headerbg bl

De kust - Strandhoofden

strandhoofd-bekeken-van-hoofd-naar-strand

Wat is het verschil tussen een strandhoofd en een golfbreker?

Strandhoofden zijn die lage, stevige dammen dwars over het strand die een heel eind in zee lopen. Meestal bestaan ze uit gestapelde zware basalt- of betonblokken. Ze voorkomen de afslag van zand en de afbraak van het

strand.

Golfbrekers zijn havenmuren of strekdammen die parallel aan de kust gebouwd zijn om de kracht van de golven te breken en om havens te beschermen.


Planten


zeesla-blaaswier-knotswier - Iers mosWieren: een kleurrijk boeket van sterke zeeplanten

Wieren kun je naargelang hun kleur indelen in groenwieren, bruinwieren en roodwieren. Ze hebben een stevige ondergrond nodig waarop ze zich met een hechtschijfje kunnen vestigen. Op een zandbodem bijvoorbeeld lukt dat niet. Daarom vind je ze aan onze kust op palen en strandhoofden. Die zijn soms volledig bedekt met deze zeeplanten. De leefomstandigheden zijn er extreem. Bij vloed staat immers alles onder water, bij eb valt er een hele zone droog. Sommige wieren kunnen het langere tijd boven water uithouden dan andere.

Elk wier heeft zijn lievelingsplekje
Als je een strandhoofd of een strandpaal bij eb goed bekijkt, kun je zien dat de verschillende soorten wieren in duidelijk te onderscheiden horizontale stroken of zones groeien.

Opvallend is de geleidelijke overgang, van boven naar beneden, van groenwieren over bruinwieren naar roodwieren. De plaats waar een wier zich vestigt, hangt namelijk af van de duur van uitdroging waartegen het wier tijdens laag water bestand is en de kleur en de hoeveelheid zonlicht die het wier kunnen bereiken in de periode dat het overspoeld wordt en aan fotosynthese kan doen. Planten maken immers zelf voedsel en dat doen geen andere levende wezens hen na. Water zuigen ze op met hun wortels en koolzuurgas vangen ze uit de lucht op via heel kleine gaatjes in de bladeren. Zo maken ze suikers en zuurstof. Daarvoor hebben ze wel veel energie nodig en die krijgen ze door het zonlicht.

Omdat er aan onze kust veel zanddeeltjes in het water rondzweven, neemt de hoeveelheid licht snel af met de diepte. Zonlicht bestaat uit verschillende kleuren en de ene lichtkleur kan dieper in het water doordringen dan de andere. Maar op een bepaalde diepte is het volkomen donker. Rood licht gaat het minst diep. Het is het licht dat door groenwieren in de bovenste zone wordt gebruikt voor de fotosynthese.
Groen licht dringt door tot in de zone tussen eb en vloed. Bruinwieren kunnen met dat licht aan fotosynthese doen.

Roodwieren groeien nog dieper omdat ze ook met het blauwachtige licht nog aan fotosynthese kunnen doen.

Dieren


zeester-trekt-mossel-openZeeanemoon: mooi en meedogenloos

Bij de eblijn kun je tussen de onderste rotsblokken van strandhoofden zeeanemonen vinden. Deze dieren zijn familie van de kwal. Ze hebben ook een hol lichaam met een tentakelkrans rond een centrale opening die als mond en anus dient. Maar zeeanemonen drijven niet rond. Ze zitten vast op hun rug tegen een harde ondergrond.

Als ze overspoeld zijn, lijkt hun tentakelkrans op een bloeiende bloem. Met langzame bewegingen wiegen ze met de stroming mee, op zoek naar kleine diertjes en visjes. Als een klein diertje in contact komt met de tentakels, raakt het meteen verlamd. Via de mondopening wordt het naar de maagholte gebracht waar de zeeanemoon het verteert.

Als ze gestoord worden, trekken zeeanemonen hun tentakelkrans naar binnen. Zo kunnen ze zich zelfs helemaal in een taaie, slijmerige knop veranderen. In hun lichaamsholte slaan ze een voorraad water op, zodat ze tijdens eb kunnen overleven.

alikruik-op-zeewierAlikruikjes ‘grazen’

Als je bij laagwater goed kijkt in de spleten en holten tussen de blokken van een strandhoofd, vind je zeker alikruikjes. Het zijn kleine slakjes die zich bij eb stevig vasthechten en hun huisje onderaan afsluiten met een waterdicht, hoornig klepje. Zo drogen ze in die periode niet uit. Zodra ze weer overspoeld worden, kruipen ze terug naar wieren en andere met algen begroeide plaatsen om te gaan ‘grazen’. Gewoonlijk is de alikruik een zuivere planteneter, maar soms voedt ze zich ook met zeepokken.

De zeester houdt van een dodelijke omarming

Als je een zeester vastneemt, voelt die erg ruw aan. Dat komt door de stekelvormige kalkafzettingen op de roodoranje bovenkant. Samen met zee-egels, slangsterren, zeekomkommers en zeelelies vormen zeesterren de vrij omvangrijke groep van de ‘stekelhuidigen’.

Al deze dieren hebben een nogal goed ontwikkeld kalkskelet én een ‘vijfstralige symmetrie’. Zo heeft de zeester rond een centraal lichaam vijf armen. Aan de onderkant van elke arm zitten er een paar honderd ‘schijnvoetjes’. Dat zijn kleine zuignapjes die bij het lopen als een soort ministelten dienst doen. De zuignapjes gebruikt de zeester ook om haar favoriete voedsel, mosselen, open te trekken. Daarvoor zuigt ze zich met haar schijnvoetjes aan beide helften van de mossel vast en oefent een constante trekkracht uit op de mosselschelp, tot de sluitspieren het begeven. Daarna stulpt de zeester haar maag door haar mond naar buiten en stopt ze die in de mossel. Die wordt ter plaatse verteerd en als een brij in de maag opgezogen. Ten slotte trekt de zeester haar maag mét inhoud weer naar binnen.

mossel-met-byssusdradenMosselen: levende zeewaterfiltersmosselen-met-byssusdraden

Andere bekende vastzittende dieren zijn mosselen. Deze tweekleppigen scheiden met speciale klieren taaie eiwitten af, die bruine baard- of byssusdraden vormen. Daarmee kunnen ze zich in de zoute en waterige omgeving vasthechten op stenen en houten palen – en ook aan elkaar. Zo vormen ze vaak grote mosselkolonies. Omdat byssusdraad zo sterk is, werd die vroeger zelfs verzameld en tot stof verwerkt, bijvoorbeeld om er handschoenen van te maken.

Mosselen voeden zich door organisch afval en plankton uit het water te filteren. Elke mossel filtert ongeveer één liter water per uur. Net als de vele andere soorten schelpdieren en wormen die zeewater filteren, zorgen ze ervoor dat de zee zo op een natuurlijke wijze gezuiverd wordt.

De strandkrab treurt niet om een pootje

Strandkrabben leven halverwege tussen eb en vloed op plaatsen waar ze zich kunnen verbergen, zoals in holten en poeltjes van strandhoofden of gewoon in het zand op het strand. Daar graven ze zich helemaal in. Toch kunnen ze hun omgeving in het oog blijven houden. Want omdat hun ogen op steeltjes staan, kunnen ze die net boven het zand laten uitsteken.

Hoe vang ik een strandkrab op een strandhoofd?

krabben-vangenKnoop een opengesneden mossel vast aan een touwtje van een meter lang. Hang de mossel in een plasje of in een spleet tussen de stenen. Met een beetje geduld zul je na een paar minuutjes al een krab naar boven kunnen halen. En oefening baart kunst ... Als je de krab op een veilige manier wilt vastpakken, neem je ze het best met duim en wijsvinger achter de twee scharen beet. Je kunt ze dan eens onderaan bekijken. Op de buik zit een driehoekig klepje. Bij een vrouwtje is dat veel breder dan bij een mannetje omdat ze daarachter haar eitjes met zich meedraagt. Als je de krab goed hebt bekeken, zet je hem of haar terug in het water. Krabben hebben ook recht op hun eigen leven …


Net als andere krabben hebben strandkrabben maar liefst vijf paar poten, waarvan het eerste paar omgebouwd is tot krachtige scharen. Die dienen niet alleen als gereedschap om voedsel te hanteren, maar ook om aanvallers af te schrikken. En dat is wel hard nodig, want krabben lopen voortdurend het gevaar door meeuwen of andere vogels gepakt te worden.

Als je een krab vastgrijpt, probeert ze je af te schrikken door met haar scharen te zwaaien en luchtbellenschuim af te scheiden via haar mond. En als een aanvaller er toch in slaagt de krab bij een poot vast te grijpen, dan past ze haar eigen redmiddel toe: 'zelfamputatie'. Ze stoot de poot in kwestie gewoon af en gaat ervandoor. Vlak bij de plaats waar de poot is afgescheurd, zal zich in een littekenzakje een nieuwe poot vormen.



anemoon-bi-ebNoordzeekrab: schaap in wolfskleren

De Noordzeekrab is de grootste krab die je bij een strandhoofd kunt vinden. Ze kan een doormeter hebben van dertig centimeter en een gewicht van drie kilo! Toch is het een rustig dier dat teruggetrokken leeft in de dieper gelegen holten tussen de rotsblokken. Kenmerkend voor deze dieren zijn de zwarte uiteinden van de scharen, de bruinoranje kleur en de mooi gegolfde voorste rand van het pantser, en de met korte, stijve haren bezette poten.

Zeepokken: als astronauten in een ruimtecapsule

Op elk strandhoofd, op elke golfbreker en op eender welke onder water gedompelde steen, groeien er zeepokken. Op het eerste gezicht zijn dat ruw gevormde kalkkorsten. Maar als je wat dichterbij gaat kijken, zie je dat zo’n korst mooi opgebouwd is uit kegelvormige elementen, die er als miniatuurvulkanen uitzien. Sommige zijn bovenaan open, bij andere sluiten een paar kalkklepjes die opening af.
Eigenaardig genoeg gaat het hier om dieren die tot de schaaldieren behoren, dezelfde groep waarin ook kreeften, krabben en garnalen thuishoren. Als larven zweven zeepokken vrij in het zeewater rond. Maar na een tijd hechten ze zich op een vaste ondergrond op hun rug vast. Ze scheiden vervolgens een kalkachtig omhulsel af in de vorm van een afgeknotte kegel waarin ze veilig verborgen zitten, als een astronaut in zijn ruimtecapsule. zeepok-bovenaanzicht-en-doorsnedeHun pootjes vormen zich om tot borstels waarmee ze plankton uit het water zeven. Die steken ze door de opening bovenaan naar buiten. Bij laagwater sluiten ze de opening van hun woonkegel met een paar kleppen hermetisch af.

noordzeekrab-zwemkrab-strandkrabIn dat huisje slaan ze ook water op. Zo beschermen ze zich tegen uitdroging tot het tij weer opkomt. Als zeepokken sterven, blijven alleen hun lege kegeltjes over. Die blijven dan bovenaan voor altijd open.

De steenloper is een ‘curieuze neus’

Hoewel kleine groepjes steenlopers aan onze kust overwinteren en overzomeren, tref je deze vogels vooral op de doortrek aan, van eind juli tot eind november en van begin maart tot eind mei.
Zoals zijn naam het zegt, vind je de steenloper eerder op een stenige ondergrond dan op zandstrand. Aan onze kust zijn de strandhoofden dan ook zijn geliefkoosde plekjes. Steenlopers vertonen een heel typisch gedrag als ze voedsel zoeken. Terwijl ze rondlopen, draaien ze voortdurend steentjes, schelpen en wieren om, op zoek naar diertjes die zich eronder verschuilen. Dat zijn bijvoorbeeld wadslakjes, krabbetjes en vlokreeftjes.

steenlopersScholekster of bonte piet

Deze vogels hebben een opvallend verenkleed in zwart-wit en een lange, koraalrode snavel. Ze broeden in de duinen en de polders en zwerven, buiten de broedtijd, in groepjes rond. Ook hun roep valt op: ‘piet … piet’. Door dat mooie verenkleed en die bijzondere roep krijgen ze in Nederland de naam bonte piet.
Scholeksters eten wormen, mosselen, kreeftjes en slakken en je vindt ze dan ook vaak op strandhoofden. Met wat geluk kun je zien hoe een scholekster mosselen open krijgt. Als de mosselen nog overspoeld worden door het zeewater en openstaan, probeert de scholekster bliksemsnel zijn snavel tussen de twee schelphelften te steken om ze open te wrikken. En als de mossel gesloten is, probeert hij hem soms open te krijgen door erop los te hameren tot hij een gat heeft gemaakt en de sluitspier kan doorbijten. Bij laagwater zijn scholeksters ook erg bedreven in het vinden van ingegraven wormen en kokkels. Per dag kunnen ze er een paar honderd opeten.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.