits.

De kerkbeuken waren oorspronkelijk gewelfvormig, maar bij de verbouwingswerken na de verwoesting, werd de herbouwde kerkbeuk vlak overzolderd. Het zadelrrak had een helling van +- 56° (2).

3. De Geschiedenis

Gebouwd tussen 1200 en 1250, onderging het kerkgebouw reeds wijzigingen na de brand van 1405, toen de Engelsen tussen 22 en 27 mei het kustland teisterden (2).

In het jaar 1437 plunderden grote benden uit Sluis het dorp Heist en andere parochies ten noorden en ten oosten van Brugge.

De Heer Vander Veere, admiraal en zeeschuimer, roofde eveneens Heist in 1438 (3). Het krijgsvolk van Maximiliaan van Oostenrijk verwoestte in 1485, tijdens de burgeroorlog, de parochie (4).

De kerk zal zeker erg gehavend uit deze woelige tijden gekomen zijn.

In 1566 brak de beeldenstorm uit. Wegens het ontbreken van, en de grote hiaten in de overgebleven historische documenten van de kerk van Heist, op dit tijdstip, is het moeilijk uit te maken in welke mate deze toen geteisterd werd.

De ketterse leer kwam immers van uit de zuidwest hoek van Vlaanderen naar het noorden toe, en vond veel aanhangers in de kuststreek. Het waren geen vreemden, maar mensen uit eigen streek die de kerk verwoest hebben (5).

Van 1578 tot 1585 behoorden veel parochies van het Brugse Vrije tot het Calvinisme (6). Ook Heist was een hervormde parochie geworden. Inghel van Eggemont was de "mienistere" of predikant, die in de kerk zijn ambt uitoefende. Hij liet zich goed betalen door de Heistse kerk. Voor de vier eerste maanden van het jaar 1583 ontving hij 50 pond parisis per maand. Van mei tot november 60 pond par. per maand. Dit bracht voor 11 maanden dienst de schone som van 620 pond par. op. Daarbij werd zijn huishuur eveneens door de kerk betaald.

Matheeuw Louweloot was de scholaster of schoolmeester van de parochie in die tijd. Hij oefende een half jaar zijn functie uit en kreeg 14 pond par. per maand (7).

Gedurende het jaar 1579 was "mienistere" Inghel van Eggemont ook predikant geweest te Westkapelle: hij verplichtte daar eveneens de kerkmeesters zijn dienst te betalen (8).

De oudste nog overgebleven kerkrekening van Heist dateert uit het jaar 1582. De werken uitgevoerd op dit tijdstip wijzen niet op een belangrijke herstelling van het gebouw. Het kalk dat geleverd werd, was per boot vervoerd geworden: "betaelt de calckdraghers voor ‘t calck te schepe te dragen 14 sch. par. - betaalt Gillis de Witte omme die leveringhe van acht zoet calcke per quitantie de somme van 9 pond 10 schel. par".

Ten einde de doorgang van de boot te vergemakkelijken had men de watergang op peil laten brengen: "betaelt Adriaen Lelynce met de zijne over het suere ven de vaert per ordonantie van de kerkmeesters 4 pond 16 sch. par".

De vensters van de kerk werden hersteld: "16 voeten glaseroen ende anders verbezight ande glasevensters van de kercke de somme van 2 pond. 14. Schel. Par”. Cornelis Tassaert "naghelmaeckere" leverde 20 pond nagels; terwijl Vincent Vierstrate, timmerman, “diveersche" werken uitvoerde , voor de som van 12 pond. Het uurwerk was kapot en Jan Casteleyne voerde het naar Brugge bij Adriaen van Troosteberghe "orloigemakere”, die voor “ ‘t maken van orloige" 133 pond 14 schel. Par. rekende, de zwaarste som in de rekening van de "betalinghe van reparatiën uit dit jaar (9).

De volgende kerkrekening is van 1596: er worden geen noemenswaardige herstellingen vermeld.

Een hiaat van 34 jaar volgt op deze rekening, dit is tot in 1630. Om ons een beeld te vormen over de toestand in ons gewest gedurende deze

leemte, hebben wij de geschiedschrijver E.H. J. Opdedrinck geraadpleegd: Op 16 december 1600 richtte Mathias Lambrecht, bisschop van Brugge, een verslag aan de H. Stoel, om de H. Vader de toestand van zijn bisdom bekend te maken.

Het grootste deel van het bisdom lag onbeploegd en verlaten. Buiten de stad Brugge bestonden er 7 dekenijen met 120 parochies. Het grootste deel van de parochiekerken te lande waren afgebrand of bij gemis aan herstellingen, ingevallen; zodat er nauwelijks nog 30 overbleven, waarvan er ieder jaar nog enige instortten.

Een klein aantal pastoors verbleven op de buiten, die elk drie of vier parochies bedienden. De meesten durfden niet op het platteland wonen, uit schrik voor de ketters en de bosgeuzen.

Op de feestdag van St Jan de Doper doorliep Maurits van Nassau, de aanvoerder der Calvinisten, aan het hoofd van een leger van 15.000 man, het bisdom. Overal plundering en vernieling zaaiend. De stad Brugge werd zelfs door zijn legerbenden bedreigd (10).

In 1620 moest de kerk van Heist toch bewoonbaar zijn. Tijdens het beleg van Sluis vroeg Graaf de Merle, korpsoverste van een regiment paarde-volk, de toelating aan Mgr. Triest, bisschop van Brugge, om met zijn volk en paarden in de kerk te mogen schuilen, daar deze anders onder de blote hemel hadden moeten verblijven. De bisscop stond dit verzoek met tegenzin toe, op uitdrukkelijke voorwaarde dat het altaar behoorlijk moest afgescheiden worden van de plaats door de soldaten bezet (11).

De kerkrekening van 1630 geeft de volledige herstellingen van de kerk, zoals deze zal blijven tot aan de afbraak op het einde van de XIXe eeuw.

Voor de periode die 1630 voorafgaat, kunnen wij als hypotese voorop-stellen dat de kerk gedurende de beeldenstorm niet verwoest werd, maar alleen geplunderd en beschadigd. De niet belangrijke herstellingen aan de kerk uitgevoerd in 1582 en het feit dat er geld was om het uurwerk te herstellen, wijzen op de goede staat van het kerkgebouw in die tijd. Dus moet de kerk verwoest zijn tussen 1582 en plus minus 1620.

Dit sluit nochtans niet uit, dat de kerk kan verwoest geweest zijn gedurende de beeldenstorm en daarna voorlopig hersteld.

De afrekening van de herstellingen geboekt in 1630, deelt ons mede dat Claes Aernouts "metsenaere" betaald werd voor het "metsement vander kercke". Dat hij "het fondament verlegde, een boghe metste, twee nieuwe autaren maakte, het portaal vermaakte en negen stenen en basissen leverde”. Een andere metselaar, Simon van Houtte, herstelde de toren en stopte de oude stellinggaten (12). Hij voerde ook werken uit aan de beuk, en bouwde de "moneelen (stenen binnendelen) vande vensters ende ander diversche wercken volghens zijn ordonantie ende quitantie".

Sebastiaen de Croock "schalideckere" legde het "nieuwe schaelidack” en leverde eveneens 325 pond lood "veroorboort" ande zelve kercke" (13).

In deze rekening is de betaling van de schaliedekker het "tweede payement van het nieuwe schaelidack”, mitsgaders 24 schel. Gr. die te kort betaald waren in de eerste betaling; wat aanwijst dat het nieuwe dak moet gelegd zijn enkele jaren voor 1630, dus in 1627 of 1628. Het was landmeter Jan Verens die het dak had gemeten.

Caerle Hoornaert, een smid uit Westkapelle, maakte de ankers van de kerk, "de yzers ande vensters ende glazeroeden".

Anthone Galiaert, een steenhouwer uit Brugge, leverde de stoep, goed Gents kalk, en het wijwatervat (14).

De meeste grondstoffen voor de herstellingswerken kwamen uit Brugge. Deze werden per boot, langs een watergang al over Zwankendamme, aangevoerd. "Jaques vander Broucke, schipper tot Swankendamme, over de vracht van divers calc ende voetsteenen van Brugge tot Swanken-damme volghens twee ordonantien 16 pond 12 sch.". "Betaelt Joos Hillebrant ende Jan van Maesteieght, schippers tot Heyst over derghelycke vracht van Swankendamme tot Heyst de somme van 3 pond 10 sch. 10 gr.". "Betaelt Andries Lansens, schipper tot Swankendamme, over de vracht van calc, scaliën ende voetstenen te bringhen van Swankendamme tot Heyst per ordonantien de somme van 3 pond 15 sch. 8 gr. (15).

Er volgt een opsomming over levering van kalk, de huur van kalkzakken en de arbeid van de "calcdraghers".

Op de toren kwam een nieuwe vergulde windhaan met appel, en Jan Tristram zilversmid, leverde een koperen vergulde remonstrans met een mandeken (16).

De kerkmeesters mochten ook regelmatig in hun geldbeurs tasten om geld voor te schieten aan de kerk!

Dat de Heistenaars ook in die tijd van een goede pint hielden als zij bijeen kwamen, blijkt uit de volgende aantekening: "betaelt an Valentijn Verburcht, weert tot Heyst, tgheene tzijne huuse verteert is bij het ghemeente alsse voor de kercke ghereden hebben; besteden ende beschenken van diversche wercklieden, als ooc alsse haerlieden werck voldaen hadden, per specificatie hier zijnde 5 pond 1 schel. 2 gr. (17).

Stond de kerk onder dak, alles was nog niet in orde. Marijn Lantschoot "waghemakere" leverde een berrie "om de steenen uut de kercke te draghen". Het waren “Cornelis Broukaert met de zijne" die het werk uitvoerden en eveneens betaald werden "over het zuveren van der choor de somme van 5 pond 13 sch. gr.“ (18).

Philips Luda leverde 27 pond lood om "de voutte" te herstellen en Cornelis Verplancke zond "550 voetsteenen om de kercke te paveren".

Smid Adriaan Millecamps uit Brugge, leverde "yzers, sloten ende ganghen tot de kercke" en timmerman Pauwels ontving de som van 68 pond 13 sch. 4 gr. "over het maeken vanden autaer, prickstoel ende de deuren van de kercke" (19).

In 1629/30 was de vroegere kerk van Heist weder opgebouwd en uit de puinen verrezen, wel is waar niet in zijn oorspronkelijke grootheid, want er werd slechts één beuk heropgebouwd: nl. de middenbeuk. Deze had een lengte van 29 meter bij 7 breed. Bij de afbraak van de middenbeuk in 1875 vond men in de zuidmuur drie dichtgemetste bogen, met steunen in laat-gotisch profiel en eveneens een halfzuil met haakkapiteel en een basis met rolstaven (20).

In 1636 werd door Simon van Houtte "matsenaere" de nieuwe kerkhof-muur gebouwd. Deze muur was 40 roeden lang en kostte 18 pond 10 schel. 4 gr. daarin begrepen het blussen van het kalk.

Tezelfdertijd werd de pastorie hersteld, het varkenskot inbegrepen. Het dak van de pastorie werd bedekt met roggestro en men bouwde een nieuwe waterput.

Aan de klok van de kerk werd "yzerwerck gebesight"; ook in het gebouw om "het hanghen vanden standaert inde kercke" (21).

4. De Pastorie

In het jaar 1640 had er aan de kust een hevige storm gewoed, en het "huys vanden heere pastor, te weten de ceuken ende voorhuys, was teenmael ommeghebracht ende meuragie heel insoffisant bevonden". Men zag zich dus genoodzaakt de pastorie weder op te bouwen.

De pastoor en de kerkmeesters vroegen de toelating aan de Eerwaarde Heren van het vikariaat van het bisdom Brugge, om deze werken te mogen uitvoeren op de kosten van de kerk (22).

Op dit tijdstip was men volop in de Tachtigjarige Oorlog. Onze streek werd onder de voet gelopen door de soldaten. Te Heyst en in de omliggende parochies waren de militairen ingekwartierd. In de straten van deze parochies was het wapengekletter en het geroffel van de landsknechttrom niet uit de lucht.

De financiele gevolgen dnarvan, wogen zeer zwaar op de plaatselijke bevolking. In 1638 had een ruiterijeenheid zijn standplaats te Heist. Om de soldaten te logeren werd een huis gehuurd aan Anthonis van Houtte.

Er werd eveneens een wachthuis opgericht: "betaelt aen Jan Pehockaert over leverynghe van twintigh deylen (noors hout) tot luycken van corps de gaerde vanden ruyters". Het was Pieter Straele "matsenaere" die het "voorseide corps de garde" metste. Adriaen Eerkeloo werd betaald "over ‘t decken van selven corps de garde". Terwijl deze Heistenaars dapper het wachthuis optrokken, gebruikten de soldaten een gehuurd huis als "corps de garde", dat eigendom was van Lauwereyns Beyns.

Intussen lieten de soldaten van wacht het niet aan hun hart komen. Jaspar Ghynweere leverde "drie pondt keersen aen de soldaten van corps de garde" en Daniel Paridaen "een tonne biers aen de soldaten" (23).

In 1640 ging het niet beter en in de parochierekeningen staan verscheidene bladzijden vol van het "fourieren van soldaten". Gelukkig verlichtte "d'heere Pieter Maroucx, ontfanghere 'slandts vanden vryen" met een som van 252 pond 16 schel. 8 gr. "over soo vele dese prochie toegeleyt es int fourieren van soldaten ten jare 1639 en 1640". Intussen zuchtte de Heistse bevolking onder het juk van de vreemde wapenknechten.

Aldus zagen de pachters van de kerklanderijen zich verplicht een verzoek-schrift te richten tot het bisdom, ten einde kwijtschelding en uitstel van betaling te bekomen van hun landpachten, gezien ze "grootelicx belast ende ghepraveert waeren met het jaerlicx logieren vande soldaten ende ander redens bijde selve requester ghevoert". Het bisdom gaf toelating om de pastorie weer op te bouwen uit het inkomen van de kerkgoederen; en de pachters kregen uitstel en vermindering van hun landpachten voor de jaren 1638/39/40/41 en 42, op voorwaarde dat deze zouden afgekort worden in de komende jaren (23).

Simoen van Houtte brak voor "30 pond grote vlaemsch" de oude keuken en het voorhuis van de pastorie af. Hij maakte de oude stenen schoon en bouwde daarmee een nieuwe keuken en een voorhuis, dat als kamer voor de kapelaan ging dienen (24).

Kapelaan Jan Stierheim trok intussen naar Brugge met zijn "bagagie" of reisgoed. Cornelis Birhout voerde hem voor de prijs van 10 sch groot (25).

Het timmerwerk van de pastorie werd toegewezen aan Desmet Adriaen. Hij verdiende "50 pond grooten vlaamsch" voor de levering “vanden timmeragie, soo balcken gebinden, strijckhouten, cepers als anders dienende tot maecken van tdack, mitschaders over het doen leveren en maeken vant stroo dack ende alle het iserwerck ende naeghels vant selve huys". Hij rekende er ook nog 36 pond bij voor het maken van de zolder en het steken van de vensterramen. De hengsels voor de deuren en de sloten leverde hij ook. In de keuken en het voorhuis werd ook een nieuwe vloer gelegd met tegels (26). Francois Valcke voorzag de pastorie van nieuwe vensters.

Het kerkgebouw werd niet vergeten: terwijl de glazemaker in de buurt was; herstelde hij de vensters van de kerk. Timmerman Desmet maakte een houten deksel voor de ,doopvont en bekleedde het "hooghe autaer van acgter met diegles" (27).

Aen de ornamenten en versieringen van de kerk werd ook aandacht besteed. Gedurende de loop van het jaar 1640/41 werden "acght ellen en een half quart wit indiaens damast" en "twee ellen min een alf quart wit geblomt satijn" en nog ander lijnwaad gekocht om een altaarkleed en een kazuifel te maken. Er werd ook een nieuwe "antiphonale romanum" aangekocht. De echtgenote van de koster van Ramskapelle maakte "twee caporals, twee kelcksacken" en herstelde de "overslop vande kelck"; zij leverde eveneens het lijnwaad.

Als versieringen werden twee "ingels" en twee vergulde bloempotten, een kruis en twee paar altaarkandelaars in metaal aangekocht.

Het wierookvat werd hersteld en Heer ende Meester Jan Jennijn, deken van de kristenheid, schoot het geld voor "soo van tractement in 1640 van de unificanty, als vant voeren vanden orgel" (28).

5. De Sanctuarie en andere werken

In 1642 begon men het kerkhof in orde te brengen. Rond het kruis dat op de plaats stond waarin men de doodsbeenderen verwijderde, werd een houten omheining geplaatst. De kerkhofmuur werd hier en daar hersteld, evenals de "glasevensters en ‘t schalliedack vande kercke" (29).

Dit zelfde jaar werd ook de "vervallen sanctuarie" van de kerk herbouwd. Als bouwmaterialen gebruikte men de overgebleven stenen van de verwoeste zijbeuken ven de kerk, die nog op het kerkhof lagen. Het waren weer Simoen van Houtte en Andries (?) Desmit die respectievelijk het metsel- en timmerwerk uitvoerden.

Nicolaes de la Placie "schalliedecker ende lootgieter” leverde acht duizend "schallies van St. Lovens" en 447 pond lood met "soudure" om de sanctuarie te bedekken. Hij voerde ook het loodwerk uit voor "vichtig vensters". Vier honderd vijf en vijftig pond ijzer werden verwerkt in de bouw.

Anthone Geillaert, steenhouwer, leverde het arduin voor de spitsbogen en de vensters. De vloer werd gemaakt met 2650 tegelkens.

De tegels en de schalies werden te Brugge aangekocht. Het vervoer geschiedde per boot en aan de Dampoort moest 10 schel. gr. tol betaald worden.

Jan Vanderkinderen "slotmaecker tot Brugge" leverde de "yzercassyns voor de glasevensters" en de sloten om het heiligdom af te sluiten. Pieter Lobbelaere plaatste de "glaesevensters".

De herbouw van de "vervallen sanctuarie" kostte de kerk 245 pond 6 sch. 4 gr., de pinten inbegrepen die de ambachtslieden gedronken hadden. De ontvanger van de kerk had het zorgvuldig genoteerd: "betaelt an Frans Verkinder 3 pond 4 schel. over diversche theere ghedaen bijde werck-lieden soo timmerman, matsenaere als schalliedecker int ghone heml te vertheeren gezien ze als heml werck voldaen was, mitsgaders ant accorderen en prijsen vander selve wercks, per ordonantie" (30).

Het kerkinterieur werd eveneens verfraaid. De pastoor en de kerk-meesters besloten de pilaren van "het hoge autaer" te laten schilderen en vergulden door Mijnheer Jan de Suoa. "Ter ere van St. Antonius", besloot men een nieuw houten altaar te maken, "geschildert ende vergult met een neiuwe autaertaefel ende geschildert autaercleet”. Deze uitgave beliep 35 pond. 10 schell.

De kerkornamenten breidde men uit met "een swart autaercleet, choorcappe en de anders mitsgaders een fiolette casufel, banckcleederen en owersloppen voor de pastoor en de koster".

De kerkmeesters kwamen in ruzie met Jan de Suoa. Deze laatste beweerde bijzondere kosten te hebben met het schilderen en vergulden van het hoge altaar. Het geschil eindigde met een proces (31).

Aan het kerkhof werd in 1644 een nieuwe poort geplaatst, en men herstelde het portaal van de kerk en de toren.

In de kerk werden de vloer en het altaar hersteld. Enkele meubels werden aangekocht: nl. acht banken voor de gelovigen, een lessenaar voor de koster en een eiken kast om de ornamenten in te bewaren.

Van 1644 tot 48 werden verschillende kleine herstellingen uitgevoerd aan de kerk. Gedurende het jaar 1644 noteerde de ontvanger het volgende in de rubriek timmerwerk: "voorts over het leveren van alle het houtewerck vant nieuwe dack vant portael met arbeydt ende naghels" - "betaelt an Jan de Lawaerde muelenwercker, de somme van 10 pond gr. verschoten over het leveren van houtte schallis tot het decken vant voorzeide portael metleveringhe vande naghels en hantgedaen, te weten over vier duyst van de selve schallis à 33 schel. 4 gr. ‘t duyst 6-13-4".

Dit wekt bij ons het vermoeden dat er boven de ingang van de kerk een houten afdak was.

In 1645 maakte men twee hekkens voor de ingang die naar de kerk leidde.

In 1646 werden eikenhouten vensterramen aangebracht in de pastorie. De zolder van de pastorie werd omgebouwd, en ging dienen als kamer voor de kapelaan.

In 1647 herstelde men het hoogaltaar en de biechtstoel. In de pastorie werd een "coutse" (=bed) geleverd om de "terminarissen te logieren".

Rond de doopvont werd in 1648 een eikenhouten omheining geplaatst. De vensters van de kerk verstevigde men met koperdraad "tot conservatie ende bewaernisse van de glaseveynsters".

Dit zelfde jaar werd het kerkhof met holmen beplant (32).

6. De Aankoop van een Klok

In het jaar 1650 besloten de hoofdmannen en de kerkmeesters, met de toestemming van de parochianen, een nieuwe klok te kopen. De Eerw. Heren van het kapittel van St. Donaas te Brugge, stelden er een te koop voor de som van 295 pond 2 schel.

De klokkentoren was toen in een erbarmelijke staat en diende eerst hersteld te worden. Het metselwerk werd opgeknapt, men stak nieuwe balken, de klokgaten werden in orde gebracht en men maakte een derde zolder in de toren.

Wanneer nu de toren en het "beelfroot" (=klokkentoren) in orde waren, trokken de pastoor, de hoofdmannen en de kerkmeesters naar Brugge om de klok te kopen. Na wat heen en weer praten met de heren van het kapittel, kwamen ze tot een akkoord en kochten de klok voor 214 pond 2 schel. Dit moest natuurlijk bezegend worden en de Heistenaars trokken naar de "Cantine van St. Donaes" waar Lucas Senapaer "tavernier" , open huis hield. De pastoor, de hoofdmannen en de kerkmeesters hadden ook "eenige gecomiteerde schrijvers vant capitel" uitgenodigd. Zo werd de koop, het afdoen van de klok en het vervoer ervan, gemoedelijk besproken en geregeld. De "theere" beliep 3 pond 19 schel.: broederlijk deelden de Heistse notabelen het gelag in drieën.

De klok werd van Brugge naar Heist gevoerd op een wagen, in de maand september. Het was een natte zomer geweest en de wegen waren slecht. Er waren acht arbeiders nodig om de klok met koorden en houten balken recht te houden op de kar. Dit moest natuurlijk ook betaald worden en de ontvanger noteerde: "betaelt acht arbeyders elk ses schellingen 6 grt over heurlieden hulpe met coorden ende ander houten te gare deur het water en de quade weghen om de klocke op den waghen recht te houden dat sie niet omme en soude gevallen hebben, met vier schell. ande knecht vanden voerman, elk twee daeghen voor hem lieden costen". De voerman kreeg 4 pond groten vlaams voor het vervoer van de klok.

Had de kerk in 1650 grote kosten gedaan, in 1651 stelden ze het met minder. Joos Blomme maakte voor de prijs van 11 pond gr. vlaams, het "autaer van St Antheunis egael ende op sulcke forme als den autaer van onze Vrauwe, met leveringhe van alle het naergeschoot".

In de toren werd een nieuwe trap geplaatst (33).

Met de kerkrekening van 1651 eindigen de nog overgebleven rekeningen uit de XVIIe eeuw. Wij hopen dat met de tijd nog rekeningen zullen gevonden worden, ten einde te kunnen nagaan wat er in de tweede helft van de XVIIe eeuw gebeurd is met de kerk van Heist.

Lees verder: De verdwenen Sint-Antoniuskerk van Heist - Deel 2

------------------------------------------------------------

Bronnen, Verwijzingen, Nota's.

1.     Rond de Poldertorens, jg IV Nr 1, blz 1 - Maurits Coornaert.

2. a/ De Opkomst van de kerkelijke gotische bouwkunst in West-Vlaanderen gedurende de XVIIe eeuw, deel I blz 59 en deel II - Dr. Luc De Vliegher.

   b/ Algem. Rijksarch. Brussel, dossier 2545-2547, departement Schone Kunst & Lett.

     c/ Bruges et ses Environs door James Maele, 1862, blz 203.

     d/ Bruges Hist. et Souv. A. Duclos, Blz 590.

3.     Laatste deel v d Kroniek van Jan van Dixmude, 1856, blz 84 en 107.

4.     Parochieboek of Beschrijving van Heist, Kan. A. Tanghe, 1860.

5.     Westkapelle, J. Opdedrinck, 1959 - nota door Br. Gaëtan, blz 70.

6.     Rond de Poldertorens, jg-III , blz 104 (Nr 3) – Dr. Jos De Smet.

7.     Rijksarch. Brugge, Vrije Registers, Kerkrek. Heist A° 1582, f° 23 r° en 29 v°.

8.     Westkapelle, Opdedrinck, blz 42 en 44.

9.     Zie nota 7, f° 22 r° en v°.

10.    Zie nota 8.

11.    Zie nota 4.

12.     R.A.B. Vrije Reg. Kerkrek Heist A° 1630 blz 52.

13.    Idem blz 53        14.    Idem blz 54.       15. Idem blz 55.   16.   Idem b1z 57.      17.     Idem blz 58.         18.  Idem blz 56 en 57. 19.  Idem b1z 60.        20.    Zie nota 2 a/ b1z 59.

21.   R.A.B. Vrije Reg, Kerkrek. Heist A° 1636/37, f°35 v°, f° 36 r° en v°.

22.       "      "      "      "                A° 1640/41, f° 41 r° en v°.

23.    R.A.B. Vrije reg. Parochierekening A° 1638/40.

23.    R.A.B. Vrije reg. Kerkrek. Heist A° 1642/43 f° 1 r° en v°

24.   Idem 1640 f° 41 v°.              25.   Idem 1640 f° 44 r°.            26.  Idem 1640 f° 42 r° en v°.      27.    Idem 1640 f° 44 r°.            28.   Idem 1640 f° 44 v°.                 29.  Idem 1642/43 f° 35 r° en v°.

30.    Idem 1642/43 f° 36 - 37 r° en v°.

31.    Idem 1642/43 f° 37 v° en 38 r°.

32.    Idem 1644 tot 1648 f° 45 r° tot 51 v°.

33.    Idem 1650/51 f° 39 r° tot 43 v°.

0000000000   0000000   0000000000

De verdwenen Sint-Antoniuskerk van Heist

Jacques Larbouillat

Rond de poldertorens
1963
2
050-060
Achiel Calus
2015-10-06 08:45:42

Afdrukken E-mailadres

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Raakvlak
Contact
Copyright © 2020  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.