headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Zandstreek - De Cuesta Oedelem-Zomergem - Biologisch milieu

De Zandstreek - De Cuesta Oedelem-Zomergem - Biologisch milieu

1. Landschapsecologische situering/Ontstaansgeschiedenis (naar Verhulst, 1964)
De ontstaansgeschiedenis loopt parallel met die van het subgebied Rug van Aalter’. Ook hier nemen de jonge ontginningsgebieden een belangrijk percentage van de oppervlakte in. Nochtans werden in de 13e E door een paar abdijen (1) verwoede pogingen gedaan om deze woeste gronden te ontginnen. Vanwege de slechte bodemgesteldheid en door talrijke tegenslagen bleven deze pogingen echter beperkt tot enkele ontginningskernen rond een aantal hoeven.

Het overgrote deel werd pas onder handen genomen eind 18de eeuw zoals beschreven staat onder het Zandgebied Brugge-Maldegem-Eeklo. Eén uitzondering vormt het Beverhoutsveld. Het werd indertijd rechtstreeks omgezet tot akker en weiland. Het is dus niet eerst bebost geweest. Het regelmatig perceleringspatroon en toponiemen als ‘Het Groot Heet’ en ‘Beverhoutsveld’ wijzen echter op de jonge ontginningdatum, evenals het voorkomen van Koningsvaren in de wegberm. Nog niet zo lang geleden kon men er ook Struikheide aantreffen. Evenals de ‘Rug van Aalter’ is ook dit gebied vrij bosrijk (vooral het oostelijk deel). Het Drongengoed is met zijn ± 730 ha zelfs het grootste aaneengesloten bos van Oost-Vlaanderen.

Regelmatige perceleringspatronen zijn in het landschap aspectbepalend. De stukken met een oudere ontginningsdatum zijn te vergelijken met het Zandgebied Brugge-Maldegem-Eeklo. De bewoning in de jonge ontginningsgebieden is eerder schaars. In de rest van het gebied is het te vergelijken met het Zandgebied. De Gemene en Lo-Weiden, de Assebroekse meersen en de Chartreusen, die kunnen gerekend worden tot het Zuidbrugse dallandschap, hebben een enigszins afwijkende ontstaansgeschiedenis en zijn nu nog opvallend in het huidige landschapsbeeld.

Tot eind 18de eeuw was het een open weilandcomplex dat de meer akkerrijke zandrug van Assebroek scheidde van het nog niet ontgonnen Beverhoutsveld. Het was als gemeenschappelijke weide in gebruik d.w.z. dat de autochtone omwoners het uitsluitend recht hadden er hun vee te laten grazen. Daarna werd het echter verdeeld volgens een vrij symmetrische kavelstructuur met een daarop aansluitend net van dreven en wegen en werden, vooral in de «Gemene Weide» een aantal weilanden omgezet in akker- of hooiland. Het werd dus een gesloten landschap met bomenrijen en houtkanten (naar Geldhof, 1981).

(1) In het midden van de 13de eeuw ontstonden middenin het Maldegemveld ontginningskernen, namelijk de hoeve te Burkel van de abdij van Ter Doest, Papinglo van de abdij van St.-Baafs en de Drongengoedhoeve van de abdij van Drongen (Saey, 1984).

2. Kenmerkende vegetatietypen (Karteringseenheden)

Open waters
Ae, Aer: Er werden enkele ondiepe plassen aangetroffen in kleigroeven, die al of niet verlaten zijn.

Ao: Eén klein oligotroof plasje, eveneens in een oude kleigroeve gelegen

Moerassen
Mr: Praktisch niet vertegenwoordigd in deze streek. Enkel een paar smalle rietkraagjes werden opgetekend.

Mc: In de vallei van de Driesbeek ligt een verland plasje met een Grote zeggevegetatie. Ook Moerasspirea, Moeraswalstro, Grote lisdodde, Bitterzoet, Pitrus, Wolfspoot en Waterzuring groeien er.

Graslanden
bwk_94_dotterbloemHc: In de vallei van de Bergbeek ter hoogte van de weg Sijsele-Oedelem, liggen enkele vochtige hooilandpercelen met soorten als Dotterbloem, Tweerijige zegge, Moerasspirea, Moeraszegge, Veldzuring, Speenkruid, Scherpe boterbloem... Ook in de ‘Gemene Weide’ werden enkele Calthions aangetroffen. De soorten die hier voorkomen zijn o.a. Koekoeksbloem, Pinksterbloem, Moerasspirea, Tweerijige zegge, Veenwortel, Mannagras, Moeraswalstro, Valse voszegge en zelfs Grote ratelaar en enkele exemplaren van de Breedbladige Rietorchis.

Hf: In dit zelfde gebied en ook in de Bergbeekvallei werden enkele verruigde hooilanden waargenomen. Hier zijn Moerasspirea, Pitrus, Kattestaart, Gele lis, Riet, Liesgras, Geknikte vossestaart en Dotterbloem van de partij.
Het Filipendulion is ook vertegenwoordigd langs de grachten en sloten van dit gebied met o.a. Gele lis, Grote egelskop, Geverzegge, Gele en Witte waterkers, Moerasspirea, Poelruit en Zwanebloem.

bwk_94_zaagbladHmo: Onbemest, vochtig pijpenstrootjesgrasland is te vinden in de bermen van de Drongengoedweg en van het vliegveld. Ze vormen een mozaïek met gedegradeerd Pijpestrootjesheide (Cm), droge heide (Cg) en/of vochtige heide (Ce). Enkele belangrijke soorten hier zijn: Blauwe knoop, Tweenervige zegge, Groengele zegge, Blauwe zegge, Bleke zegge, Veldrus, Stekelbrem, Veenmossen en Heidekartelblad. In de wegbermen rond de 'Oedelemberg' zijn er nog groeiplaatsen van Zaagblad, een soort die volgens Stieperaere & Fransen (1982) thuishoort in onbemeste graslanden op vochtige tot natte voedselarme, zwak zure grond.

Ha: In enkele wegbermen: een schrale Struisgrasvegetatie. De bermen van het vliegveld in het Drongengoed vertonen ook aspecten van het Thero-Ainion.

Hp, Hx: Vergelijk met de vorige gebieden van de zandstreek. Enkele grotere weilandcomplexen zijn: de Chartreuzen, de Assebroekse meersen en langs enkele beekvalleien (Mazelbeek, Bergbeek en Driesbeek).

Heiden
Cg, Cm: Droge heidevegetatie is vooral vertegenwoordigd in het Drongengoed, een klein perceel dat beplant werd met Fijnsparren, in Groot Burkel niet te na gesproken. Hier is Struikheide en dikwijls Pijpestrootje dominant. In het laatste geval spreekt men van een gedegradeerde heide met dominantie van Pijpestrootje

Cp: Een brede strook Adelaarsvarenvegetatie werd ingetekend ten noorden van Groot Burkel.

bwk_96_stekelbremCe: Op nattere plaatsen heeft zich een vochtige heidevegetatie gevestigd. Deze is meestal rijker aan soorten dan de hiervoor besproken droge heidevegetaties: Gewone dopheide, Veenmossen, Tweenervige zegge, Sterzegge, Stekelbrem, Ronde zonnedauw, Trekrus, Borstelbies...

Strowelen
Sg: Eenmaal aangetroffen in een oude kleigroeve.

Sgu: Een klein Gaspeldoornstruweel werd opgemerkt op de grens van het Drongengoed met het omliggende land. Deze stekelige heester groeit trouwens nog op andere plaatsen in het Drongengoed.

Sp: Sporadisch voorkomend

Se: In de verschillende boscomplexen werden er kapvlakten genoteerd. Een deel hiervan werd terug beplant met naaldhout.

Sz: Opslag van Zomereik, Geoorde wilg, Zwarte els, Amerikaanse vogelkers en soms Hondsroos werd hier en daar waargenomen.

Sf: Een klein wilgenbosje met Riet in de ondergroei werd ten ZW van Knesselare ingetekend. Er werden populieren ingeplant.

Bossen
Dit subgebied is, net zoals de ‘Rug van Aalter’, zeer bosrijk, vooral het oostelijk gedeelte met als belangrijke complex ‘Het Drongengoed’.

Os, Fs, Qb, Fb: Het overgrote deel van de bossen wordt ingenomen door zure Eikenbossen en in mindere mate Eiken-Berkenbossen. Voor de bespreking van deze bostypes kunnen we verwijzen naar het Zandgebied Brugge-Maldegem-Eeklo.

bwk_95_eenbesVa: In de vallei van de Driesbeek, de Bergbeek, de Mazelbeek en vooral de Splenterbeek komen alluviale Essen-Olmenbossen voor. De mooist ontwikkelde komen voor in het Kallekensbos, Groot Burkel (Spienterbeek). De kruidlaag is er vaak zeer rijk met o.a. enkele merkwaardigheden namelijk Verspreidbladig goudveil (unieke vindplaats in deze streek), Eenbes, Keverorchis, Spaanse aak, Stengelloze sleutelbloem en de hybride tussen de Stengelloze en de Slanke sleutelbloem.
Vroeger kon men er Herfsttijloos bewonderen. In het bos langs de Vijverbeek groeien Hemelsleutel en Gulden boterbloem, eveneens soorten die weinig te vinden zijn in deze streek.
Ook in het bosje, gelegen in de vallei van de Bergbeek ten zuiden van Sijsele, komen Keverorchis en Stengelloze sleutelbloem voor evenals het zeldzame Heelkruid.

Vn: Er werden maar enkele zeer kleine, nitrofiele Elzenbossen aangetroffen.

Aanplanten
Naaldhoutaanplanten: te vergelijken met die van de ‘Rug van Aalter’. In enkele aanplanten van het Drongengoed is de heide- of pijpestrootjesvegetatie nog goed merkbaar. Op een paar plaatsen werd Blauwe bosbes aangetroffen.

Lhi, Lhb: Verspreid liggen enkele vochtige populierenaanplanten met een ruige ondergroei en al of niet met een struiklaag.
Percelen die nog als weiland in gebruik zijn maar die eveneens met populieren beplant zijn, werden als L/Hp gekarteerd.

Puntvormige, lijnvormige en kunstmatige elementen
Kb: Rechtlijnige Eiken-, Beuken- en Populierendreven zijn typisch voor de jong ontgonnen gebieden. In de rest maken vooral Populieren- en Knotwilgenrijen en Elzenkanten deel uit van het landschapsbeeld. In sommige delen is er een drastische vermindering gebeurd van het aantal bomenrijen.

Kh: Vooral bij boerderijen terug te vinden. Er werden ook enkele alleenstaande hagen opgetekend.

Khw: Verspreid liggen een aantal, soms mooi ontwikkelde, houtkanten.

Kj: Kleine hoogstamboomgaarden zijn gesitueerd bij rurale bewoning.

Ks: Een stukje van de verlaten spoorweg Brugge-Sijsele is in dit gebied gelegen. Dit deel wordt begroeid met een mooi struweel (o.a. Zwarte els, Geoorde wilg, Hondsroos...). In de wegberm is onder andere Kleine ratelaar terug te vinden.

Ku: Een ruderale vegetatie heeft zich gevestigd in de oude steenbakkerij van Oedelem.

Kc: Er is één kleine kleigroeve te Adegem. De kleigroeve van Oedelem wordt niet meer uitgebaat.

Ki: In het Drongengoed: het vroegere NAVO-vliegveld wordt nu als privéclub uitgebaat.

Ko: Eén klein stort op het grondgebied van Maldegem.

Kpk: Enkele kleine kasteelparken. In tegenstelling met het Zandgebied Brugge-Maldegem-Eeklo zijn de kasteelparken hier dun bezaaid. Er zijn er maar twee.

Kq: Enkele boomkwekerijen.

3. Fauna-elementen: zie Zandgebied Brugge-Maldegem-Eeklo en de Rug van Aalter.

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.