headerbg bl

De polders - Grachten en kreken

In het polderlandschap zijn er veel mooie, waterrijke plekjes: afwateringsgrachten en overblijfselen van geulen en kreken van de vroegere schorren. Water maakt het landschap levendiger: het weerspiegelt het wisselende wolkenspel, de wind tovert rimpelingen op het oppervlak, de plons van een wegspringende kikker veroorzaakt uitdijende kringen … Vroeger waren de oevers van grachten en kreken vaak bedekt met een dichtbegroeide en rijk geschakeerde verzameling planten. En ook nu vind je er nog heel wat. De talrijke grachten die het poldergebied doorkruisen, vormen met hun oeverbegroeiing ideale verbindingswegen en nestplaatsen voor zoogdieren, vogels, en andere dieren.

Planten


gracht-met-rijke-overbegroeiingKnotwilgen houden de oevers vast

Wilgen zijn echte waterdrinkers. Ze kunnen grote hoeveelheden water opzuigen, want een groot deel daarvan verdampt via hun bladeren. Dat maakt ze bijzonder geschikt voor drassig terrein, bijvoorbeeld om weiden af te bakenen en schaduw te bieden aan het vee. Bovendien verstevigt hun sterk vertakte en verspreide wortelstelsel de oever.

In de els huist de duivel

De soort die hier aangeplant wordt, is de zwarte els. Hij wordt tot vijfentwintig meter hoog en is een ideale boom voor vochtige gronden. De boom is éénhuizig, wat betekent dat hij zowel mannelijke als vrouwelijke katjes draagt. De katjes bloeien in het voorjaar, de bestuiving gebeurt door de wind. Op plaatsen waar de boom is gesnoeid, kleurt het witte hout snel geel en na vierentwintig uur is de zaagsnede roodachtig en ziet het sap dat er uitstroomt er bijna bloedrood uit. Vroeger dachten de mensen dat boze geesten daar de hand in hadden. De duivel zou zijn grootmoeder tot bloedens toe met een elzenstok hebben afgeranseld!

elzenDe zaadjes van de gele lis hebben een zwemvest

Omdat er met het regenwatermeststoffen uit de akkers wegspoelen, zijn de grachten tamelijk voedselrijk. En dat is nu net wat soorten zoals riet, gele lis en lisdodde nodig hebben. In juni bezoeken veel hommels, zweefvliegen en bijen de grote gele bloemen van de gele lis op zoek naar nectar. In het najaar zijn de vruchtdoosjes rijp en dan barsten ze open. De bruine platte zaden vallen op het water waar ze blijven drijven dankzij een kurkhuidje. Als dat in de winter is vergaan, zinken de zaden naar de bodem waar ze kunnen kiemen om een nieuwe plant te vormen.

De lisdodde heeft een sigaar vol zaadjes

Deze plant bloeit op een heel typische wijze, waardoor ze de naam ‘rietsigaar’ kreeg. De kleine bloempjes zitten heel dicht tegen elkaar. De mannelijke bloempjes vormen een dunnere aar bovenaan, de vrouwelijke bloempjes zitten daar vlak onder, en vormen de dikkere ‘sigaar’. Na de bestuiving en bevruchting vormen zich talrijke piepkleine zaadjes. ’s Winters gaan de gladde aren er veel slordiger uitzien omdat ze beginnen te pluizen. Als je één klein plukje uit zo’n aar kunt losmaken, zie je meteen hoe onvoorstelbaar veel pluis met zaadjes zo’n aar bevat.

gele-lisBij het hoornblad vindt de bestuiving onder water plaats

hoornbladAls je ooit op zoek bent geweest naar stekelbaarsjes of salamanders, heb je met deze plant zeker kennis gemaakt. Hoornblad vormt lange slingers van bladkransen, die, als je ze boven water tilt, onmiddellijk slap neerhangen. Hoornblad komt in alle stilstaande wateren ter wereld voor, behalve in hooggebergten en poolstreken. Deze plant is doodgewoon en merkwaardig tegelijk: hij bloeit onder water! Het stuifmeel wordt in het water verspreid en daar vindt ook de bestuiving plaats. Dat is hoogst uitzonderlijk, want de meeste hogere planten houden hun stuifmeel liever droog.

waterranonkelDe waterranonkel kleurt het water wit

Deze plant is familie van de boterbloem en hij komt vrij veel voor in zowel stilstaand als stromend water. Waterranonkel groeit wel in het water, maar meestal steekt er een flink stuk van de stengel met bloemen bovenuit. In juni zien sloten en grachten op sommige plaatsen wit van de bloeiende waterranonkel.

De kikkerbeet wortelt …in het water

Dit is een waterplant met ronde, op het water drijvende blaadjes die mooi, regelmatig generfd zijn. De witte wortels reiken niet tot in de modder, maar hangen gewoon los in het water. In de herfst zinkt deze plant naar de bodem, waar hij met winterknoppen in de modder de koudste maanden overleeft.

zwanebloem-lisdoddeDe zwanebloem geeft oevers een roze tint

Deze grote oeverplant groeit in vrij ondiep water. Hij heeft lange, stijve en scherpe bladeren die aan de wortelstok ontspringen. De roze bloemen vormen een ijl scherm. De zwanebloem bloeit van mei tot september.

Het eendekroos kan zich razendsnel vermenigvuldigen

klein-kroosEendekroos voelt zich zowel thuis in zoet als in brak rustig en voedselrijk water. Het kleine plantje bestaat uit een schijfvormige, bladachtige stengel. Eendekroos plant zich in gunstige omstandigheden snel voort: het stengeltje vormt zijtakjes, die loskomen en een nieuw plantje vormen. Op die manier kan eendekroos ‘s zomers hele wateren in korte tijd volledig bedekken.

Dieren - Amfibieën


In het polderlandschap wonen er verschillende soorten amfibieën. Dat zijn dieren die soms in het water leven, en soms op het land. Maar allemaal hebben ze in de voortplantingsperiode water nodig.

Gewone pad

De talrijkste soort is de gewone pad. Hij is een nuttige slakken- en insecteneter, die vooral ’s nachts actief is. De wrattige huid, is bedekt met klieren om de huid tegen uitdrogen te beschermen. Het vocht uit de klieren is bovendien giftig en heeft een slechte smaak, waardoor maar weinig dieren interesse hebben in een paddenmaal. Aan het eind van de herfst zoeken ze een vorstvrije plek op waar ze de winter in een diepe slaap doorbrengen.

kikkerdril-tot-kikkerSpectaculair is de ‘paddentrek’ in het vroege voorjaar. In februari ontwaken de padden en gaan naar hun geboorteplas op zoek. Daarbij kruisen ze wegen en paden alsof ze automatisch voorrang hebben. Zo sterven jaarlijks duizenden dieren. Om het aantal verkeersslachtoffers te beperken worden op vele plaatsen ‘paddenoverzetacties’ gehouden. Ook bij het Koningsbos wordt met een scherm verhinderd dat de padden op de straat terechtkomen. Ze worden opgevangen en naar de overkant van de straat gebracht, waar ze hun tocht kunnen verder zetten.

parende-rugstreeppaddenRugstreeppad

De rugstreeppad is veel kleuriger dan de gewone pad en hij heeft korte poten. Zijn rug is geelbruin met olijfgroene of bruine vlekken, en op de wratten zijn vaak rode vlekjes te zien. Over zijn rug loopt een zwavelgele streep en zijn ogen zijn sprankelend geelgroen. De mannetjes hebben een grote kwaakblaas. ‘s Nachts in het voorjaar maken ze een soort melodieus ratelend geluid dat tot meer dan een kilometer ver te horen is.

De rugstreeppad komt in West-Vlaanderen alleen in de kustduinen voor. Hij heeft namelijk een voorkeur voor warme, open, losse, zandige terreinen. Maar er moet natuurlijk wel water in de buurt zijn voor de voortplanting. Tijdelijke poelen en karrensporen vindt hij goed genoeg en hij plant zich ook voort in brakwater.

Bruine kikker

De bruine kikker is de meest voorkomende kikkersoort in de kustduinen en -polders, ook in Knokke-Heist. Vanaf midden februari lokken de mannetjes vooral ’s nachts met een zacht ‘geknor’ de wijfjes naar de voortplantingspoel. Die leggen dan hun eieren, het bekende ‘kikkerdril’. Bij zonnig weer ontwikkelen de eitjes zich snel en na een paar dagen kunnen er al kleine kikkerlarven uit te voorschijn komen. In het begin voeden die zich met algen. Geleidelijk veranderen de larven in dikkopjes. De uitwendige kieuwen maken plaats voor inwendige en de vegetariër schakelt over op een menu van kleine waterdiertjes. Er verschijnen achterpootjes en later ook voorpootjes en het lichaam krijgt het uiterlijk van een kikkertje mét staart. Die staart wordt langzaam kleiner en kleiner, tot het mini-kikkertje helemaal af is en alleen nog maar moet groeien.


parende-groene-kikkers

Groene kikker

De groene kikker is minder talrijk. Maar daar waar hij leeft, kun je in mei en juni zijn opvallende gekwaak horen. De mannetjes vormen dan koren in de warmste delen van de poelen. Ook zitten ze vaak te zonnen op bladeren van waterplanten. Groene kikkers voeden zich onder andere met muggenlarven.

Salamanders

Net als kikkers en padden zijn salamanders amfibieën. Ze groeien op in sloten en plassen. In de herfst, kruipen ze uit het water en gaan ze op het land leven. Daar rusten ze onder kreupelhout, stenen, of rottende stronken, maar altijd vlak bij de waterkant. Op die vorstvrije plaatsen overwinteren ze ook. Hartslag, ademhaling, spijsvertering … alles ligt dan bijna stil, waardoor het lijkt of de diertjes dood zijn. Maar zo verbruiken ze nauwelijks zuurstof of energie en dat is hun overlevingsstrategie. Pas eind februari, begin maart, bij de eerste zonnewarmte, komen de salamanders weer te voorschijn. Ze keren dan terug naar het water om er zich voort te planten. In de poldersloten en -grachten komt de kleine watersalamander talrijk voor. De kamsalamander is zeldzamer.

Knokke-Heist herbergt de grootste boomkikkerpopulatie van ons land

boomkikker

Vermoedelijk doet deze soort het er nog zo goed omdat enkele oude binnenduingebieden gespaard zijn gebleven van landbouw en stadsuitbreiding. Ondanks zijn naam leeft deze kikker vooral op de bladeren van lage struiken, zoals bramen. Tijdens warme avonden in het late voorjaar kun je de tropisch klinkende concerten van de mannetjes beluisteren. Jaarlijks zijn er nog vijfenzeventig zulke ‘zangposten’. In samenwerking met Natuurpunt vzw heeft de gemeente daarom enkele boomkikkerreservaten aangelegd. Die bestaan onder meer uit een voortplantingspoel met daaromheen een beschermende gordel van struiken.

Knokke-Heist herbergt de grootste boomkikkerpopulatie van ons land

Vermoedelijk doet deze soort het er nog zo goed omdat enkele oude binnenduingebieden gespaard zijn gebleven van landbouw en stadsuitbreiding. Ondanks zijn naam leeft deze kikker vooral op de bladeren van lage struiken, zoals bramen. Tijdens warme avonden in het late voorjaar kun je de tropisch klinkende concerten van de mannetjes beluisteren. Jaarlijks zijn er nog vijfenzeventig zulke ‘zangposten’. In samenwerking met Natuurpunt vzw heeft de gemeente daarom enkele boomkikkerreservaten aangelegd. Die bestaan onder meer uit een voortplantingspoel met daaromheen een beschermende gordel van struiken.

Dieren - Vissen


De paling is een wereldreiziger

eitje-tot-palingIn de sloten en grachten van de polders vind je ook palingen. Het zijn vreemde vissen die vooral ’s nachts actief zijn en dan op zoek gaan naar allerlei levende of dode kleine dieren. Als ze na vijf tot acht jaar volwassen zijn, krijgen ze in het najaar een sterke trekdrift. Ze verlaten hun vertrouwde woongebied en vertrekken naar de Sargassozee, in het midden van de Atlantische Oceaan. Alle volwassen palingen van Noord- en West-Europa en het Middellandse-Zeegebied maken diezelfde trek. Na de vierduizend kilometer lange tocht door de Atlantische Oceaan, paren ze in de Sargassozee en sterven er. De larven die uit de eitjes komen, leggen de terugweg af en doen er drie jaar over om de Europese kusten te bereiken. Tegen die tijd veranderen ze in glasaaltjes; ze zijn dan 7 cm lang, plat en doorschijnend. Zo trekken ze naar de mondingen van rivieren en zwemmen die op om een geschikt woongebied te vinden.

De snoek is een typische poldervis

Deze roofvis wordt wel eens ‘de koning der vissen’ genoemd. Hij kan tot 1,5 m lang worden, en hij schrikt er zelfs niet voor terug om soortgenoten te eten. Zo houdt de snoekpopulatie zichzelf binnen de perken. De snoek leeft in stilstaand tot traag stromend, plantenrijk water. Hij verdraagt ook brakwater en is dus een ‘poldervis’ bij uitstek. Zijn typische strepenpatroon en groene kleur zorgen voor een perfecte camouflage tussen de waterplanten, van waaruit hij zijn prooien beloert.

De driedoornige stekelbaars kan zowel in zoet als in zout water leven

Hoewel de driedoornige stekelbaars voorkomt in zowel traag stromende beken en rivieren als in grachten, vijvers, poldersloten en kanalen heeft deze vissoort een speciale relatie met de kust. Sommige groepen leven immers grotendeels op zee en trekken van daar naar de binnenwateren om er zich voort te planten.

Volwassen mannetjes hebben rond april een bijzonder fraai paarkleed met een rode keel en buik, en verdedigen hun leefgebied bijzonder hevig. Het mannetje bouwt met plantenmateriaal een nest. Als er een vrouwtje in zijn territorium komt, probeert hij het met een zig-zag dans naar zijn nest te lokken. Van zodra een wijfje haar eitjes in het nest deponeert worden ze bevrucht en wordt het wijfje verjaagd. Het mannetje wuift zuurstofrijk water over het nest en bewaakt het tot de eieren ontluiken.

Dieren - Ongewervelde dieren: insecten, wormen, slakken …


In de sloten en kreken in de polders van Knokke-Heist leven er heel wat kleine, ongewervelde dieren. Hoe verschillend ze misschien ook zijn, ze hebben één eigenschap gemeen: ze zijn aangepast aan de zeer sterke schommelingen van het zoutgehalte in de brakke, binnendijkse wateren. Toen het gebied bedijkt werd, trok het zoute zeewater geleidelijk weg in de bodem, waardoor her en der zout in de grond achterbleef. Opstuwend grondwater lost het zout weer op en voert het mee naar het oppervlaktewater. Als bij warm weer veel water verdampt, stijgt het zoutgehalte sterk. Als het echter lang regent, treedt er verdunning op en zakt het zoutgehalte spectaculair. Al deze dieren verdragen probleemloos grote en plotse schommelingen in het zoutgehalte.

Weekdieren

brakwaterhorentjeHet brakwaterhorentje
Het brakwaterhorentje is een 7 mm groot slakje dat zich voedt met algen en plantaardig afval. Brakwaterhorentjes zitten bij voorkeur op een stevige ondergrond, zoals hout of stenen. Bij extreme droogte kunnen ze hun huisje hermetisch afsluiten met een speciaal dekseltje. Ze planten zich voort door ‘parthenogenese’. Dat betekent dat de eitjes gewoon zonder bevruchting tot ontwikkeling komen. De bevruchting speelt zich grotendeels af in een soort ‘baarmoeder’ in de slak. De jonge slakjes komen uit de eitjes op het moment dat die worden gelegd!

steurgarnaalStrandgapers in de polder
Toen de Hazegraspolder in 1784 werd ingedijkt, leefden er nog massa’s zeedieren in de bodem. Daarom vinden ze daar bij ruimwerken nog altijd schelpen van de strandgaper. Dat is een tot 15 cm grote mossel, die massaal in het slib en het zand van stroommondingen leeft. De afsluiting van de verbinding met de zee in 1784 betekende het einde voor alle aanwezige strandgapers, andere schelpdieren, wormen …

Wormen

Een wrede worm: de vissenbloedzuiger
De vissenbloedzuiger kan tot 5 cm lang worden. Zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde heeft hij een zuignap waarmee hij zich vastzuigt op zijn prooi. Dat kunnen zowel vissen zijn als amfibieën en hun larven. Met zijn tong doorboort hij de huid van zijn prooi en zuigt hij bloed op. Na een goede maaltijd kan hij gemakkelijk een half jaartje vasten. Deze bloedzuiger is tweeslachtig en hij zet zijn eitjes afzonderlijk af in een cocon op een harde ondergrond of op planten.

Kreeftachtigen

Vlokreeftje
De aasgarnaalmeeste kleine waterdieren in het brakke polderwater behoren tot de kreeftachtigen. Zo leeft er een vlokreeftje dat tot 22 mm groot wordt. Het komt zowel binnen- als buitendijks voor. De laatste jaren wordt die inheemse soort meer en meer verdrongen door een soort uit Noord-Amerika. Die heeft niet alleen een groot aanpassingsvermogen aan grote zoutgehalteschommelingen, maar ook aan verontreiniging.

Aasgarnaal
De tot 25 mm grote aasgarnaal voedt zich met organisch afval en dode dieren. Soms troepen aasgarnalen samen in scholen van wel duizenden exemplaren. Er leeft in het polderwater zelfs een soort steurgarnaal, een verwant van de grijze Noordzeegarnaal.

Insecten

eendagsvliegEendagsvliegen
Sommige soorten ééndagsvliegen houden het ook in het brakke polderwater uit. Zoals de naam het zegt, blijven ze als volwassen, vliegende insecten maar één dag in leven. Maar eerst brengen ze als larve verschillende maanden door in het water. Op hun achterlijf zitten een reeks kieuwplaatjes vast waarmee ze onder water ademen. Larven van ééndagsvliegen voeden zich vooral met algen en plantaardig afval.

tandem-waterjuffersWaterjuffers
In het brakke polderwater vind je meestal maar één waterjuffersoort. De larve brengt één jaar in het water door en voedt zich, via een vernuftig uitklapbaar vangmasker, met allerlei kleine waterdiertjes. Via een kieuwsysteem in de einddarm ademt ze. Op een bepaald ogenblik kruipt de larve langs een stengel tot boven het wateroppervlak. De larvenhuid scheurt open en langzaam bevrijdt zich een nieuwe, prachtige waterjuffer uit dat omhulsel. Zodra ze zich in de zon heeft opgewarmd, vliegt ze weg. Volwassen waterjuffers voeden zich met allerlei levende prooien, zoals vliegjes en muggen.

duikerwantsDuikerwantsen
Ook de duikerwants voelt zich thuis in het voedselrijke en licht brakke water van de polders. Hij brengt de meeste tijd door op de bodem, waar hij zich voedt met plantaardig afval en ééncellige algen. Hij komt alleen naar de oppervlakte om zijn zuurstofvoorraad aan te vullen. Zijn achterpoten zijn van haren voorzien en ze dienen bij het zwemmen als stevige peddels. Zodra ze volwassen zijn, zijn duikerwantsen goede vliegers, die zich gemakkelijk naar andere sloten en plassen kunnen verplaatsen. Ze brengen hun hele leven in het water door.

waterroofkever

Waterroofkevers
De waterroofkever kan een halve centimeter groot worden. Hij leeft van allerlei kleine dieren, zoals de larven van vedermuggen. De volwassen kever ademt aan de oppervlakte, terwijl de larve zuurstof opneemt uit plantenwortels door er met zijn spitse uiteinde een gaatje in te boren.

Dieren - Vogels


Kuifeend en duikeend

De kuifeend is gemakkelijk te herkennen. Het mannetje heeft een zwarte rug en borst, witte flanken en een witte buik en een opvallend hangend kuifje, vandaar zijn naam. De vrouwtjes zijn donkerbruin en onopvallend. Zowat overal waar water is in Knokke-Heist, is hij te vinden. Hij houdt het meest van stilstaand water met veel oeverbegroeiing. Kuifeenden zijn soms halftam en komen op vijvers in parken, net als tamme eenden, om voedsel bedelen. Zelfs groepen op meren laten zich dicht benaderen en zwemmen, als ze verstoord worden, rustig weg.

kuifeendEr zijn twee soorten eenden: de grondel- en de duikeenden. Grondeleenden grondelen om voedsel te zoeken in ondiep water. Daarvoor gaan ze verticaal in het water ‘hangen’ met hun achterwerk in de lucht, zoals de wilde eend. Duikeenden duiken helemaal onder water om voedsel te zoeken. Sommige kunnen vrij lang onder water blijven. De kuifeend is een duikeend die wel twee à drie meter diep kan duiken om slakjes en andere weekdieren op te vissen.

kleine-karekietDe kleine karekiet is vaak gastheer voor de koekoek

De kleine karekiet is een slank, bruin en beige gekleurd vogeltje, ongeveer zo groot als een koolmees. Hij verblijft hier ’s zomers en overwintert in tropisch Afrika. Hij leeft het liefst in dicht riet in ondiep water ─ een kleine rietkraag langs een slootje is al genoeg. In ineengedoken houding klimt hij heel behendig in het riet. De kleine karekiet is helemaal niet schuw en je kunt hem dus makkelijk te zien krijgen als hij, zittend op een rietstengel, zijn ‘babbelende’ zang laat horen. Hij weeft een mandvormig nestje rond enkele rietstengels en vaak leggen koekoeken hun ei in zijn nest.

De rietzanger houdt van luchtacrobatie

De rietzanger is ongeveer even groot als de kleine karekiet. Hij is hoofdzakelijk olijfbruin gekleurd, maar heeft een heel opvallende lichtbeige wenkbrauwstreep. Hij zoekt dichte begroeiing op in moerassig gebied met struikgewas, kruiden en rietveldjes. Zijn zang bestaat uit lange reeksen noten, trillers, fluittonen en imitaties van ander vogelgezang, zoals dat van de meerkoet of de gele kwikstaart. De rietzanger komt hier alleen in de zomer voor. In het najaar trekt hij naar het gebied ten zuiden van de Sahara.

rietzangerDe blauwborst zingt soms … als een kikker

Dit prachtige vogeltje broedt in moerassig terrein langs sloten met elzen, wilgen en riet. Hij heeft lange, dunne pootjes, een opvallend witte wenkbrauwstreep en een roestrode staartbasis. Het mannetje heeft een helderblauw gekleurde kin, keel en borst, met middenin een witte vlek. Onderaan wordt het blauw omrand door smalle zwart-witte lijnen en een bredere roestrode band. Zijn zang is krachtig en helder en een mengeling van melodieuze geluiden en krassende noten. Ook hij kan goed andere vogels imiteren. Soms doet hij zelfs een kikker na …

ijsvogel-op-takDe ijsvogel heeft een exotisch pakje aan

Ondanks zijn kleine gestalte is de ijsvogel met zijn prachtige oranje en blauwe kleuren een opvallende vogel. Gek is wel dat de grote kop en snavel bijna even lang zijn als de rest van zijn lichaam. Als je de kans hebt om een ijsvogeltje in het zonlicht te bewonderen, zullen zijn exotische kleuren en schakeringen duidelijk opvallen. Naargelang van de lichtinval variëren ze van zwartgroen-donkergroen over paars naar donkerblauw-lichtblauw. Een streling voor het oog!

Vanaf een tak houdt de ijsvogel het water in het oog. Als hij een visje ziet, duikt hij bliksemsnel het water in en pakt zijn prooi. Dan vliegt hij weer naar zijn uitkijkpost. Met enkele rake klappen slaat hij het visje tegen de tak dood, om het daarna in zijn geheel in te slikken. IJsvogels graven een nestgang in een steile oever. Aan het eind van die gang maken ze een nestkamer waarin ze hun jongen grootbrengen. Door de zachte winters van de laatste jaren zien we meer en meer ijsvogels.


Het Polderbestuur zet zich in voor natuur en landschap

blauwborstDe jaarlijkse onderhoudswerken aan de waterlopen zijn noodzakelijk voor een goede waterhuishouding. Het gaat dan vooral om het maaien van de beekoevers en het ruimen van het bodemslib, soms ook om het herstellen van oevers na afkalving die meestal door muskusratten is veroorzaakt. Die onderhoudswerken worden jaarlijks uitgevoerd in functie van de landbouw, namelijk als de oogst van het land is binnen gehaald. Dat is ook de meest gunstige periode van het jaar om milieuschade tot een minimum te beperken. Maar de inzet van het Polderbestuur voor natuur en landschap gaat veel verder dan het vermijden van schade alleen. Er wordt ook positief en doelgericht gewerkt aan natuurbescherming en -ontwikkeling. Zo kunnen beheerswerken op waterlopen zeer nadelige gevolgen hebben voor visbestanden. Stuwen en sluizen vormen immers een kunstmatige hindernis voor palingen en andere vissen die op trek gaan. Met eenvoudige en goedkope ingrepen probeert het polderbestuur de leef- en trekomstandigheden voor palingen en riviervissen te vergemakkelijken en te verbeteren. Verschillende proefprojecten werden hiervoor opgestart in samenwerking met het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer.

gracht-met-rietkraagDe ene oever is de andere niet…

In het polderlandschap kan je twee soorten waterlopen onderscheiden. Enerzijds zijn er de restanten van getijdengeulen, die een typisch kronkelend verloop hebben. Zij stonden ook al voor de inpoldering in voor de afvoer van water vanuit de schorre, bij eb.

1000 jaar lang hebben de mensen van de streek de oevers gemaaid en de bedding geruimd om een vlotte afwatering van het water uit de polder te garanderen. Omdat er bij de inpoldering naar gestreefd werd zoveel mogelijk land op de zee te winnen. werden die geulen wel voldoende open gehouden, maar mochten de oevers verlanden.

De tweede soort waterloop zijn de in opdracht van de Polderbesturen gegraven nieuwe verbindingen, aflopen. Ze hebben een heel typisch rechtlijnig verloop. Als gevolg van overstromingen in het recente verleden, zijn er de laatste jaren nieuwe inzichten en ideeën ontstaan over waterbeheersing. Zo heeft men vastgesteld dat de bergingscapaciteit in de polders moet vergroten, bijvoorbeeld door het verbreden van de waterlopen. Omdat steile oevers, al dan niet verstevigd met betonplaten, uit de tijd zijn, krijgen de oevers bij het verbreden van de waterlopen een meer natuurlijk profiel met een zacht hellende oever. Op zo’n oever ontwikkelt zich geleidelijk een spontane, rijke begroeiing. De Jezuïetenvaart is een voorbeeld van een afwateringsgracht die bij verbreding een natuurtechnisch profiel heeft gekregen.

kleppen-sluisjes-afstellenOpgelet voor zout water

In de gemeente Knokke-Heist wordt heel wat water opgepompt, bijvoorbeeld door het waterbedrijf dat de drinkwatervoorziening verzorgt, door bouwfirma’s die bij de constructie van een nieuw gebouw de bouwput moeten droog houden, door landbouwers die voor de bevloeiing van hun land of voor de drinkwatervoorziening van hun dieren water nodig hebben, door particulieren en bedrijven…

gracht-met-knotwilgenrij-en-rietkraagOmdat Knokke-Heist vlakbij de zee ligt, gebeurt het oppompen van water echter niet altijd zonder risico. Als je teveel water op bepaalde plaatsen wegpompt, bestaat de kans dat je in een onderliggende zoutwaterlaag terecht komt. Dat zout water vermengt zich met het zoet water. Zo pomp je licht zout water op, ook wel brak water genoemd. En dat is niet meer bruikbaar voor mens noch dier.

In bepaalde gedeelten van de gemeente moet men extra voorzichtig zijn om geen brak water op te pompen, nl. in het gebied van de deelgemeente Westkapelle. De onderliggende zoutwaterlagen bevinden zich slechts op een diepte van 2 tot 10 meter. Dit heeft een historische achtergrond. Op oude kaarten is duidelijk te zien dat de vroegere Zwingeul tot daar reikte.

nestingang-ijsvogelNaar nog schoner oppervlaktewater

De gemeente wil de kwaliteit van het oppervlaktewater in de toekomst nog verder verbeteren. Dit kan door woonhuizen en andere gebouwen op het rioleringsnetwerk aan te sluiten. Daardoor wordt het lozen in sloten en beken verder afgebouwd. Sommige woonhuizen en boerderijen staan echter zodanig ver verspreid in het open polderlandschap, dat het haast onmogelijk is om die gebouwen in de toekomst op een riolering aan te sluiten. Om het lozen toch te verminderen, werkt de gemeente in overleg met de eigenaars een oplossing uit in de vorm van een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie. Zo’n installatie kan instaan voor het zuiveren van het afvalwater van één woonhuis, een boerderij of een andere groep gebouwen.

Met het ruimen van de beek is nog lang niet alles opgeruimd..!

De milieunormen voor het gebruik van baggerspecie zijn erg streng. Wanneer beken en sloten worden geruimd, worden verschillende monsters genomen. Als uit de studie blijkt dat de baggerspecie niet voldoet aan de strenge milieunormen, moet ze worden afgevoerd naar een verbrandingsoven. Voldoet ze wel, dan kan ze als bodem worden verwerkt op het land.

| inhoudstafel |

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.