headerbg bl

De kust - Het zandstrand

Planten


zeeraket-loogkruid

Hoe miniduintjes ontstaan

Constructies als de strekdammen van de haven van Zeebrugge, of tegengestelde stromingen, zoals in de monding van de Westerschelde ter hoogte van het Zwin, remmen de zeestromingen sterk af. Zand dat elders van de kust is afgeknabbeld en door de zee werd meegevoerd zal op die plaatsen bezinken. Zo groeit het strand aan in de Baai van Heist en aan de Zwingeul.

Op het drooggevallen strand voert de wind zandkorrels mee. Waar de wind achter kleine obstakels afneemt – zoals achter schelpen en stokjes – vallen de zandkorrels neer. Dat is een soort duinvorming in miniatuur. Op hoger gelegen plaatsen blijven dan allerlei aanspoelsels liggen, die een basis vormen voor de vorming van echte duintjes. Allerlei planten helpen daarbij.

zeewolfsmelk-blauwe_zeedistel-biestarwegras

Biestarwegras, de pionier

De plantensoort die zich als allereerste op de kleine zandhoopjes vestigt, is het biestarwegras. Dit gras schiet gemakkelijk wortel en helpt het laagje zand vast te leggen. Om te overleven maakt het gebruik van regenwater en van de voedingstoffen die met het zand zijn meegebracht. Biestarwegras is tegen te felle uitdroging beschermd door een fijn laagje was op de bovenkant van de bladsprieten en fijne haartjes op de onderkant. Die haartjes houden een dun luchtlaagje vast, zodat daar maar heel weinig water verdampt.

Zeeraket en loogkruid, de kolonisten van het vloedmerk

Andere planten, zoals de vetplantachtige zeeraket en het stekelige loogkruid, vestigen zich op het vloedmerk – dat is de verzameling aanspoelsels aan de vloedlijn. Ze vinden er in het organische afval voldoende bouwstoffen om te kunnen wortelen. Deze planten geven vaak in lange linten aan waar het dikke pakket van plantaardig en dierlijk materiaal onder opgewaaid zand terecht is gekomen. Het zijn ook mooie voorbeelden van hoe planten zich in die extreme omstandigheden op het strand tegen uitdroging wapenen. Zeeraket bijvoorbeeld slaat in zijn vlezig gebouwde plantendelen water op. En loogkruid verliest maar weinig water omdat de blaadjes heel smal zijn en daardoor een heel gering verdampingsoppervlak hebben.

Het loogkruid is een plant die zijn zaden in de herfst op een merkwaardige manier verspreid. Hij sterft dan af en komt los van zijn wortel. Daarna rolt hij, voortgejaagd door de wind, over de duinhellingen en strooit zo de rijpe zaadjes over een groot gebied uit.

zeepostelein-met-vruchtjesZeepostelein

Zeepostelein is een plantje met kleine witte bloemen, dat laag bij de grond groeit en een heel gedrongen bouw heeft. De talrijke kleine blaadjes staan kruisgewijs rond de stengel ingeplant. Zeepostelein groeit op resten van oude vloedmerken waar geen zand of ander materiaal meer wordt afgezet.

Strandmelde, spiesmelde en reukloze kamille

Daar waar plantenmateriaal, afkomstig van wieren en grassen, aan de duinvoet of langs oude dijkjes bijeen is gewaaid tot een dik pak ‘strandhooi’, vestigen zich vooral planten als strandmelde, spiesmelde en reukloze kamille. Die planten vind je bijvoorbeeld langs het wandeldijkje door het Zwin. Daar zijn ook enkele groeiplaatsen te vinden van strandbiet, de stamhouder van de gekweekte suikerbiet.

Helmgras, de echte zandbinder

De meeste vloedmerkplanten zijn eenjarig. Dat betekent dat ze in één jaar tijd uit zaad opgroeien, bloeien en zelf zaad vormen. ’s Winters sterven ze volledig af. Ze dragen dus maar weinig bij tot de vorming van het duin.

Maar daar waar de eerste duintjes door het biestarwegras zo hoog zijn kunnen worden dat er een beetje zoet water in kon blijven zitten, neemt een andere grassoort de rol van ‘zandbinder’ over: het helmgras. Dat gras zorgt met zijn sterk vertakt en diepgaand wortelstelsel en zijn dichte bossen stengels en bladeren voor de verdere groei en versterking van het duin. Deze plant is erg goed aan de extreme omstandigheden aangepast. Bij droog weer rollen de bladeren zich in de lengte op, zodat alleen de waterdichte onderkant aan de droge lucht blootstaat en de plant een minimum aan vocht verliest.

blauwe-zeedistel

Wat is een vloedmerk?

Dat is het lange spoor van aangespoelde schelpen, wieren en andere zeerestjes die je op de vloedlijn kunt vinden. Die lijn geeft duidelijk aan waar de zee het verst op het strand is gekomen toen het vloed was. Het vloedmerk loopt evenwijdig met de kustlijn en bestaat dus voor een groot deel uit plantaardig en dierlijk afval. Maar natuurlijk zit daar ook wel eens ander afval tussen en veel mensen vinden het maar een vuile boel. Daarom wordt het vloedmerk op de meeste stranden in de vroege ochtend mechanisch verwijderd met een grote zeef die achter een tractor wordt gesleept.

Door zijn samenstelling is het vloedmerk een vruchtbare zone. Allerlei diertjes, bijvoorbeeld strandvlooien, vinden er hun voedsel en zorgen er samen met een legertje van andere ‘opruimers’ voor dat het aangespoelde materiaal in humus wordt omgezet. Het vloedmerk is dus een veel boeiender en vruchtbaarder plaats dan het meer steriele zandstrand. Op oudere, half verteerde vloedmerken kun je dan ook heel wat planten vinden.

Blauwe Zeedistel, een kleurrijke verschijning

Ook zandhaver helpt bij de duinvorming. Aan de lijzijde, de kant uit de wind, krijgt die het gezelschap van een hele reeks andere planten, zoals blauwe zeedistel en zeewolfsmelk. De blauwe zeedistel is wellicht de bekendste uit het rijtje. Het is een fraaie schermbloemige die erg geliefd is bij dagvlinders, zoals de kleine parelmoervlinder en de dagpauwoog. Vroeger plukten mensen zeedistels voor droogbloemboeketten, waardoor deze mooie duinplant bijna helemaal verdwenen was. Maar sinds hij bij wet wordt beschermd, gaat het weer beter met hem.


Dieren


Bij vloed kun je duidelijk zien hoe het opkomende water allerlei spulletjes steeds verder en verder het strand opduwt: stukjes wier, kleine bladeren en takjes, schelpjes, zeeschuim, lege skeletjes van zee-egels, maar ook allerlei afval … Als de zee zich bij eb terugtrekt, ligt dat alles verspreid over het strand. De meest opvallende sporen van leven in zee zijn de ontelbare schelpen in vele maten, vormen en kleuren.

Een week lijfje in een stevige schelp

In zee leven miljoenen schelpdieren. Ze behoren tot de weekdieren. Hun zachte, weke lichaam zit veilig beschermd in een schelp die uit twee kleppen bestaat, vandaar de naam tweekleppigen. Die schelp groeit gewoon mee met het dier.

Schelpdieren beschikken meestal over een gespierde 'voet' die uitstulpt en waarmee ze zich in zand en slib kunnen vastzetten of verplaatsen. De meeste tweekleppigen voeden zich met microscopisch kleine plantjes en diertjes die ze uit het water filteren. Ze zijn daarvoor uitgerust met twee buizen of sifons. Door de ene sifon zuigen de schelpdieren vers zeewater aan. Met hun kieuwen halen ze zuurstof uit het water, terwijl een filtersysteem voedseldeeltjes tegenhoudt en naar de maag brengt. Door de andere sifon wordt het water samen met afvalstoffen weer naar buiten gepompt.

Als het schelpdier doodgaat, komt de schelp na een tijdje los uit het zand en vallen de twee helften uit elkaar. Door de zeestromingen belanden die ten slotte op het strand, samen met vele andere.

kokkel-met-uitgestoken-sifonsmesheftMesheft

Deze heel herkenbare tweekleppige leeft verticaal ingegraven in lange woonbuizen bij de laagwaterlijn. Omdat de twee schelphelften bijna over de volledige lengte aan elkaar vasthangen, blijven ze vaak nog lange tijd na het afsterven aan elkaar vastzitten.

Kokkel

De kokkel of hartschelp leeft net onder het zandoppervlak in de zone tussen eb en vloed. Als hij zich bij laagwater bedreigd voelt, trekt hij de schelp plots dicht, waardoor er een waterstraaltje boven het zand uit spuit.

Zaagje

Zaagjes leven net onder het zand aan de laagwaterlijn. Als het tij opkomt, verlaten ze hun schuilplaats en laten ze zich met de stroming meevoeren op het ondergelopen strand. Als het water wegtrekt, kruipen ze met hun voetje terug in hun schuilplaats bij de laagwaterlijn. Zaagjes danken hun naam aan de scherp gezaagde onderrand van hun schelp.

zaagjeswoonbuis-zeepierHoe een tandpastahoopje een worm kan verraden …

Op het strand zijn er nog andere sporen die de aanwezigheid van verborgen leven verraden. Denk maar aan de typische 'tandpastahoopjes' van zand. Deze hoopjes van de zeepier zijn bekender dan de worm zelf, want die laat zich zelden of nooit zien. De zeepieren, die wel vijfentwintig centimeter lang kunnen worden, leven diep in het zand in een zelf gegraven U-vormige woonbuis. De uiteinden van die woonbuis kun je op het strand duidelijk terugvinden. De ene kant zit daar waar het hoopje ligt en de andere vind je tien tot vijftien centimeter daarvandaan: het is een klein gaatje in het centrum van een ondiep kuiltje.
Door regelmatige, samentrekkende bewegingen pompt de zeepier water van bij de trechtervormige ingang van zijn woonbuis naar de uitgang. Ondertussen haalt hij er zuurstof en voedsel uit, zoals bacteriën en ééncellige wiertjes. Wat hij niet kan verteren, scheidt hij aan de uitgang van zijn woonbuis uit in de vorm van zo’n tandpastahoopje. Daarvoor kruipt hij achterwaarts in de U-vormige woonbuis omhoog tot hij met zijn uiteinde bij de uitgang komt.

Sporen uit een héél ver verleden : haaien- en roggentanden

Met een beetje geluk kun je na een hevige storm met oostenwind op het strand voor het Zwin fossielen vinden, zoals haaien- en roggentanden. Dat zijn sporen uit een héél ver verleden, wel veertig tot vijftig miljoen jaar geleden. Door het uitschurende effect van de Westerschelde komen lagen met heel oude zeeafzettingen naar boven. Zo komen deze fossielen vrij en spoelen ze aan op het strand.

Kwallen zijn ook planktondieren

Hoewel kwallen vrij groot zijn, behoren ze toch tot het plankton. Door het samentrekken van hun klokvormige lichaam kunnen ze zich weliswaar zwemmend verplaatsen, maar hun bewegingen zijn te zwak om tegen de zeestromingen op te kunnen. Ze moeten zich dus net als microscopische planktonorganismen laten meedrijven.

roggetand-en-haaietandEen kwal is een waterig geval

blauwe-zeepaddestoelEen kwal zit heel eenvoudig in elkaar. Als ze is aangespoeld, ziet ze er vies en glibberig uit. Dat komt omdat ze voor meer dan 95 procent uit water bestaat. Het lichaam van een kwal is een afgeplatte, holle halve bol of hoed. Op de rand onderaan zitten tentakels met netelcellen erop. In het midden zit een mondbuis, waaraan vier mondarmen vastzitten. De mondbuis geeft toegang tot de lichaamsholte, de maag van het dier.

Als kleine diertjes en visjes tegen de netelcellen stoten, schieten er microscopisch kleine buisjes uit, met aan het eind een scherpe punt. De prooi wordt door zo’n ‘pijltje’ verlamd met een gif. De kwal brengt de vangst langs de mondopening in de maag.

Over gewone en andere kwallen

Van april tot november spoelen er aan onze kust kwallen aan. In de lente zijn het oorkwallen. Die kun je herkennen aan de vier witte of roze oorvormige geslachtsklieren die in het centrum van de hoed doorschemeren. Deze kwallen zijn totaal ongevaarlijk voor mensen, in tegenstelling tot de blauwe haarkwal die iets later, in juni, aanspoelt, en de wat geler of roder gekleurde gele haarkwal die je eind juli kunt vinden. Beide soorten hebben veel netelcellen en als je ze aanraakt, veroorzaken ze sterke irritaties en pijn op je huid.

In augustus spoelt de kompaskwal op onze stranden aan. Die fraaie kwal dankt haar naam aan de typische bruine ‘windroos’-tekening. Het is een planktoneter die ongevaarlijk is voor de mens. Hetzelfde geldt voor de blauwe zeepaddestoel, die dan weer in het najaar soms massaal op het strand terechtkomt. Deze groenblauw gekleurde kwal kan een doorsnede hebben tot een halve meter.

Zeedruifjes

Soms vind je kleine, doorschijnende, geleiachtige bolletjes op het strand, zeedruifjes genoemd. Ze leven van plankton dat blijft kleven aan hun lange, dunne vangarmen die bedekt zijn met kleefcellen. Ze brengen de vangarmen dan naar hun mondholte en likken ze af.

oorkwal-blauwe_haarkwal-

lieveheersbeestjeKuifleeuwerik

De kuifleeuwerik dankt zijn naam aan zijn opvallende kuif. Hij leefde vroeger alleen op steppen en in halfwoestijngebieden. Maar nu voelt hij zich thuis op zandige, droge gronden in heel Noord-West-Europa. In ons land is hij zeldzaam; hij broedt onder andere in de Baai van Heist. Zijn nestje bestaat uit een kommetje in het zand dat hij met wat plantenmateriaal bedekt.

Kuifleeuweriken zijn bijzonder tam en zoeken de nabijheid van mensen op. Ze fluiten graag en genieten ook van ‘stofbaden’ in het duinzand. Zo’n stofbad verdrijft de parasieten die tussen hun veren leven. Buiten de broedtijd zwerven kuifleeuweriken in kleine groepjes rond.

Lieveheersbeestjes
Soms zie je honderden lieveheersbeestjes op palen of tussen de aanspoelsels op het strand. Dat zijn lieveheersbeestjes op de trek die met de wind tot aan zee gedreven zijn. Omdat ze niet in zee terecht willen komen, landen ze op de uiterste landgrens, dus op het strand.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.