headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Zandstreek - De Cuesta Oedelem-Zomergem - Conclusies

De Zandstreek - De Cuesta Oedelem-Zomergem - Conclusies

1. Evaluatie

Algemeen
bwk_97_regenwulpVooral de oostelijke, bosrijke helft van de cuesta van Oedelem is biologisch zeer belangrijk. Het complex van het Drongengoed is, zoals eerder vermeld, met zijn ± 730 ha zelfs het grootste aaneengesloten bos van Oost-Vlaanderen. Ook het voorkomen van onbemeste, vochtige pijpestrootjesgraslanden met o.a. enkele illustere soorten als Tweenervige zegge, Stekelbrem en Heidekartelblad, en vochtige en droge heide in dit complex is zeer belangwekkend. In dit deel liggen eveneens een aantal mooi ontwikkelde beekdalbossen.

De westelijke helft van deze cuesta is vooral landschappelijk van belang. Enkele kleine bos- en graslandpercelen zijn ook biologisch waardevol. Het complex van de Gemene- en Lo-Weide, Assebroekse meersen en Chartreuzen met hun aparte ontstaansgeschiedenis, en het Beverhoutsveld vallen op door hun vele bomenrijen en doordat ze praktisch niet bewoond zijn. De vallei van de Bergbeek met nog enkele Calthionelementen en vrij veel bomenrijen is eveneens een belangrijke landschapselement.

Karakteristieke gebieden
bwk_49_grote-ratelaara. De Gemene- en Lo-Weiden, Assebroekse meersen en Chartreuzen
(Assebroek) (naar Geldof, 1981) Complex van vooral graslanden, doorsneden door talrijke populieren- en knotwilgenrijen. Door de aparte ontstaansgeschiedenis heeft dit gebied een karakteristiek landschapspatroon verkregen. Het is een belangrijk refugiumgebied voor enkele Calthionsoorten, onder andere Grote ratelaar, Koekoeksbloem, Breedbladige rietorchis (enkele exemplaren), Tweerijige zegge...
In het westelijk deel liggen enkele bospercelen: alluviaal Elzenbos met of zonder voorjaarsaspect en Eikenbos op drogere bodem.
Voor de fauna is dit praktisch onbewoond gebied zeer interessant. Wat de avifauna betreft kunnen we de Goudplevier, het Witgatje, de Wulp, de Regenwulp, de Watersnip en de Houtsnip als belangrijke fourageergasten beschouwen. De oude spoorwegberm met zijn dicht struweel herbergt tal van zangvogels.
De talrijke grachten en sloten zijn geschikte broedplaatsen voor Groene en Bruine kikker, Kleine- en Alpenwatersalamander en de Gewone pad.

b. Vallei van de Bergbeek (Oedelem)
De beekbegeleidende graslanden zijn over het algemeen gewone graasweiden. Verspreid liggen er enkele Calthions en Filipendulions. Enkele soorten zijn Dotterbloem, Tweerijige zegge, Moerasspirea, Moeraszegge...

Het Essen-Olmenbosje, langs de Bergbeek, is ondanks zijn kleine oppervlakte toch interessant en dit door de aanwezigheid van Stengelloze sleutelbloem, Heelkruid en Keverorchis in de kruidlaag.

bwk_77_valse-saliec. Bossen bij het Wapenaarkasteel (Oedelem)
Het overgrote deel van de boomlaag wordt gevormd door Lork en Grove den; op enkele percelen heeft men vooral Zomereik. De ondergroei is evenwel op alle percelen vrij gelijkend en bestaat vooral uit Amerikaanse eik, Tamme kastanje, Ruwe berk, Gewone kamperfoelie, Gewone esdoorn, Braam, Mannetjesvaren, Brede stekelvaren, Valse salie, Schermhavikskruid, Pijpestrootje en Tormentil.

d. Het Koningsbos (Oedelem)
In de boomlaag zijn Beuk, Zomereik en Lork dominant. De struiklaag wordt gevormd door Gewone esdoorn, Amerikaanse eik, Lijsterbes, Ruwe berk, Gewone kamperfoelie, Zomereik, Douglasspar en Braam. De kruidlaag is weinig ontwikkeld (hier en daar wat Brede stekelvaren, Adelaarsvaren, Veldbies en veel mossen). Op de lichtrijkere plaatsen groeien ook Zachte witbol, Valse salie, Boswederik en Pijpestrootje.

e. Kallekensbos, Groot Burkel (Maldegem)
Complex van Eiken-Beukenbos en naaldhoutaanplanten op de drogere, voedselarme gronden en Essen-Olmenbos op de vochtige tot natte voedselrijke bodems (vallei van de Splenterbeek). De kruidlaag van dit laatste type is er zeer soortenrijk en goed ontwikkeld. Soorten als Eenbes, Slanke sleutelbloem en Keverorchis springen er in het oog. Op slootranden groeien Stengelloze sleutelbloem en zijn hybride met Slanke sleutelbloem. Het voorkomen van Verspreidbladig goudveil is eveneens merkwaardig; het is een unieke groeiplaats van deze soort voor deze streek.

f. Het Drongengoed + het Koningsbos (Maldegem, Knesselare, Ursel) (naar Saey, 1984 en Hermy, 1984)
Het Drongengoed is om verschillende redenen uniek. Alhoewel de bossen zelf geen uitschieters zijn op botanisch gebied, zijn ze toch heel belangrijk dankzij hun oppervlakte. Ze vormen namelijk het grootste aaneengesloten boscomplex van Oost-Vlaanderen. De meeste bossen zijn vrij jong. De kruidlaag is er ofwel afwezig, ofwel wordt ze gedomineerd door Bramen, Adelaarsvaren, Smalle en Brede stekelvaren. Op enkele plaatsen groeien Blauwe bosbes en Rankende helmbloem en kan men een interessante mosflora aantreffen.

In sommige bossen vindt men toch veel Guldenroede, Maagdenpalm en Dalkruid. Botanisch zijn de heideveldjes, de heischrale graslanden en de pioniervegetaties op voedselarme bodem de meest interessante gemeenschappen. Ze blijven echter meestal beperkt tot kwetsbare punt- en lijnvormige elementen. Meestal betreft het hier droge heide met Struikheide en Pijpestrootje als dominante soorten. Op de vochtigste plaatsen echter kunnen naast Gewone dopheide en een aantal Veenmossen soms ook zeldzamere soorten als Tweenervige zegge, Sterzegge, Gaspeldoorn, Stekelbrem, Ronde zonnedauw, Trekrus, Biezeknoppen en Groengele zegge voorkomen.

bwk_98_hondsviooltjeVochtige heischrale graslanden vindt men langs de Drongengoedweg en in de bermen van het vliegveld. Deze graslanden zijn zeer soortenrijk met o.a. Kruipganzerik, Hondsviooltje, Blauwe knoop, Rode ogentroost, Duizendguldenkruid, Blauwe zegge, Tweenervige zegge... De vegetatie van het laagste gedeelte van de vliegveldbermen worden gedomineerd door Veldrus. Ook Tweenervige zegge komt er abundant voor en plaatselijk zijn er enkele groeiplaatsen van het zeldzame Heidekartelblad. Een andere, vrij soortenrijke vegetatie treft men aan op plaatsen met dagzomende klei. Enkele opvallende soorten zijn Knoopkruid, Blauwe knoop, Pijpestrootje, Guldenroede, Schermhavikskruid en Zaagblad. Deze laatste soort is een typische plant van voedselarme kleigronden met tijdelijke grondwatertafel.

De pioniervegetaties op voedselarme bodem (wielsporen, verlaten akkertjes) dragen ook bij tot de waarde van dit gebied. Typische soorten zijn Liggend hertshooi, Knolrus, Waterpostelein, Klein glidkruid, Veenmossen, Waternavel, Moerasdroogbloem en voor de verlaten akkers, Grondster.

Avifauna (naar Blondia, 1984)
In bos en bosrand kan men naast veel voorkomende soorten als Roodborstje, Winterkoning en Vink ook Fluiter, Goudvink, Nachtegaal, Groene specht, Grote en Kleine bonte specht, Zwarte mees, het Vuurgoudhaantje en recent ook de Zwarte specht en de Kuifmees waarnemen; de laatste vier zijn typerend voor naaldbos. Prooivogels als Torenvalk (algemenere soort), Ransuil (enkele koppels) en Boomvalk (één koppel) broeden in dit gebied. Op doortrek zijn Buizerd, Sperwer en in mindere mate Blauwe en Bruine kiekendief regelmatig te zien.

Grote open stukken in de omgeving van het bos trekken in het voorjaar groepen Regenwulpen. Sinds enkele jaren werden baltsende wulpen opgemerkt; ze kwamen echter nog niet tot broeden. Andere fauna: Van de vlinderfauna zijn volgende vrij zeldzame tot zeldzame soorten opgemerkt: Orangjetip, Distelvlinder, Gehakkelde aurelia, Schildrupsvlinder, Groentje, Vuilboomblauwtje, Icarus blauwtje en Aardbeivlinder (Van de Kerckhove, 1984).

g. Keigatbossen (Zomergem, Ursel)
Complex van Grove dennenaanplanten met vooral Bramen en Pijpestrootje in de ondergroei, aaneengesloten Sparrenaanplanten en zure Eikenbossen met nogal dikwijls Amerikaanse eik als dominante soort in de boomlaag.

2. Bestemming en bedreiging

Bestemmingen
Overwegend (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied. De bossen zijn meestal bos- of natuurgebied. Eigenaardig is dat de omgeving van het Kallekensbos en van de Keigatbossen eveneens bij het bosgebied ingetekend zijn.
Een deel van het Drongengoed is militair domein. Het is jammer dat er in dit groot boscomplex evenals in het complex van het Kallekensbos niet enkele percelen een reservaatstatuut gekregen hebben.
Bij de agglomeratie van Oedelem, Knesselare, Kleit en Zomergem zijn vrij grote woonuitbreidingsgebieden voorzien. Negatief is de nabestemming als industriegebied van het ontginningsgebied ten noorden van Knesselare. De heidevegetatie van een aantal jaren geleden is nu al verdwenen onder stortmateriaal.

Bedreigingen
Het volgende is overgenomen uit Hermy, 1984. Het betreft hier vegetatietypes die uitsluitend in het Drongengoed werden aangetroffen.
• Natte en vochtige heiden: verruiging tot Pijpestrootjesgrasland. Het massaal optreden van Pijpestrootje kan enerzijds het gevolg zijn van storingsinvloeden zoals ontwatering, verrijking en grondbewerking. Anderzijds kan het van natuurlijke aard zijn op terreinen met een schijngrondwaterspiegel of met periodiek hoge grondwaterstand. De laatste mogelijkheid (stuwwaterstand met periodieke hoge vochtigheid) is de vermoedelijke oorzaak van het optreden van deze grassoort in Drongengoed. Ook achterwege blijven van beheer leidt tot eventuele verruiging met Pijpestrootje en/of bosvorming.
• Heischrale graslanden: niets doen resulteert in verruiging met Pijpestrootje en/of bosvorming.
• Pioniersvegetaties op akkers: eutrofiëring (bv. door bemesting) veroorzaakt het verdwijnen van dergelijke vegetaties. Niets doen heeft verruiging en/of bosvorming als gevolg.
• Pioniersvegetaties op dreven: ophoging en verharding leidt tot het verdwijnen.

3. Voorstellen voor aanleg en beheer
• Beekbegeleidende bossen: hakhoutbeheer bestendigen.
• Vochtige hooiweiden (vallei van de Bergbeek): het verminderen van de bemestingsgraad en verlagen van de begrazingsdruk zou de natuurwaarde van dit gebied doen stijgen.
• Het volgende is overgenomen uit Hermy, 1984.
• Natte en vochtige heiden:
- Plaggen over kleine oppervlakten, verspreid in ruimte en tijd. Herhaling van de bewerking is afhankelijk van de vegetatieontwikkeling.
- In mindere mate ook maaien (met afvoer van het strooisel) en begrazing.
• Heischrale graslanden:
- jaarlijks maaien met afvoer van strooisel
- plaggen leidt tot het ontstaan van interessante pioniersvegetaties.
- extensieve begrazing met schapen.
• Pioniervegetaties op akkers:
- aanvankelijk matig extensieve (1-2 schapen per ha) begrazing, later extensieve (1 schaap per ha) begrazing. Lokaal aanvullen met ondiep plaggen en/of oppervlakkig ploegen, verspreid in tijd en ruimte.
- eventueel jaarlijks maaien met afvoer van strooisel.
• Pioniersvegetaties op dreven: periodieke betreding door voertuigen of een andere manier van openmaken van de vegetatie.

Afdrukken E-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.