headerbg bl
HomeNieuwsNieuws 2009Tentoonstelling De Lieve tussen Gent en Damme

Tentoonstelling De Lieve tussen Gent en Damme

Op zondag 23 augustus brachten de leden van de Geschied- en Heemkundige Kring Sint-Guthago een bezoek aan de tentoonstelling ‘De Lieve tussen Gent en Damme’. Gids was: Jan Hutsebaut van het Uilenspiegelmuseum. Een verslag:

De stad Gent liet in het midden van de 13de eeuw het Lievekanaal graven om een toegangspoort tot de zee te krijgen. Damme, aan het Zwin, was het eindpunt van dit kanaal. De gids toonde op een hedendaagse stafkaart het vroegere verloop van de middeleeuwse Lieve tussen Damme en Gent en op welke plaatsen er nu nog een overblijfsel van de Lieve te zien is. Tussen de Brugsevaart in Evergem en Stoktevijver in Zomergem ligt de Lievetragel, waarlangs men nu kan fietsen. In Gent is er nog de Lievekaai, de Lievebrug en een stuk van de Lieve van het Gravensteen tot aan het Rabot. In Moerkerke is er de Lieveberm en in Damme het Sas van de Lieve.

Voor kunstenaars is de Lieve nog steeds een inspiratiebron. Dit werd in de tentoonstelling geïllustreerd door een reeks foto’s van Adelin De Stercke uit 2009 met winterzichten van de Lieve tussen Beirtjensbrug en Beke. Er waren ook verschillende schilderijen van de Lieve te zien, van o.a. Oscar Bonnevalle (1920-1993) (“De Lievebrug”), John Van Hulle (“De Lieve in Wondelgem”) en Huguette Ingelaere (“De Lieve”), alsook houtsneden van Michel Bracke (“De Lieve in Gent”). De cultuurprijs “De Gulden Lieve” die de stad Damme jaarlijks uitreikt werd genoemd naar het middeleeuwse Lievekanaal en ook het straatnaambord “Lieveberm” in Moerkerke verwijst naar de Lieve.

In 1251 kreeg Gent de toelating om een directe verbinding naar de zee te graven via een kanaal naar Aardenburg. Aardenburg had met de pas verbrede Ede een goede verbinding met het Zwin. Enkele jaren later koos Gent echter voor een verbinding met Damme. In 1262 was men hier reeds volop aan het graven. Gent investeerde de daaropvolgende decennia fors in Damme, wat wees op het economische belang van het kanaal. In 1334 - 1335 herstelde men de spui en legde men een kade aan langs de Lieve en langs het Zwin.

Jan Hutsebaut toonde op een kopie van een panoramisch zicht op Gent uit 1534 de ligging van Gent aan het kruispunt van de rivieren de Schelde en de Leie. De Leie maakte een grote bocht in de stad en mondde uit in de Schelde. Sinds het midden van de 13de eeuw vertrok de Lieve aan het Gravensteen, stroomde onder de Rabottorens en kronkelde verder rond Wondelgem. In een vitrinekast waren middeleeuwse voorwerpen uit Aardenburg te zien, zoals een aardewerken pot (14de eeuw), een pelgrimsinsigne (15de eeuw), een zegel (14de eeuw), een balksleutel uit het belfort (14de eeuw), alsook een gelegaliseerd afschrift (1436) van een akte uit 1244, waarbij Thomas van Savoye en Johanna van Constantinopel, graaf en gravin van Vlaanderen, de toestemming gaven aan de stad Aardenburg om de Ede te verbreden. Deze akte was ook getekend door de abt van Zoetendale. Met de verbreding van de Ede had Aardenburg, dat tijdens de late middeleeuwen een welvarende stad was, een betere verbinding met het Zwin. Verder waren ook voorwerpen uit Damme te zien, o.a. versierd aardewerk (13de - 14de eeuw), kinderspeelgoed, zoals een riddertje, uit proefopgravingen langs het stadhuis in 2009 (wat getuigt van een zekere middeleeuwse rijkdom) en een zegel van Damme uit 1226-1249, met een bemast en opgetuigd schip dat naar een kaai of dam vaart waarop een gebouw staat.

Op een kopie van de Dampierrekaart (17de eeuw) was de situatie te zien in het noorden van Vlaanderen in de tweede helft van de 13de eeuw, waarbij de Lieve door de Kasselrij van Oudburg en het Brugse Vrije liep, langs Adegem, Eeklo, Middelburg, Soetendale klooster en Moerkerke. Damme was hierop weergegeven met zijn 17de eeuwse omwalling. Dat er ook toen moeilijkheden en protesten waren bij het graven van een kanaal, werd aangetoond door een charter van 11 november 1262, waarin stond dat de stad Gent en het Brugse Vrije 5 mensen aanduidden om uitspraak te doen bij moeilijkheden die zich voordeden tijdens de graafwerken van de Lieve op het grondgebied van het Brugse Vrije. In het charter van 1251 waarbij Gent van Margaretha van Constantinopel de toelating kreeg om een kanaal te graven, werd uitdrukkelijk vermeld dat er onderweg geen kaai aangelegd mocht worden. In 1322 erkent graaf Lodewijk van Nevers het monopolie van Gent op de Lieve (te zien in het “Boeksken vander Lieve”).

Op de tentoonstelling waren een aantal foto’s en afbeeldingen te zien van de Lieve in het Gentse, zoals de Lieve in Wondelgem en een kaart van de parochie van Wondelgem uit 1576 waarop heel goed de grote bocht van de Lieve langs de Wondelgemse meersen en haar verdere loop met de Karnemelkbrug en de Benningbrug te zien was. Er was ook een foto van een aquarel met het waterkasteel Het Rabot. Het Rabot aan Sanderswalle was een zwak punt in de Gentse stadsverdediging. Na het afslaan van de belegering van keizer Frederik III in 1489, richtte men de Rabottorens op. Na het doorvaren van het rabot en het dwarsen van de wallen kwam de schipper in een weids landschap terecht. Op de grens tussen Lovendegem en Evergem stond oorspronkelijk het rabot Zoete Moeie. Hier is nu nog de Lievekom te zien. De Lieve tussen Veldekes (Eeklo) en Damme is duidelijk aangegeven op de kaart met het Brugse Vrije in 1558-1565, geschilderd door Pieter Pourbus (1571) en gekopieerd door Pieter Claeissens. In Damme mondde de Lieve uit in het Zwin.

Wie geen poorter van Gent was, moest aan Gent betalen om op de Lieve te mogen varen. Getuige hiervan was Pieter De Munck die 10 schellingen voor de “vrijheid van de Lieve” betaalde in 1595. Zo verkreeg hij het recht om vanuit Gent tot buiten de stad Damme alle soorten goederen te vervoeren. Uit het “Cheynsboek van de Lieve” (1539-1543) kon achterhaald worden dat in 1539 de verpachting van de Lieve 80 pond opbracht. In het begin van de 14de eeuw bracht dit jaarlijks 120 pond op, in 1363 zelfs 340 pond. Nog een illustratie van de macht van Gent over de Lieve was op te maken uit een Cartularium dat bewaard wordt in het Rijksarchief Brugge (Watering Moerkerke Zuid), waarin stond dat in 1388 de inwoners van Moerkerke de toestemming kregen om een “conduut” onder de Lieve te graven, op voorwaarde dat er geen kosten waren voor de stad Gent.

Er waren ook afbeeldingen van de Lievekaai in Gent op de tentoonstelling te bezichtigen, o.a. met wagens, karren en de kraan erop, of met het Gravenkasteel op de achtergrond. De eerste kraan op de Lievekaai dateerde van de eerste helft van de 17de eeuw. In 1727 dienden de kraanwielen vervangen te worden. De Lievekaai werd in 1836 gedempt.

Op het 45 km lange traject van de Lieve waren negen rabotten nodig om het waterpeil op punt te houden. Een rabot was een keersluis. Tussen Raverschoot en Steentjens, over een afstand van vier kilometer, stonden er vijf om een hoogteverschil van ruim 2 meter te overbruggen. De oudste rabotten waren in hout. Jan Hutsebaut demonstreerde de werking van een rabot aan de hand van een mooie maquette, gemaakt naar de maten van een rabot beschreven in een transportboek van ca. 1450. De rabotbalk werd met een katrolsysteem opgehaald. Op een plan uit 1730 van de Lieve tussen Damme en Leestjesbrug was het rabot in Damme prachtig afgebeeld.

De Lieve was een kanaal voor de binnenscheepvaart, met geringe afmetingen. De scheepvaart was beperkt in grootte en volume. Boten mochten niet langer zijn dan 15 voeten, niet dieper dan 3 voeten en niet breder dan 8 voeten, resp. 4,20 m, 0,85 m en 2,10 m. Ook het maximum volume was vastgelegd. Of men nu haring, as, boter of bier vervoerde, het gewicht mocht niet gaan boven een vracht gelijk aan vijf vaten wijn, wat overeen kwam met ca. 4.000 kg. In de tentoonstelling was een model van een broekschuit (afkomstig van het Scheepvaartmuseum te Baasrode) te zien. De broekschuit is een klein en eenvoudig binnenvaartuig, dat waarschijnlijk gebruikt werd om op de Lieve te varen. Ook van een eemer was een model aanwezig. Dit typisch Vlaams vaartuig met zijn rechte stevens was al in de 13de eeuw in gebruik. Dergelijke vaartuigen waren zeer flexibel en gebruikte men wellicht ook op de Lieve. De belangrijkste vrachten op de Lieve bestonden uit koren en wijn. Koren omdat Gent de graanstapel van Vlaanderen bezat en wijn omdat Damme een wijnstapel had. In Damme bouwde men een kraan die vooral bestemd was voor het lossen van de wijn. Het model van een houten kraan van het Stadsarchief Brugge, alsook haring- en wijnvaten waren aanwezig op de tentoonstelling.

Het monopolie voor het bevaren van de Lieve was in handen van de Confrérie van de vrije schippers van Gent, waarvan in de tentoonstelling verscheidene voorwerpen te zien waren, zoals een zilveren offerschaal uit 1725, een zilveren kelk, pateen en lepeltje, een zilveren collecteschaal uit 1752 en twee zilveren kandelaars uit 1715. Gekruiste ankers op de voorwerpen verwijzen naar de Confrérie van de vrije schippers. Sint-Antonius was hun patroonheilige.

Een volgend deel van de tentoonstelling ging over Damme en de Lieve, aan de hand van een aantal kaarten uit de 16de tot de 19de eeuw. Op een plattegrond van Jacob van Deventer (1558 - 1565) van de stad Damme was het eerste tracé van de Lieve, die ten noordoosten van de stadsvesten in de Zoute Vaart uitmondde, te zien. Dicht tegen de Zoute Vaart lag de Noordersche Speye en ten zuiden daarvan de Ghentsche Speye met het spuihuis en de brug over de Lieve. Bij de vestingwerken in 1616 werd de Lieve binnen de stadsmuren geleid via twee dodanen in de stadswallen. De muren werden later overwelfd en ingericht als kazemat, die nu nog te zien is op de Haringmarkt. Dit was het tweede tracé van de Lieve in Damme. Sinds 1660 mondde de Lieve uit in de buitenste stadsgracht. Op een kaart uit 1815 was het Napoleonkanaal te zien, de nieuwe vaart van Brugge naar de Schelde. De Lieve liep toen van de Hoge Brug in de buitenste vestinggracht en vervolgens tussen twee vervallen sassen. In 1800 had J. Devos de duiker onder de Lieve opgemeten. De duiker lag tussen de Hoge Brug in Damme en Moerkerkebrug.

De verzanding van het Zwin zorgde in de 15de eeuw echter reeds voor een sterke terugloop van de scheepvaart en in de 16de eeuw was de scheepvaart tussen Damme en Sluis uiterst moeilijk geworden. De Lieve verviel dan ook tot een lokale verbindingsweg.

De Lieve veroorzaakte ook heel wat waterellende voor de streek tussen Gent en Damme. In 1717 begon net voorbij Balgerhoeke de Nederlieve, die volledig in orde moest worden gebracht om overstromingen te vermijden. Voorbij Celiebrug, richting Moerkerke, was de Lieve niet meer dan een onbevaarbare beek geworden. Naar aanleiding van steeds terugkerende overstromingen, vroegen de schepenen van het Brugse Vrije in 1726 landmeter Jan D’Herbe een kaart van de Lieve en de Stenen Beer te tekenen. Hij stelde vast dat de Lieve van Balgerhoeke tot Damme verwaarloosd was.

In de 19de eeuw delfde men het Schipdonkkanaal in de loop van de Lieve en verbrak daardoor definitief de verbinding tussen Gent en Damme. De werken aan het Schipdonkkanaal werden fotografisch vastgelegd. Foto’s van 1857 toonden arbeiders aan het werk bij het uitbreken van funderingen van een brug over de Lieve te Eeklo. Door middel van teksten verschenen in de verschillende edities van de krant “De Eeclonaer” in 1857 kon het verloop van de werken goed gereconstrueerd worden en uitgemaakt worden dat de foto’s om de brug aan Raverschoot gingen. In 1860 waren de werkzaamheden voltooid en was er weer scheepvaart in Eeklo. In Zomergem eindigde de Lieve ter hoogte van Stoktevijver in het Schipdonkkanaal.

Auteur: Marc De Meester (Geschied- en Heemkundige Kring Sint-Guthago)

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.