headerbg bl

De kust - Slikken en schorren

Planten


zeekraal-schorrenkruid-zoutmelde-engels_slijkgrasVan nat naar droog en van zout naar zoet … een merkwaardige verzameling planten

Op het strand laat de zee alleen grove zandkorrels achter. Fijnere deeltjes krijgen in de branding geen kans om te bezinken en worden weer meegesleurd. Daar waar de zee via een geul een vlakte achter de duinen bevloeit, zoals in het Zwin, neemt de kracht van de golven sterk af, zodat zich heel fijne kleideeltjes op de bodem af kunnen zetten. Die vormen samen een slijk- of sliblaag.

De slijkplaten die bij elke vloed worden overspoeld, noemen we slikken. De hoger gelegen platen die alleen maar bij springtij of stormvloed worden overspoeld en waar een bijzondere vegetatie op groeit, zijn schorren. Slikken en schorren worden doorsneden door kleine kreekjes en grote geulen. Daarlangs dringt de zee het gebied bij vloed binnen en trekt het water zich bij eb terug. Zo’n landschap is zeldzaam en daarom van internationaal belang. Aan onze kust vind je enkel slikken en schorren in de IIzermonding in Nieuwpoort en in het Zwin in Knokke-Heist.

Van de laagste plekken op het slik tot de hoogste delen op de schor is er een geleidelijke overgang van nat naar droog, van zout naar zoet, van veel naar weinig directe invloed door het getij. Je ziet er dan ook een merkwaardige verzameling planten.

Eencellige wiertjes of diatomeeën

De hoogste zones van het slik komen minder onder water te staan dan de laagste. Daarom kunnen zich daar al bepaalde planten vestigen. Eencellige wiertjes, zoals diatomeeën, vormen er met miljoenen samen microscopische netwerkjes. Met slijmafscheidingen binden ze de afgezette slibdeeltjes aan elkaar en zetten ze vast op de bodem.

Zeekraal slaat een watervoorraad op

Een beetje hogerop op het slik groeit zeekraal. De vorm van de plant heeft op het eerste gezicht wat van een miniatuurdennenboompje. De heldergroene, sappige, gelede takjes doen dienst als wateropslagplaats. De zeekraal is net een vetplant, een droogteplant met een watervoorraad. Dat lijkt misschien overbodig als je bedenkt dat de plant bij elke vloed wordt overspoeld. Maar voor een plant is het bijzonder moeilijk om uit het zoute zeewater voldoende zoetwater op te nemen.

Klein schorrenkruid

Een beetje hogerop, maar ook nog op het slik, groeit klein schorrenkruid. Net als zeekraal is het een droogteplant met een vlezige stengel en vlezige blaadjes. Beide planten kleuren na de bloeitijd mooi koraalrood en goudgeel en sterven dan af.

slijkgarnaalVan slik naar schor

Deze planten helpen meer en meer slib vast te leggen, en zo komen de randzones van de slikken geleidelijk hoger te liggen. Zo ontstaan langzaamaan de schorren, begroeide slijkplaten die alleen nog bij spring- en stormvloed onder water komen te staan . Meestal is het water kalm genoeg, zodat tussen de planten slib kan bezinken, waardoor de schor geleidelijk hoger komt te liggen. Hoger, dus nog minder onder invloed van zout water en stromingen, waardoor weer andere planten zich kunnen vestigen. Omdat elke schorrenplant op een ander plekje gedijt, is een schor een lappendeken van verschillende plantensoorten. De randen van de ‘lapjes’ vallen nagenoeg samen met de lijnen die aangeven tot waar het zeewater is gekomen.

Kweldergras: lekkernij voor konijnen

Kweldergras vestigt zich nog wat hoger. Het heeft smalle, vlezige blaadjes, die vaak in de lengterichting opgerold zijn om te voorkomen dat het moeizaam opgenomen water snel weer verdampt. Konijnen, hazen en bergeenden eten het graag. Het smaakt zoet en heeft een hoge voedingswaarde.

lamsoor-closeupLamsoor of ‘Zwinneblomme’

In dezelfde slibrijke zone tussen de gemiddelde hoogwaterlijn en de springvloedlijn groeit lamsoor, ook wel ‘Zwinneblomme’ genoemd. Van half juli tot eind augustus wordt de Zwinvlakte gekleurd door de prachtige paarse bloemen. De bladeren van deze plant zijn bedekt met een ondoordringbaar waslaagje, waardoor te sterke verdamping wordt voorkomen. Via kliercellen aan de onderkant van de bladeren wordt het overtollige opgenomen zout afgescheiden in de vorm van zoutkristallen.

Gewone zoutmelde of obione wijst op verzanding

De gewone zoutmelde of obione groeit in dezelfde zone als lamsoor, maar dan vooral op plaatsen waar het zeewater zand heeft afgezet. Bij sterke stromingen bij hoge vloed worden de zandkorrels tot diep in de kreken meegevoerd en, op plaatsen waar die buiten hun oevers treden, op de oeverwallen afgezet. De sterke overheersing van gewone zoutmelde in de Zwinvlakte, dicht bij de monding, duidt ook daar op de voortschrijdende verzanding.

gerande-schijnspurrieGerande schijnspurrie: klein maar vernuftig

Gerande schijnspurrie is een lange naam voor een klein en teer plantje. Het plantje gebruikt een merkwaardig, maar handig trucje om te verhinderen dat het stuifmeel bij springvloed nat wordt. Je kunt dat zelf met een proefje nagaan. Als je zo’n plantje met een openstaand bloempje langzaam onder water trekt, buigen de kroonblaadjes bij het contact met het water naar elkaar toe. Zo sluiten ze een luchtbel in die het stuifmeel droog houdt. Als je het bloempje weer boven water brengt, klappen de kroonblaadjes opnieuw open.

Melkkruid, Engels gras en strandkweek

Op de hoogste plaatsen van het schor groeien planten die maar weinig zout verdragen, zoals melkkruid, Engels gras en strandkweek. De piepkleine, maar prachtige roze-witte bloempjes van melkkruid groeien in de bladoksel, dat is de hoek tussen het blad en de stengel.

Engels gras heeft dan weer een felgroene wortelrozet – dat is een krans van blaadjes rond de stengel, vlak bij de grond – en een fijne steel zonder blaadjes, met fraaie roze bloemhoofdjes. Strandkweek vormt uitgestrekte velden op plaatsen die maar heel uitzonderlijk worden overspoeld.

Dieren


Kiezelwiertjes op het slik vormen het begin van de voedselketen

De slikken zijn veel rijker aan allerlei organisch leven dan het zandstrand. Dat komt door de grote hoeveelheid fijn organisch materiaal dat met het zeewater bij elke vloed wordt aangevoerd. Als de slikken bij eb droogvallen, wordt dat materiaal snel afgebroken door bacteriën. De mineralen die op die manier vrijkomen, vormen bouwstenen voor de diatomeeën. Ze leven in onvoorstelbare aantallen – enkele miljoenen per vierkante centimeter – op het slik, en geven het de typisch bruinglanzende kleur. Ze vormen de basis voor de voedselketen in dit gebied. De diatomeeën vormen op hun beurt het voedsel van wadslakjes. En wadslakjes worden opgegeten door bergeenden.

slijkgaperSchelpdieren leven met honderden op één vierkante meter slik!

Een typische bewoner van de lager gelegen slikken is de platte slijkgaper. Gapers zijn schelpdieren die hun schelp door de speciale gapende vorm niet helemaal kunnen sluiten. Ook de meerkleurige nonnetjes kun je in groten getale op die slikken terugvinden. Ze zitten op een diepte van tien centimeter en hebben net als de platte slijkgaper twee lange buizen of sifons om voedsel en water op te nemen en afvalwater weer naar buiten te pompen. Ook de kokkel heeft sifons, maar die zijn erg kort omdat hij vlak onder het oppervlak leeft. Scholeksters zijn dol op kokkels, slijkgapers en nonnetjes.

De strandgaper, die wel twintig centimeter groot kan worden, leeft dertig centimeter diep ingegraven in het slik. Alleen wulpen slagen erin om met hun lange snavel strandgapers uit te graven.

Ook garnaaltjes en wormen worden met veel smaak gegeten

Duizenden slijkgarnaaltjes leven in U-vormige gangetjes in het slib en worden met smaak verorberd door de kluten. Verder vind je op de slikken nog talloze andere sporen van ondergronds leven, zoals tandpastahoopjes van zeepieren, hoopjes kleine zwarte korreltjes – uitwerpselen van rode draadwormen – en ontelbare gaatjes van gangenstelsels van zeeduizendpoten. Deze wormen zijn belangrijk voedsel voor steltlopers, zoals de rosse grutto en de tureluur.

scholekster-bergeend-tureluur

kluutHoe vindt een vogel zíjn voedsel in het slijk?

Al deze vogels vinden de ondergronds levende diertjes, zoals wormen, slijkgarnaaltjes en schelpdieren, door te tasten in het slik. Ze worden dan ook ‘tastjagers’ genoemd. Aan de binnenkant van hun snavel zitten gevoelige zintuigcellen waarmee ze bij het tasten een onderscheid kunnen maken tussen eetbare dingen en slib- en zanddeeltjes in de bodem. Andere steltlopers zijn ‘oogjagers’. Zij moeten hun voedsel op zicht vinden en het al stappend en rennend te pakken zien te krijgen. Een goed voorbeeld daarvan zijn de plevieren. Die hebben korte poten en een korte, stevige snavel, waarmee ze strandvlooien en insecten kunnen pakken.

Zoveel vogels bijeen en toch geen ruzie over eten

Omdat de slikken zo rijk zijn aan slakjes, wormen en schelpdieren, vormen ze een overvloedig gedekte tafel voor veel vogels. Sommige soorten zijn, om te kunnen overleven, zelfs sterk afhankelijk van dit gebied. Onder de broedvogels zijn dat bijvoorbeeld kluten, bontbekplevieren, tureluurs en bergeenden. Bij de trekvogels zijn zilverplevieren en rosse grutto’s goede voorbeelden.

Merkwaardig genoeg leven die vele vogelsoorten in zulke grote aantallen toch vreedzaam naast elkaar. Ze ruziën niet om voedsel. Dat komt doordat er héél veel voedsel te vinden is, en ook omdat ze allemaal een gespecialiseerde snavel hebben waarmee ze voedsel op een bepaalde diepte uit het slib kunnen halen.

wulpKluut

De kluut is een sierlijke vogel die met statige stap door ondiep water waadt. Hij maakt met zijn snavel zijdelingse maaibewegingen door het bovenste waterige slijklaagje en plukt er met zijn snavel al wat eetbaar is uit. Slijkgarnaaltjes vormen zijn lievelingsmaaltijd.

slijkgarnaalBontbekplevier

De bontbekplevier pikt met zijn spitse snavel strandvlooien, krabbetjes, wormen en schelpdiertjes op.

Wulp

De wulp is gemakkelijk te herkennen aan zijn lange, naar beneden gebogen snavel en zijn spikkelkleed. De vrouwtjeswulp is groter dan het mannetje en heeft ook een langere snavel. Met hun snavel vissen wulpen wormen en schelpdieren op die zich diep in het slijk ingraven, zoals zeepieren en slijkgapers.

Bergeend

Bergeenden slobberen met hun snavel door de bovenste waterige slijklaag. Het water dat ze in hun bek krijgen, duwen ze via de zeefplaatjes op de rand van hun snavel weer naar buiten. De zeefplaatjes houden voedsel tegen dat ze dan inslikken. Bergeenden zijn dol op wadslakjes.

scholekster-met-snavel-in-slijkbergeend-closeupScholekster

Scholeksters vissen met hun krachtige snavel schelpdieren uit het slijk, zoals kokkels, slijkgapers en nonnetjes. Ze slagen erin om de schelpen stuk te slaan of om de sluitspieren ervan stuk te bijten om zo aan de malse inhoud te komen.

Tureluur

Ook de tureluur is altijd druk in de weer op het slik. Met zijn lange fijne snavel gaat hij er op zoek naar in het slijk ingegraven zeeduizendpoten, slijkgarnalen en rode draadwormen.

Wadslakje

Wadslakjes zijn piepkleine slakken die soms in enorme aantallen voorkomen – enkele honderden per vierkante meter. Ze ‘grazen’ op de diatomeeënweiden op het slik en vormen zelf een belangrijke voedselbron voor de bergeend.

wadslakje

tureluur-met-snavel-in-slijk

Slijkgarnaal

Duizenden slijkgarnaaltjes leven in U-vormige gangetjes in het slib. Ze zijn de geliefkoosde maaltijd van kluten. De garnaaltjes voeden zich met plankton dat ze uit het slib filteren. Hun uitwerpselen kun je als piepkleine hoopjes op de slikken zien liggen.

Platte slijkgaper

Ook dit is een typische bewoner van de lager gelegen slikken. Deze tweekleppige verbergt zich ongeveer vijftien centimeter diep in het slib.

Strandgaper

Deze slikbewoner kan wel twintig centimeter lang worden. Hij leeft dertig centimeter diep ingegraven in het slik. De twee sifons zijn erg lang en zijn tot één slurf vergroeid. Alleen wulpen slagen erin om met hun lange snavel strandgapers op te graven.

Zeepier

De tandpastahoopjes op het slik verraden de aanwezigheid van zeepieren. Die leven in een U-vormige buis. Elk tandpastahoopje geeft de uitgang van een woonbuis aan. Vlakbij vind je een kuiltje, waar de ingang is.

zeeduizendpootZeeduizendpoot

Vele gaatjes in het slib zijn toegangen tot gangetjes van zeeduizendpoten. Deze wormen zijn belangrijk voedsel voor steltlopers, zoals de rosse grutto en de tureluur.

rode-draadwormRode draadworm

Ook dit diertje is talrijk vertegenwoordigd in het slib. Hij leeft met de kop naar beneden in lange, verticale gangen. Hij eet slib en verteert de algen en bacteriën die erin zitten. Zijn uitwerpselen liggen in hoopjes van kleine zwarte korreltjes op het slik.

Sneeuwgorzen komen van het hoge Noorden

sneewgors-eet-lamsoorzaadjesOp plaatsen waar ’s winters veel uitgebloeid schorrenkruid en verdorde zeekraal staan, kun je sneeuwgorzen voedsel zien zoeken. Deze vogels broeden in het hoge Noorden en overwinteren in onze kuststreek. Soms zijn ze in gezelschap van andere gorzen, vinken en leeuweriken. Toch kun je ze in zo’n gemengd groepje gemakkelijk herkennen aan het vele wit op vleugels en borst. Sneeuwgorzen eten graag zaadjes van zeekraal, schorrenkruid en lamsoor.

... en de kleine zilverreiger zorgde voor de pluimen op de hoed

De kleine zilverreiger is een spierwitte reiger met een zwarte snavel en gele tenen. De Zwinstreek is de enige plaats in België waar hij voorkomt. Deze sierlijke vogel broedt er en heeft er zijn slaapplaats.
Als hij op zoek is naar voedsel, loopt hij nerveus rond in ondiep water. Daarbij pikt hij nu eens hier, dan weer daar, in de hoop een kleine vis of worm te verschalken.

Net als de grotere blauwe reiger, vliegt de kleine zilverreiger met ingetrokken hals – precies de letter S. Zo kun je hem gemakkelijk onderscheiden van de ooievaar en de lepelaar, die allebei met gestrekte hals vliegen.

Vroeger werd de kleine zilverreiger neergeschoten voor de sierveren op zijn kop. Die moesten de hoeden van de dames meer ‘uitstraling’ geven. Duizenden vogels werden om die reden afgemaakt, zodat de zilverreiger in de negentiende eeuw bijna uitstierf. Gelukkig is hij nu beschermd en is die hoedenmode niet meer algemeen.

bontbekplevierk-zilverreigerEen internationale luchthaven voor vogelverkeer

Als je het Zwin vanaf de dijk bekijkt, kun je heel wat vogels zien. Het lijkt alsof die er allemaal hun vaste plek hebben, maar wat je ziet, is een momentopname. In het Zwin is het namelijk een voortdurend komen en gaan ...

Het natuurreservaat is immers een belangrijke 'stapsteen' voor trekvogels. In het voorjaar keren veel vogels uit hun overwinteringsgebied in het verre zuiden terug naar hun broedgebieden in het noorden. In het najaar gaat de reis in de omgekeerde richting. Heel wat vogelsoorten volgen de kustlijnen en maken van riviermondingen en andere natuurgebieden gebruik om er te rusten en voedsel te zoeken –. zoals vliegtuigen die tijdens een langeafstandsvlucht moeten bijtanken op een luchthaven. Veel vogelsoorten strijken op vaste tijdstippen in het Zwin neer. Wilde ganzen bijvoorbeeld komen jaarlijks eind oktober of begin november aan.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.