headerbg bl

Het stadsgebied - Bos

Het Koningsbos is het bekendste bos in Knokke-Heist. Het bevindt zich op een duin dat deel uitmaakt van de Blinckaertduinen die in de zeventiende eeuw de kustduinen van Knokke vormden. Om de omliggende landbouwgrond tegen het zand te beschermen, werden de nog stuivende duinen in de tweede helft van de negentiende eeuw door bebossing vast gelegd. In de duinpannen werden populieren aangeplant, op de duinruggen zeedennen. Dat verklaart waarom dit bos in de volksmond ‘’t Sparrenbos’ genoemd wordt. In de Tweede Wereldoorlog werden de grootste dennen geveld en gebruikt bij strandverdedigingswerken. Geleidelijk vestigden zich in het bos heel wat inheemse plantensoorten. In de jaren zeventig werd een deel van het bos tot een gemeentebos omgevormd. Het kreeg de naam ‘Koningsbos’ bij het 25-jarige bewind van koning Boudewijn.

Planten


ZedenDe zeeden houdt niet van de kou

De zeeden is een boom uit het Middellandse-Zeegebied. Hij is gevoelig voor vorst, maar omdat het aan de kust bijna nooit hard vriest, kan hij er goed gedijen. De grijsgroene naalden staan in groepjes van twee, en worden 15 tot 20 cm lang. De dennenkegels kunnen tot 15 cm groot worden. Deze boom is een snelle groeier en na 30 à 40 jaar geeft hij oogstbaar hout dat vooral voor de papierindustrie wordt gebruikt. In Frankrijk wordt de hars van de zeedennen ook afgetapt voor de productie van terpentijn.

esdoornEsdoorn

De esdoorn is een windbestendige soort die het goed doet op zandgrond, als die maar niet te droog is.Deze boom is vooral bekend om de ‘vleugeltjes’: bij het rijpen splijten de vruchten in twee helften die elk bestaan uit een zaad en een vleugel. Als zo’n gevleugeld zaadje loskomt en naar beneden valt, maakt het draaiende bewegingen zoals de hefschroef van een helikopter. Als er genoeg wind is, kan het zo heel ver zweven en grote afstanden overbruggen. Esdoorns verspreiden zich op die wijze met veel succes. Zo is hij in de bossen van Knokke-Heist opvallend aanwezig, zowel als boom en als struik in de onderbegroeiing.

De esdoorn kun je aantreffen als struik of als boom. Hij wordt maximum 20 m hoog. Het hout van de esdoorn is bruinachtig wit en vertoont vaak een prachtige structuur. De mooiste stukken worden speciaal uitgezocht voor de hals van strijkinstrumenten.

zomereikZomereik

Deze boom groeit bijna overal in Europa, behalve in het uiterste noorden en zuiden. De naam ‘zomereik’ verwijst naar het feit dat deze boom zijn bladeren alleen in het zomerhalfjaar behoudt. Bij de wintereik blijven de verkleurde en verdorde bladeren ‘s winters nog lange tijd aan de takken zitten.

De eik wordt maximum 25m hoog en hij kan bijna 2000 jaar oud worden. Het hout van de eik is lichtbruin van kleur en heeft een mooie structuur. Het wordt al eeuwenlang gebruikt voor het maken van schepen, meubels, trappen, draagbalken …

Dieren


boomkruiper-zoekt-voedselDe grote bonte specht krijgt geen hoofdpijn

Het zwart-witte verenkleed van deze specht is mooi versierd met een dieprode vlek op het achterhoofd en een al even rood gekleurde onderbuik. Hij hakt met zijn krachtige snavel op het hout en jaagt met het lawaai en de trillingen zijn voedsel, insecten en larven, uit spleten en gaatjes. Zijn snavel is extra stevig en het skelet en de spieren in de kop en de nek hebben een speciale schokdempende bouw. Zo krijgt de specht geen snavelbreuk of hoofdpijn …

grote-bonte-spechtHet boomkruipertje hangt nooit ondersteboven

Eigenlijk is de boomkruiper niet zo’n goede vlieger. Als je goed toekijkt, zie je hoe de boomkruiper met korte rukjes in een spiraal rond de boomstam naar boven kruipt. Zijn sterke, stijve staart gebruikt hij daarbij als steun. Daarna vliegt hij omlaag naar de voet van een andere boom en begint opnieuw. Met zijn lange gekromde pincetvormige snavel haalt hij allerlei spinnen, wespen, kevertjes en andere insecten uit de spleten in de boomschors. Boomkruipers maken hun nest meestal achter een stuk loshangende schors of in de spleet van een boom. In koude nachten zoeken ze elkaars gezelschap soms op om zich te verwarmen.

De wielewaal roept zijn eigen naam

Hoewel de wielewaal er erg opvallend uitziet – het mannetje heeft felgeel gekleurde veren – zie je hem zelden, omdat hij zich altijd verschuilt in boomkruinen met dicht gebladerte. Zijn aanwezigheid verraadt hij alleen door zijn luide en heel typische roep waaraan hij ook zijn naam dankt: een jodelend ‘wielawioo’. Deze vogel is dol op kersen. In juni en juli zoekt hij in familieverband kersenbomen op.

Ook de tjiftjaf heeft zijn naam niet gestolen

Waarschijnlijk hebben maar weinig mensen ooit een tjiftjaf gezien, maar velen hebben hem ongetwijfeld al gehoord. Hij zingt immers zijn eigen naam. En eens je dat geluid gehoord hebt, kun je het nooit meer vergeten. De tjiftjaf is een olijfgroen, klein, slank, beweeglijk zangvogeltje. Het is een trekvogel die als een van de eerste in het vroege voorjaar terug komt. Hij maakt zijn nest zowel op de grond als net erboven, goed verstopt in dichte struiken. Het is gemaakt van droog gras, twijgjes, bladeren, mos, veertjes en stukjes schors.

vlaamse-gaaiDe Vlaamse gaai waarschuwt het hele bos

Met zijn rossig gekleurde lijf en zijn opvallend mooie, lichtblauwe vleugelvlek, is de Vlaamse gaai het kleurrijkste lid van de kraaienfamilie. Als hij wordt opgeschrikt en opgewonden is, richt deze vogel zijn kruinveren als een kuif op en begint hij lawaaierig te krijsen. Hij is dan ook niet erg geliefd bij jagers. Zijn rauwe, doordringende roep waarschuwt immers meteen alle dieren voor elke vreemde indringer in het gebied. Hij voelt zich vooral thuis in bossen en in tuinen waar genoeg volgroeide bomen staan.

Over het algemeen staat de Vlaamse gaai bekend als een rover die eieren en nestjongen van zangvogels pakt. Maar uit onderzoek blijkt dat hij eigenlijk het grootste deel van het jaar eikels eet. In het najaar verstoppen Vlaamse gaaien zelfs duizenden eikels die ze tijdens de winter, zelfs onder een dik pak sneeuw, feilloos weten terug te vinden. Ze schakelen wél over op dierlijk voedsel in de periode dat ze hun jongen voederen, dus in mei en juni. Ze eten dan eieren, gewervelde dieren, zoals jonge vogels en muizen, en ongewervelde dieren, zoals kevers, vliegen, vlinders, wantsen, spinnen, poppen, larven … Het dierlijke voedsel bevat veel eiwitten die broodnodig zijn tijdens de snelle groei van de jongen.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.