headerbg bl

Het stadsgebied - Tuinen

prachtige-tuinTuinen zijn in het stadsgebied als kleine eilandjes natuur. Als er niet te kwistig met onkruidverdelgers en andere pesticiden wordt omgesprongen en ook spontane begroeiing en dierenleven een kans krijgen, kunnen verbazend veel planten- en diersoorten op zo’n beperkt terrein leven.

Verschillende bloeiende planten kunnen in de regelmatig afgemaaide grasperken overleven omdat ze een aangepaste groeivorm aannemen. Ze vormen een wortelrozet, een krans van bladeren rond de stengel, vlak tegen de grond. Daaruit groeien almaar nieuwe bloeistengels. Zo worden de afgemaaide snel door nieuwe vervangen.

Planten


boterbloemBoterbloemen zorgen voor een pittig kleurtje in het gras

Boterbloemen danken hun naam aan de boterkleurige en boterachtig glanzende bloemen. Ze vormen een mooi contrast met het groene gras. Er zijn veel verschillende soorten boterbloemen, maar ze hebben allemaal een bladrozet: op de bloeistengel zitten nog wat kleine blaadjes. In de tuin vind je vaak de kruipende boterbloem. Die wordt zo genoemd omdat ze bovengrondse uitlopers vormt waaruit, op regelmatige afstand van elkaar, nieuwe plantjes groeien. De meeste boterbloemsoorten zijn giftig. Daarom laten ook koeien en schapen ze onaangeroerd.

madeliefjeMadeliefje of meizoentje

Dit is een van de mooiste en bekendste gazonplanten. Het madeliefje wordt ook wel eens ‘meizoentje’ genoemd, omdat het in die maand heel opvallend bloeit. Maar eigenlijk duurt het bloeiseizoen bijna het hele jaar door, van februari tot november. De witte bloemen met het gele hartje draaien mee met de zon en sluiten zich ’s nachts en bij regenachtig weer. Eigenlijk bestaat het hartje uit talrijke, gele buisbloempjes. De witte krans eromheen is opgebouwd uit smalle witte tot roze lintbloempjes. Een madeliefje bestaat dus eigenlijk uit heel veel buis- en lintbloempjes.

De paardebloem wordt door vele dieren graag gegeten

paardenbloemDeze bloem heeft vele volksnamen. De naam ‘pissebloem’ verwijst naar de vochtafdrijvende werking van het aftreksel ervan. En de namen ‘konijnenbladeren’, ‘varkensbloem’ en ‘paardebloem’ kreeg de bloem omdat vele dieren ze graag eten.

burgemeeste-in-tuinOok bij deze plant staan de bladeren in een krans boven aan de lange penwortel. De bloemstengels zijn kaal en hol en bevatten melksap. Als je een bloeiende paardebloem van dichtbij bekijkt, kun je zien dat die éne bloem is samengesteld uit vele aparte bloempjes. In het midden zitten buisvormige bloempjes en daaromheen lintvormige.

Na de bloei veranderen paardebloemen in zilverwitte, donzige bolletjes. Op de plaats van elk bloempje is dan een zaadje gegroeid met een lang dun steeltje, waarop bovenaan een pluizig kransje staat. Dat kransje is eigenlijk een soort parachute. Als de zaadjes rijp zijn, komen ze makkelijk los en verspreiden zich in de lucht. Bij sterke wind kunnen ze heel hoog en wel honderden kilometers ver worden weggeblazen.

Bloemenweide van de burgemeester

Tegenwoordig vind je in de tuincentra zaadmengsels voor bloemenweiden. Die bevatten zaden van enkele tientallen verschillende inheemse planten. Zo kun je een eentonig grasveld of een gewone berm omtoveren in een kleurrijk tapijt van papavers, korenbloemen, klavers, weidegrassen … Bovendien vormen al die bloemen op hun beurt een rijk gedekte tafel voor vlinders. De akkers langs de dreef naar burgemeester Lippens’ woning vormen zo al verschillende jaren prachtige bloemenweiden.

Dieren


molHet boeiende ondergrondse leven van de mol

Mollen leven van regenwormen, insecten en larven. Ze leiden een ondergronds leven in een zelf gegraven, uitgebreid gangenstelsel in een bodem die niet te droog, te nat, te warm of te koud mag zijn. Eigenlijk graven mollen gewoon hun voedsel achterna. En omdat het doen en laten van regenwormen en allerlei larven en insecten afhankelijk is van de temperatuur en het vocht in de grond, wordt het leven van de mol dus geregisseerd door het weer.

Als hij graaft, maakt hij de aarde los met zijn grote voorpoten die een beetje op handen lijken. Met die ‘graafschoppen’ drukt hij een deel van de aarde stevig tegen de wand van de gang aan en de rest krabt hij met zijn achterpoten naar achteren. De losse aarde werkt hij zo nu en dan omhoog, tot boven de grond. Dat zijn dan de molshopen die je kunt zien.

Met zijn ogen, klein als speldenkoppen, ziet de mol alleen het verschil tussen licht en donker. Maar voelen en horen doet hij des te beter. Op zijn neus, poten en staart zitten tastharen die trillingen opvangen. Met zijn neus kan de mol niet alleen geur, maar ook vochtigheid, luchtdruk en temperatuur waarnemen. Hij kan zich ook uitstekend oriënteren en loopt dus nooit verloren in zijn ‘ondergrondse’.

Mollen leven helemaal alleen en zijn bijzonder onverdraagzaam. Als twee mannetjes elkaar ontmoeten komt het meestal tot een gevecht op leven en dood. Zelfs als een mannetje het gangenstelsel van een vrouwtje binnendringt, volgt meestal nog een wild gevecht voor het vrouwtje bereid is tot paren. Een maand later worden twee tot zeven jongen geboren in een nest van gras en bladeren, onder een grote molshoop. Na twee maanden worden de jonge mollen door hun moeder uit haar gebied verjaagd. Ze moeten dan een eigen terrein vinden. Omdat ze nog niet genoeg kracht hebben om in harde grond te graven moeten ze eerst boven de grond op zoek naar een plaats met zachte aarde. Tijdens die eerste ontdekkingstocht komen helaas veel jonge mollen onder de wielen van een auto terecht.

Bijna niemand ziet graag een molshoop verschijnen, maar eigenlijk zijn mollen erg nuttige dieren in de tuin. Ze knabbelen niet aan plantenwortels, tenzij die het spoor van een nieuw gangenstelsel doorkruisen. Bovendien houden mollen de grond luchtig en ze verorberen een hele reeks ‘onderkruipers’ in de groentetuin, zoals slakken, veenmollen en zelfs woelmuizen.

De huismussen blijven hun nest trouw

Onze doodgewone huismus komt vermoedelijk van ver ... Lang geleden trokken de mensen meestal te paard van de ene streek naar de andere. In paardenmest zitten nog veel onverteerde zaadjes en daar zijn mussen dol op. Vandaar dat ze die rondtrekkende mensen vaak volgden. En zo zijn ze waarschijnlijk uit het oosten bij ons terechtgekomen.

De huismus blijft een bekende verschijning in de stad, in tuinen en op de boerderij. Het mannetje heeft een grijze bovenkop, witte wangen en een zwarte keel. Het vrouwtje is licht en grijsbruin met donkere strepen. Huismussen zijn standvogels en ze blijven dus op de plaats waar ze geboren zijn. Hun nest is niet bepaald een kunstwerkje. Het is een nogal los en slordig geheel, gemaakt van stro, hooi, papier …

koolmees-op-notenRingmus of huismus?

Bij ringmussen lijken de vrouwtjes en de mannetjes op het eerste gezicht identiek, terwijl er bij huismussen wel een duidelijk verschil is tussen de seksen. Een mannetjesringmus kun je vooral van een mannetjeshuismus onderscheiden door de zwarte oorvlekken en de witte ring om zijn nek – vandaar ook zijn naam. Ringmussen vind je meer in landbouwgebied en aan de bosrand dan in de buurt van mensen. Ze broeden in holle bomen en maken soms ook gebruik van nestkastjes.

Mezen

Mezen zijn vaak in groepjes te zien. ‘s Winters zwerven ze zelfs in gemengde troepjes rond. Het zijn echte acrobaten bij het vergaren van voedsel: dikwijls hangen ze ondersteboven aan takjes om insecten te zoeken. De meeste soorten nestelen in boomholten en in nestkastjes. De koolmees en de wat kleinere pimpelmees behoren tot de bekendste tuin- en parkvogels.

De koolmees, zwart kapje en zwarte band
Typisch voor de koolmees is het zwarte kapje op zijn kop en de zwarte band op zijn gele borst. De koolmees broedt heel gemakkelijk in een nestkastje. Als je het tijdig ophangt (in de herfst), is de kans groot dat er een koolmees in komt wonen! Merkwaardig is ook zijn zang. Soms lijkt het geluid op dat van een oude stoomtram, zo van ‘tietu tietu tietu’. Dan weer maakt hij het langer en klinkt het als ‘tietietietietie’.

De zwarte streep op de borst van de koolmees is een statussymbool. Bij de ene koolmees is die streep breder dan bij de andere. Onderzoek heeft aangetoond dat een brede streep ‘gezag’ afdwingt. Wanneer twee koolmezen tegelijk op een voederplank neerstrijken, zal de koolmees met de smalste borststreep zich gewonnen moeten geven en verdwijnen.

pimpelmeesje-op-notenkransDe pimpelmees, niet altijd zo lief als hij eruitziet!
De pimpelmees is kleiner dan de koolmees. De kap op zijn kopje is helderblauw, zijn wangen zijn wit en zijn rug is groenachtig. Zijn zang wordt wel eens omschreven als ‘een zilveren lachje’. Net als de koolmees maakt hij zijn nest in spleten, holten en nestkastjes. Hij legt zeven tot veertien eitjes, die heel klein zijn en wit van kleur met roestbruine stipjes.

's Winters bakenen pimpelmezen hun leefgebied af voor het nieuwe broedseizoen. Ze verdedigen hun gebied met hand en tand, of beter met klauwende pootjes en pikkende snavels! Soortgenoten worden hardhandig aangepakt. Soms rollebollen ze al vechtend over de grond, wat je van zo'n klein, lief vogeltje niet zou verwachten!

sperwer-vliegt-tussen-bomenDe tuinfluiter staat in de top-tien

Deze vogel is ongeveer even groot als een roodborstje, maar hij is onopvallend bruin en grijs en schuw van aard, zodat je hem maar zelden opmerkt in de tuin. Bovendien houdt hij zich het liefst schuil in dicht struikgewas. Maar wat wel erg opvalt, is zijn lied dat bestaat uit lange strofen van snelle tonen. Daarmee staat de tuinfluiter in de top-tien van de zangvogels. In het najaar trekt hij weg van hier, naar zijn overwinteringsgebied in tropisch Afrika. In de lente komt hij terug.

De sperwer is een bliksemsnelle, behendige jager

Deze vrij kleine roofvogel heeft afgeronde vleugels en een lange staart. Zijn lichaamsbouw stelt hem in staat zeer behendig en snel tussen de bomen te vliegen. Zo gaat hij flitsend kleine vogels achterna, die hij dan in het struikgewas overrompelt. Sperwers broeden in een takkennest in bossen en struwelen. Zoals bij veel roofvogels is het vrouwtje opvallend groter dan het mannetje. Ze jaagt ook op grotere prooien, zoals lijsters en duiven, terwijl het mannetje vooral mussen en mezen vangt. Uit onderzoek blijkt dat zangvogels het silhouet van een roofvogel erg goed herkennen en er onmiddellijk op reageren. Mezen doen dat bijvoorbeeld met een zeer hoge alarmroep.

sperwer-met-prooi

Weetjes over vogels: voedermethoden

Vogels die hier van nature ’s winters blijven, kunnen normaal voor zichzelf zorgen. Tot in december kunnen ze genoeg vruchten en zaden vinden en treffen ze nog insecten, larven en wormen aan. Omdat de dagen kort zijn, moet hun zoektocht naar voedsel op korte tijd genoeg opleveren. Bij extreme weersomstandigheden, zoals langdurige, hevige vorst of zware sneeuwval, is het voedsel niet meer bereikbaar waardoor de vogels snel verzwakken. Dan kun je ze gerust bijvoederen. Enkele tips:

* Voeder het liefst ’s morgens en met mate. Na een koude nacht kunnen de vogels een stevig ontbijt gebruiken. Te veel restjes trekken ratten en muizen aan.

* Geef geen boter of margarine, want te veel vet werkt laxerend.

vink-bij-drinkschaaltje* Geef ook water als het vriest. Voeg nooit zout of suiker toe, maar ververs het water geregeld. Leg er een gaas over, zodat de vogels wel kunnen drinken, maar geen bad kunnen nemen.

* Leg het voedsel op een voederplank of op een ruime plek op de grond, buiten het bereik van katten.

* Zaadeters (huismus, vink …, vogels met een forse kegelvormige snavel) geef je het best granen, maïs, zonnepitten, onkruidzaden, bruin brood.

* Insecteneters (roodborst, winterkoning …, vogels met een fijne priemsnavel) zijn gek op meelwormen, maden, larven en ongekookte havermout.

* Eind februari kun je het bijvoederen maar beter afbouwen. De vogels moeten er dan weer aan wennen zelf hun kostje bij elkaar te zoeken.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.