headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurKnokke-Heist natuurlijkDe polders - Bomenrijen en houtwallen

De polders - Bomenrijen en houtwallen

Planten


olmDe es wordt groot en oud

Omdat de gewone es een houtsoort is van lage, vruchtbare en vochtige hellingen en van rivierdalen, doet hij het uitstekend in de kleibodem van de polders. Het is dan ook een typische boom van deze streek. De es is een vitale soort die tot veertig meter hoog kan uitgroeien en wel meer dan 200 jaar oud kan worden. Typerend zijn de rechte stam en de matzwart gekleurde knoppen. Essen worden samen tot hoge windschermen aangeplant, maar ze kunnen ook net als knotwilgen tot knotbomen gesnoeid worden. Essen groeien traag, maar het hout is zeer taai en veerkrachtig. Er worden stelen van gemaakt voor gereedschappen, zoals bijlen en hamers. En het wordt ook als fineerhout gebruikt.

damse-vaart-met-populieren

De populier levert luciferhout

In Knokke-Heist zijn verschillende soorten populieren aangeplant. Een van de meest gebruikte is de Canadapopulier. Deze boom voelt zich immers uitstekend thuis op kleigrond of vochtige zandgrond. Net als de es, verdraagt deze populier goed snoei, en kan hij zelfs als een knotwilg geknot worden. Als de vruchten van de populier in juni openspringen, komt er een grote hoeveelheid zaadpluis vrij, dat in de lucht zweeft. Op een zonnige dag kun je het boven het hete asfalt omhoog zien gaan. Komt het boven het koudere weiland, dan daalt het weer. Als de lucht ’s avonds afkoelt en vochtiger wordt, kleeft het pluis aaneen en komt het zaad op de grond terecht. Populierenhout is licht en wordt verwerkt tot lucifers, vezelplaten, fineerhout en paletten.

De olmen, door ziekte geveld…

De olm of iep is een inheemse boomsoort die je echter nog maar zelden ziet. De reden hiervan is, dat de bomen verdwijnen als gevolg van een ziekte. De ‘olmenziekte’ wordt veroorzaakt door een schimmel. Kleine spintkevertjes die gangen graven onder de schors om hun eitjes te leggen, zorgen voor het overbrengen van de schimmel van de ene boom op de andere. De schimmel ontwikkelt zich en dringt binnen in de houtvaten. Dat zijn kanaaltjes langs waar water met voedingsstoffen doorheen de boom stroomt. Zo kan de schimmel zich snel in de olm verspreiden. Als gevolg van de schimmelinfectie geraken de vaten verstopt, waardoor de boom geleidelijk aan verwelkt en afsterft. De spintkevers komen enkel op olmen waarvan de takken minstens een diameter van 10cm. Jonge olmen worden niet door ziekte aangetast.

meidoornEen meidoornhaag is een natuurlijke prikkeldraad

De meidoorn is een struik die echter ook tot een kleine boom kan uitgroeien. Zijn naam heeft te maken met de overdadige bloei in de maand mei. De struik is dan overdekt met een weelde van zacht geurende, witte bloempjes. De meidoorn heeft sterk gedoornde twijgen. Zo kunnen verschillende meidoorns naast mekaar een ondoordringbare haag vormen. Daarom zijn ze vaak aangeplant als natuurlijke ‘prikkeldraad’ of veekering langs weilanden en woonerven. Omdat de meidoorn goed bestand is tegen de zeewind, doet hij het aan de kust vrij goed.

Gespecialiseerde motvlinders, kevers en wespen voelen zich thuis in en op deze struik. De bessen worden graag gegeten door lijsters en merels en ook door wintergasten zoals kramsvogels en koperwieken. Hij bloeit met witte bloempjes heel overdadig in mei. De vruchten zijn rode besjes.

Bij de sleedoorn verschijnen de bloemen voor de blaadjes

sleedoornSleedoorn betekent ‘de pruim die doorns draagt’. Deze dicht vertakte struiken of kleine bomen hebben sterk gedoornde takken. Ze groeien bij voorkeur op kalkhoudende bodem. De talrijke witte, kleine, geurende bloemen verschijnen in maart voordat de bladeren zich vertonen. Na de bloei worden de net verschenen jonge blaadjes vaak door spinselmotten ontdekt en opgevreten. Daarna spinnen zij zich in. Dichte kluwen zijdeachtige spinsels bedekken de struik waaruit honderden jonge rupsen worden geboren. De kaalgevreten takken zien er helemaal niet fraai uit. Maar tijdens de zomer groeien er weer nieuwe blaadjes. En intussen zijn de jonge rupsen een lekkere hap voor de jonge vogels die in mei uit hun ei zijn gekropen. Sleedoorn wordt ook wel ‘zwarte doorn’ genoemd om zijn zwarte, berijpte bessen die graag door lijsters gegeten worden. Door hun uitwerpselen waar de zaadjes inzitten, wordt de struik verspreid. Net als bij de meidoorn, bouwen allerlei vogels graag hun nest tussen de takken van deze struik, want de doornen beschermen hun jongen tegen belagers. De sleedoorn wordt al van oudsher door mensen gebruikt. Van de doornen maakte men zwarte inkt, van de bast een rode kleurstof voor wol en linnen. De oude Germanen plantten reeds sleedoorn en witte meidoorn als hagen tegen de vraat van allerlei dieren.

Hagen, houtwallen en bomenrijen

Vroeger werden hagen, houtwallen en bomenrijen ook aangeplant rond erven, boerderijen en weilanden. Ze dienden om perceelsgrenzen aan te geven, als afsluiting, of als zonne- en windscherm. Het personeel op de boerderij had er ’s winters handenvol werk mee om hout te hakken, te zagen en te klieven. Het werd gebruikt als brandhout voor de bakoven of voor het vuur waarop de aardappelen voor de varkens werden gekookt.

De bomen en struiken vormden samen vaak kilometerslange verbindingen tussen bossen en andere natuurterreinen, dwars door het open boerenland. Het zijn niet alleen beschutte verbindingswegen voor allerlei wilde dieren, ze bieden hun ook heel wat voedsel en schuil- of nestplaatsen. En dat is ook voor de landbouw een voordeel, want heel wat eters van landbouwparasieten vinden er een geschikte woonplaats. boomsilhouettenLoopkevers, padden, egels, wezels, hermelijnen voeden zich immers met massa’s insecten, slakken en muizen en zijn daarom nuttige bondgenoten van de landbouwers.

Toen de Duitsers zich in de Tweede Wereldoorlog terugtrokken, hebben ze de streek onder water gezet. Heel veel bomen zijn toen doodgegaan.

Dieren


De gekraagde roodstaart verleidt zijn vrouwtje met…een dansje

De gekraagde roodstaart lijkt op het roodborstje, maar hij is wat slanker en zijn staart is dunner. Met die oranjerode staart wipt hij voortdurend op en neer. Dat kun je vooral in de vlucht goed zien. Eigenlijk is de gekraagde roodstaart een bosvogel, maar tijdens de trek zie je hem ook in het struikgewas in de duinen of op braakliggende gronden. Hij gaat vooral op zoek naar insecten – spinnen, wormen, slakken – en ook wel naar bessen. In de broedtijd zoekt het mannetje een geschikt holletje als nestplaats. Daarna probeert hij het vrouwtje te overtuigen om de nestplaats in te nemen. Hij lokt haar met gespreide vleugels en de felle kleur van zijn staart. Zodra het vrouwtje ‘verleid’ is, begint ze met de bouw van het – overigens slordige – nest.

De ekster is hoe dan ook een prachtige vogel

Deze vogel heeft een slechte reputatie omdat hij steelt en vogelnesten uitmoordt. De ekster pikt bijna altijd eerst de ogen van haar slachtoffertjes uit. Misschien heeft dat pikgedrag te maken met haar aangeboren interesse voor alles wat blinkt. Het stelen van juwelen zit haar blijkbaar in de genen. Eigenlijk is de ekster een prachtige vogel. Van dichtbij kun je goed zien dat haar zwarte veren een mooie blauwe, groene en paarse glans vertonen. Ook in nestbouw blinkt ze uit. In een hoge boomtop bouwt ze een opvallend groot, overkoepeld takkennest dat meestal al van ver is te zien.

wezelDe wezel is zo dun als een muizenholletje

De wezel is het kleinste roofdier van Europa. Hij is zelfs zó klein dat hij muizen tot in hun gangenstelsels kan achtervolgen. Zijn voedsel bestaat vooral uit woelmuizen. Als het aantal woelmuizen beperkt is eet hij ook wel bosmuizen, ratten, mollen, vogeltjes, eieren, slakken, kikkers, insecten en jonge konijnen en hazen. Het lichaam van de wezel is langgerekt en hij heeft korte poten en een korte bruine staart. Zijn rug is bruin en zijn buik wit, met een onregelmatige scheidingslijn tussen de twee. Wezels leven eigenlijk overal waar muizen voorkomen. Ze zoeken ook graag dekking in houtkanten en heggen.

De hermelijn was leverancier van het koningsbont

hermelijn-in-wintervachtHermelijnen zijn net als wezels kleine marterachtigen die vooral leven van muizen. Beide soorten hebben een opvallende manier om hun omgeving te onderzoeken: ze 'kegelen'. Ze staan dan op de achterpoten, met hun lichaam rechtop, op de uitkijk. De hermelijn is duidelijk groter dan de wezel en heeft een langere staart met lange haren en een zwarte punt. De rug is grijs- of beigebruin en de buik is wit of geel.. Twee keer per jaar krijgt hij een nieuwe, anders gekleurde vacht. In de herfst wordt zijn bruine vacht wit en in de lente krijgt hij weer een bruine vacht. De witte kleur zou ervoor zorgen dat hij minder warmte verliest en beter gecamoufleerd isin de koude winter. Zijn staartpuntje blijft altijd zwart. Vroeger werd het zwart-witte hermelijnenbont gebruikt als ‘koningsbont’ voor de boord van wijde koningsmantels.

bunzingDe hermelijn is zowel 's nachts als overdag actief. Naast woelmuizen en waterratten staan zelfs konijnen op zijn menu. Het voortbestaan van wezels en hermelijnen wordt bedreigd door de aantasting van hun leefgebied, door het drukke verkeer en het gebrek aan schuilmogelijkheden. Mensen hebben immers de neiging om alles op te ruimen, terwijl takkenbossen, steenhopen en dichte struiken langs akkers de leefmogelijkheden van de wezels en hermelijnen sterk kunnen verbeteren.

De bunzing is specialist in…stinken

De bunzing leeft in bosjes dicht bij huizen, maar meestal in de buurt van water. Hij is een uitstekende speurder, springer en zwemmer. Op het land beweegt hij zich huppelend voort. Geregeld speurt hij, rechtopstaand op zijn achterpoten, de omgeving af. Als de bunzing zich bedreigd voelt, verspreidt hij uit zijn geurklieren onder zijn staart een sterke, stinkende geur. Hoewel hij een nuttige bondgenoot is in de strijd tegen ratten, heeft hij een slechte reputatie omdat hij wel eens kippen rooft.

Landschapselementen vormen wegen en stapstenen voor de dieren

veldspitsmuisNaast lijnvormige landschapselementen, zoals hagen en bomenrijen, zijn er ook ‘puntvormige’ elementen: alleenstaande bomen, kleine hakhoutbosjes en drinkpoelen zijn daar goede voorbeelden van. Ze vormen natuurlijke‘stapstenen’ voor de dieren in het cultuurlandschap. Roofvogels gebruiken de hoge alleenstaande bomen als uitkijkplaats, en drinkpoelen voor het vee vormen ideale leefplaatsen voor amfibieën, waterplanten en libellen.

Door de schaalvergroting in de landbouw dreigden die landschapselementen verloren te gaan. De afstand tussen de resterende drinkpoelen werd te groot, zodat amfibieën geïsoleerd raakten en verdwenen. Knokke-Heist werkt mee aan een project van de provincie West-Vlaanderen om die elementen in het landschap te behouden of opnieuw in te planten.

Het steenuiltje woont graag in knotwilgen

De steenuil is de kleinste van onze uilen. Met zijn gefronste blik en zijn felgele ogen ziet hij er vinnig en streng uit. Hij jaagt meestal ’s nachts, maar laat zich soms ook overdag zien, zittend op zijn favoriete plekje in de zon, luierend tot het donker genoeg is om op jacht te gaan. Hij voedt zich met wormen, kevers, sprinkhanen en muizen die hij na een geruisloze duikvlucht met zijn scherpe klauwen vastgrijpt. Het liefst nestelt hij in de holten en spleten van bomen, bijvoorbeeld in knotwilgen.

luchtfoto-zuiveringsstation-kleine-vlakte-zwinbosjes-ze


| inhoudstafel | Terug

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.