Welkom

Lisseweegse "mengelwaren" uit de XIXe eeuw

Germain Vandepitte

Een Kruidendokter

Het zal wel als gevolg geweest zijn van een klacht, dat een onderzoek werd geopend naar de handelingen van de accijnsenbediende Gerard Joseph Mottez. Deze werd verdacht van het uitoefenen van onwettige geneeskunde.

Op 24 april 1854 had gemeentesecretaris Frankin de eer het verslag voor te leggen van de ondervraging van beklaagde en van de getuige Frederik Van Cauwenberghe, bakker te Lissewege. De zaak zat zo ineen:

Het kind van de bakker was ernstig ziek en lag op sterven. Komt Mottez in de bakkerswinkel, en Van Cauwenberghe die wel moet geweten hebben wat voor vlees hij in de kuip had, vroeg hem of hij geen remedie wist om zijn doodziek kind er door te halen (door het oog van de naald welteverstaan). Na de zieke aanschouwd te hebben, zei Mottez dat een aftreksel van pappelblommen (1) en omslagen op de borst van water en azijn, mogelijks wel de borst konden verlichten. De toestand van het kind liet het waarschijnlijk niet meer toe deze behandeling toe te passen, want het was bij woorden gebleven; volgens de verklaringen van Frederik althans. Het kind was nadien gestorven.

Het ene bracht het andere bij, en ook Izabelle Claerhoudt werd onderhoord nopens ontvangen medicijn. Deze loochent dit ten stelligste. Mottez van zijn kant was formeel. Hij had nooit ofte nooit medicijnen gemaakt of verkocht; trouwens, hij had daar geen verstand van. Wel had hij af en toe raad gegeven en kruiden verschaft aan lieden van de arme klasse. En wel uit liefdadigheid en om te helpen, terwijl hij daarvoor nooit iets heeft gevraagd noch gekregen.

Tot zover het verslag. Voor de hogere magistraten voldeed dit niet, en opnieuw werd een onderzoek geopend. Ditmaal komen vier nieuwe getuigen aan bod.

Eerst en vooral ontkende bakker Van Cauwenberghe dat hij Mottez zou ontboden hebben. Dan komen de vier anderen aan de beurt, allen arme sukkels, ondersteund door het bureel van weldadigheid.

Baselius Boey was de kruidenplukker voor Mottez, en verzamelde wilde pappels, waterkasse (2), enz. Daarvoor werd hij trouwens betaald en zelfs had hij kleren
gekregen. Daar hij ziekelijk was, had Mottez hem de kruiden aangewezen die hij gebruiken moest.

Jos Strubbe was Mottez tegengekomen langs de straat en had hem remedie gevraagd voor zijn verzworen vinger. Pap van lijnzaadmeel was de gekregen raad.

Izabelle Vande Kerckhove was door toedoen van het armenbestuur in het hospitaal te Brugge verzorgd geworden wegens reumatisme. Ze was ontslagen geworden, doch niet genezen. Nu had ze raad gevraagd aan Mottez. Haar had hij de kruiden aangewezen die ze plukken moest om het aftreksel ervan te drinken: hetgeen haar veel baat had bijgebracht.

Daniël Coppens had stijvigheid in de benen. Mottez had hem voetbaden aangeraden in graswater, en zowaar, was hij ervan genezen.

Jammer genoeg eindigt hier het verslag; en de uitslag van het onderzoek blijft onbekend. Evenwel moet Mottez wel kennis gehad hebben van de kruiden en hun geneeskundige kracht.

Nota’s:

  1. Pappel: rond kaasjeskruid = malva rotundifolia L. De Bo: ook kaasjesblaasjes.
    Bij Ferd. Müsser, Das grosse illustrierte Krauterbuch, Ulm, le uitg. 1860:
    Käsemalve, Hasenmalve oder Gänsepappel; woekerend onkruid dat in heel Europa op onbebouwde plaatsen en dorre heuvels en langs wegen voorkomt. De wortel kan in geval van nood als brood gebakken worden. Bij verschillende bereidingen voortreffelijk tegen hoest, kolieken, gezwellen, nier- en blaasontstekingen.
  2. Waterkasse: gele waterkers = nasturtium amphibium R.Br.

00000000       00000000000000     00000000

De Processieweg afgesloten

De processieweg: zo werd eertijds de rondgang genoemd die de processie volgde bij haar uitgaan. Deze liep over de Markt, door de Reyvaertstraat, de Pastoriestraat , en langs de buitenkant van de kerkhofmuur naar de markt. Dààr lag vroeger een landweg.

grondplan lissewegeHet Dorp van Lissewege volgens een plan van 1868.

In maart 1830 werd deze weg afgesloten met balies door Frans Franckin’s vader.

Er werden olmen bomen opgeplant. Alle doorgang werd ontzegd, dit tot ongenoegen van velen, maar nog het meest van pastoor en kerkraad.

Een verzoekschrift was gericht geweest naar de Gedeputeerde staten van Vlaanderen. Aan de gemeente Lissewege werd een onderzoek bevolen. In bijzondere zitting van 29 april 1831 kwam men tot de bevinding:

"Onderzoek gedaen hebbende in de terriers der Wateringen van Eyensluis in het 45e begin, bevonden dat dien weg zijn ende neemt aen het perceel groot G 3-0-88 roed. toebehoorende aen douairière Jacobsens, hofplaets daer Jacobus Vergauwe woont, welk perceel is palende met den noordwesthoek tot aen den muur van het kerkhof, zodat dien weg geen communicatie geeft met den weg van oosten het kerkhof gelegen, die leid tot in de strate genoemd d'Asschoope; maer daer er van gemelde G 3-0-88 r openheid gelaten is aen den kerkmuur, is d'oorzaak dat den weg van Oosten met den weg van Zuyden het kerkhof in elkander komt, hetwelk maer voor gedoogzaemheid kan aenzien worden. De weg in kwestie is eigendom van Dhr Franckin tot aen den kerkmuur, zodat te vermoeden doet dat dien weg maer eigenlijk gediend heeft tot uitweg van de aenpalende percelen die nu al aen den Mr Franckin zijn. Het kerkhof palende aen den weg, geen deel hebbende in den zelven en van westen zijn uitgang hebbende op de kasseiweg doet vermoeden dat het geen uitweg aldaer heeft, daer gewoonlijk alle landwegen tot halfweg eigendom is."

Het besluit van de Gedeputeerde staten van Vlaanderen op 14 juli 1831, steunde op bovenvermeld verslag. Toen op 10 oktober 1833 de douairière Jacobsens een verzoekschrift indiende om deze weg te mogen gebruiken, werd zij gewezen op dit besluit, temeer daar zij haar uitweg had door de Pastoriestraat.

Sindsdien doet de processie de rondgang binnen het kerkhof ... De Processieweg was geschiedenis geworden.

00000000000       0000000000000       0000000000

Het Sint-Jacobshuis

Eén van de oudst gekende huizen van Lissewege is het Sint-Jakobshuis. Het was een zeer gekende herberg.

Eigendom van de kerkfabriek, werd het gebouw in 1823 verpacht aan koster-schoolmeester Engelbert Van Steene, om te dienen als woning en school. In 1828 bekwam de Gemeente een cijnspacht voor 99 jaar à 41 Gulden of 86,77 Fr na de onafhankelijkheid.

Als school was het gebouw in 1849 te klein geworden. Een nieuw schoollokaal werd aangebouwd nevens de bestaande gebouwen.

Naar aanleiding van het leggen van de steenweg Dorp - Sas van Heist (toen ook nog grondgebied Lissewege) werd besloten de toegang tot de Markt te verbeteren en de Markt eveneens te kalsijden. Daartoe werd overgegaan tot het aankopen van het St-Jakobshuis en van de herberg van Jos Duysburgh, die er ten zuid-oosten aan paalde. Deze gebouwen werden gesloopt en de ontstane ruimte in de Markt opgenomen.

Joseph Duysburgh verkreeg 30 roeden grond van het armenbestuur rechtover de kerk en bouwde daar het huis dat nu de Sparwinkel is. De meubelzaak van Frans Wintein, nu aangezien als het St-Jakobshuis, is er in feite maar een deel van en wel het schoolgebouw opgetrokken in 1850 en in 1871 verbouwd tot winkel en bakkerij. In openbare verpaohting werd het in 1871 toegewezen aan bakker Constant Vankerschaever.

Nota’s

  1. St-Jakobshuis: Kad. Sektie B - 851/852; groot 4 a 10 ca.
  2. Herberg Duysburgh: Kd. Sektie B - 848/849/850; groot 1 a 71 ca.
    Rijksarch. Brugge: Gem. arch. Lissewege nr 16, notariële akten.

0000000000000   00000000000   000000000000

Het mooie weer!

'T allenkante hoort men van oude mensen zeggen “’t zijn geen zomers en winters meer zoals vroeger. Allemaal de schuld van die atoombom!” Ja, ‘t is algemeen geweten: in den goeien ouden tijd was alles veel beter. ‘t Klinkt precies zoals "chez nous en France" en "bei uns in Deutschland". ‘t Is maar dat de mensen zo kort van memorie zijn, en het ergste leed zo rap willen vergeten. Wie denkt er nog aan de winter 62/63 ?

Zo vertelde mij een oude boer dat de oogst van 1912 ook uitzonderlijk laat was, daar men eerst de 9e september kon beginnen pikken.

Wie er in 1829 aan die atoombommen geprutst heeft, mag joost weten. In elk geval had het begin augustus zo overvloedig geregend dat het Lisseweegse Vaartje en de Izabellevaart buiten hun oevers waren gelopen en gans het oostelijk en noordelijk deel van de Gemeente onder water stond. Het verslag in de notulen van de gemeenteraad van Lissewege op datum van 23 september 1829, is sprekend:

  • - Wat de tarwe betreft zijn weinig partijen waar geen geschoten graan in zit en door de grote regens is er veel ingehaald dat niet behoorlijk droog was, zodat het wel zou kunnen voorkomen dat veel in de schuren zou bederven. De haver en de bonen staan ten meerderen dele nog op ‘t veld, veel staat ten dele in het water en men weet niet hoe de vrucht van 't veld te halen. De aardappelen die onder water stonden zijn gans rot en in de andere partijen ook veel rot. De paardekaroten van gelijke en de maaigarsen staan onder water en zijn vernield.
  • - Het vee had men moeten op stal halen. Twee landbouwers waren erg getroffen door verdrinking van vee en het feit dat hun garsingen onder water stonden tot in maart 1830. Bij Jakob Rotsaert verdronken een merriepaard met kachtel, een melkkoe, zes tweetanders en negen jaarlingen. Deze dieren had hij gedolven. De schade werd geschat op 1130 Gulden. Constant Van Kerckhove verloor twee melkkoeien, vier vaarzen en acht jaarlingen, voor een totaal van 86O Gulden.
  • - Hun verzoek om schadeloosstelling werd door de staat afgewezen in mei 1830.

Zij konden niet genieten van het fonds "Hoornvee" omdat de dieren niet afgeslacht werden op last van de overheid. Dit was wel het geval bij smetziekte, ook muil- of pootplaag genoemd.

Op 12 april 1830 werd bevel gegeven het sas van Zwankendamme te openen om het water van het Lisseweegse Vaartje te lozen in de Noordvaart. Onze vroede vaderen reageerden echter dadelijk; en zij verzochten de hoofdingenieur van de Waterstaat het water te lozen in de Oostendse Vaart, hetgeen wel een paar dagen langer zou duren. Maar daar er te Zwankendamme een verval was van 1 1/2 Voet, zou de Noordvaart overlopen en de lage landerijen terug onder water zetten. Te· meer daar deze nog niet konden geploegd worden wegens de voorgaande vloed van wateren.

Nota’s

  • Rijksarch. Brugge: Gemeentearch. Lissewege Reg. 2
    Watermiserie kende Lissewege zowel ‘s winters als ’s zomers. Bij droge zomers liep het Lisseweegse Vaartje bijna droog. Daar het de aanvoerader was voor bijna de gehele gemeente, was het een miserie zonder einde. Temeer daar, bij gebrek aan beter, dit water eveneens gebruikt werd in de huishouding. Wel werd soms water gestoken vanuit de Oostendse Vaart, maar dit werd eerst en vooral afgenomen door de rabotten, die een gedeelte van Zuienkerke en Dudzele bevoorraadden; zodat dit water bijna nooit tot in Lissewege kwam.
  • Rijksarch. Brugge: Gemeentearch. Lissewege Reg. 3 bis - 31-7-1846 - Reg 2 - 6-10-1814: aangaande het drinkwater. Bundel 11 briefwisseling aangaande drinkwater 1869 - Reg 1 ter 1848: sedert het inrichten van de vaart van Zelzate, kan men met gemak het oppervlaktewater afloop geven.

000000000000     000000000     000000000000

De Witte Molen (1)

Door broodbakker Philip Cosyn werd op 13 september 1855 een aanvraag ingediend om toelating te bekomen tot het bouwen van een korenwindmolen. Deze molen zou worden gebouwd op een perceeltje grond, toebehorende aan zijn schoonmoeder Marie Buckens. Het perceel droeg het kadasternummer 293 van sektie B, en lag ten oosten van de openbare weg, leidende van de Plaats alhier naar de Zandscheerstr(2). De molen zou op 10 meter van de openbare weg opgetrokken worden.

De toelating werd hem verleend in de raadszitting van 22 oktober 1855, zodat de molen er reeds staat van einde 1855 of heel in het begin van 1856.

Onze Philip schijnt een doordrijver en een dwarskop te zijn geweest, althans volgens het verslag van sekretaris Frankin uit het jaar 1859. Toen had “Fluppe” bezwaar gemaakt tegen zijn belastingsaanslag (niets nieuws onder de zon!). Maar, aldus de Raad ... overwegende dat in 1855 reklamant enkelijk als bakker en winkelier is belast geworden en onze Raad hem in 1856/1857 gelijkelijk belast heeft bij misslag, daar hij reeds molenaar was. Dat, bij de belastingsrol van 1858 deze fout hersteld werd en hij aangeslagen is volgens zijn nieuwe staat, daarbij gelijkgesteld is met molenaar Hoenraedt waarmee hij ten naaste bij kan vergeleken worden, en niet zoals winkelier, metselaar of andere neringdoeners zoals hij beweert dat het zou moeten. Dat, gezien de rol van 1859 waarin beiden aangeslagen zijn:

  • A./ Donaas Hoenraedt    art. 55 tot 23 Fr
  • B./ Philip Cosijn      art. 56 tot 22 Fr;

en in aanmerking nemende dat:

  1. Philip Cosyn uitoefent het beroep van koren- en moutmolenaar, herbergier, koopman in granen en zaden, 40 aren land gebruikt; dat hij zijn molen, huis en land in erfpacht heeft van zijn schoonmoeder en zijn huisgezin uit hemzelf en zijn vrouw bestaat: hij moet bemiddeld zijn, daar hij steeds nieuwe ondernemingen aangaat (3).
  2. Dat Donaas Hoenraedt uitoefent het beroep van koornmolenaar en herbergier, 90 aren land gebruikt, hij zijn molen, huis en land pacht en zijn gezin bestaat uit 7 leden en zijn fortuin twijfelachtig is.

Dit alles was reeds voldoende om het protest van Fluppe af te wijzen; maar nu de zaak toch op gang was, gingen ze nog een stapje verder:

Dat Cosijn gekend is als een moeilijk en lastig mens, die gedurig in de gemeente woelt en anderen aanstookt tot vitten en reklameren. Die alle administratieve maatregelen aanziet als lastige kwellingen en die het (men moet maar durven), zelfs aandurft uit te vallen tegen de wet op de maten en gewichten.

Alles rijpelijk overwogen kunnen we, hand op het hart, onze stem slechts voegen bij deze van de Raad en de 22 Fr belasting als billijk aanzien.

Niettegenstaande dit moeten we Fluppe dankbaar zijn om zijn mooie molen.

Mocht deze stenen molen zo spoedig mogelijk de herstellingen ondergaan die hij nodig heeft, opdat deze tenminste mag bewaard blijven.

Nota’s

Rijksarch. Br.: Gemeentearch. Lissewege Reg lter.

  1. Witte molen: volksmond - deze molen was gewit in tegenstelling met de Dorps~ molen die in grauw steen was gebouwd en daarom ook wel de zwarte molen genoemd werd.
  2. Zandscheerstraat: Nu op Zwankendamme, de Lissewegesteenweg; en over het kanaal, de Ploegstraat.
  3. Dat ze de bal niet zo ver mis sloegen, bewijst de uitslag van een aanbesteding voor het leggen van de kalsijde van het Dorp naar de steenweg van Brugge naar Blankenberge in 1862. Ook daar had Filip Cosyn zijn geluk beproefd, nu als aannemer, maar tevergeefs.

---------------
%%%%%%%%%%
---------------

De Gemeentesekretaris van Lissewege, de Heer Andre Cartreul, Lid van onze Heemkundige Kring Sint-Guthago, stuurde ons een fijne en rijk uitgegeven “Gids voor Lissewege”. Het werkje werd door dhr. Cartreul zelf samengesteld. Kort en bondig de bijzonderste wetenswaardigheden over Lissewege en een zeer verzorgde illustratie. Jammer dat het heemkundig kaartje niet duidelijker en over twee bladzijden werd uitgewerkt. Prijs: .... Fr.

Lisseweegse "mengelwaren" uit de XIXe eeuw -

Germain Vandepitte

Rond de poldertorens
1964
02
047-053
Achiel Calus
2016-01-12 09:37:24

Afdrukken