headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Zandstreek - De Rug van Aalter - Biologisch milieu

De Zandstreek - De Rug van Aalter - Biologisch milieu

1. Landschapsecologische situering/Ontstaansgeschiedenis
Voor de ontstaansgeschiedenis kunnen we naar het Zandgebied van Brugge-Maldegem-Eekloo verwijzen. Het grote verschil met dit gebied is echter dat de jonge ontginningen hier een veel groter percentage van de oppervlakte innemen. De meest gekende zijn het Bulskampveld en het Vrijgeweed.

Deze streek is dus zeer bosrijk in vergelijking met het Zandgebied. Regelmatige perceleringspatronen zijn in het landschap aspectbepalend. Opvallend is hier ook de meanderende loop van de Rivierbeek, één van de weinige beken in Vlaanderen die nog niet helemaal ‘genormaliseerd’ werd. De bewoning is er iets minder dicht, vooral in de jonge ontginningsgebieden.

2. Kenmerkende vegetatietypen (Karteringseenheden)

Open waters
bwk_81_ronde-zonnedauwAe: Net zoals in het vorige gebied zijn ook hier de meeste plassen oude zandwinningsputten (1). In enkele oudere, ondiepe plassen is er een watervegetatie met Gele plomp, Witte waterlelie en/of Drijvend fonteinkruid tot ontwikkeling gekomen.

(1) De kasteelvijvers werden niet apart ingetekend.

Ap, Aer: In de diepe en/of recente putten hebben waterplanten weinig of (nog) geen kans gekregen om zich te vestigen. De vegetatie is er dus erg fragmentarisch.

Ae, Aer: In de vallei van de Rivierbeek werden enkele kleine plasjes aangetroffen.

Ao: De eveneens antropogeen ontstane «Aanwijsputten», gelegen in het Bulskampveld, hebben een oligotroof karakter. Kenmerkend zijn de verschillende Veenmossoorten. Op de oevers, in overgang tot de vochtige heidevegetatie groeien Knolrus, Waternavel en vijf zeldzame tot zeer zeldzame soorten voor deze streek namelijk Ronde zonnedauw, Veenbies, Moeraswolfsklauw, Witbloemige waterranonkel en Vlottende bies. Het «Drosera»putje, een zeer kleine, erg ondiepe zandwinningsvijver te Loppem vertoont ook een sterke gelijkenis met een oligotroof vennetje. Van water naar land is er een prachtige zonatie waar te nemen gaande van Kranswieren en Veenmossen in het water over Knolrus, Waternavel en Haarmos in de zone met wisselend waterpeil naar Pijpestrootje en hakhout op de drogere delen. Vroeger kwamen ook hier Ronde zonnedauw (zie illustratie) en Moeraswolfsklauw voor (Anselin, 1978; Desmet, 1981).
Het kleine plasje, gelegen in de «Drie Koningen» bossen werd eveneens als Ao gekarteerd.

Moerassen
Mr: Langs enkele van de hierboven besproken plassen heeft er zich een rietgordel gevestigd. Enkele kenmerkende soorten zijn Riet, Grote en Kleine Lisdodde, Grote egelskop, Grote waterweegbree, Pitrus en Waterzuring.

Graslanden
bwk_35_pijptorkruidHe: In de vallei van de Rivier- en de Hertsbergebeek liggen verspreid enkele kleine percelen Calthion, al of niet fragmentair. Deze vochtige graslanden zijn in gebruik als weiland. Soorten als Dotterbloem, Scherpe zegge, Tweerijige zegge, Zornprus, Moeraswalstro, Zompvergeet-mij-nietje, Egelboterbloem, Waterbies, Pijptorkruid hebben zich toch, ondanks het intensief gebruik van deze percelen, kunnen handhaven.
bwk_82_zompvergeet-mij-nietjeEen klein weiland, gelegen aan de samenloop van de Poversbeek en de Ringbeek werd als Hp + Hc° gekarteerd vanwege het voorkomen van Bosgeelster op de oeverwal van de beek. Het is een zeldzame soort in heel België. In deze streek komt Bosgeelster enkel nog voor verder stroomafwaarts in een valleibos (Stieperaere, 1972; Hermy, 1981).

Ha: Zuur Struisgras-grasland treft men hier praktisch alleen nog aan op wegbermen en enkele kleine, nog niet bebouwde percelen. Enkele kenmerkende soorten zijn Fijn zwenkgras, Zandblauwtje, Rood Zwenkgras, Schermhavikskruid, Gewoon struisgras en Sint-Janskruid.

Hp, Hx: Ook hier worden vrijwel alle graslanden sterk bemest en zijn ze meestel weinig soortenrijk (arme variant van Hp) tot zeer soortenarm (Hx), waarvan sommigen maar tijdelijk als grasland in gebruik zijn. Ze werden dan ook meestal in complex gebracht met de omliggende akkers.
De weilandcomplexen in de beekvalleien werden wel apart ingetekend. Het zijn immers permanente graslanden. Ze vormen een specifiek beeld in het landschap.

Hr: Verspreid liggen enkele kleine, niet meer onderhouden graslandpercelen. Dominantie van enkele ruige grassoorten als Witbol en Kropaar zijn hier kenmerkend.

Heiden
Cg: Droge heidevegetaties zijn enkel te vinden in de jonge ontginningsgebieden. Deze restanten van de eens uitgestrekte heidevelden treft men meestal aan langs dreven of op kapvlakten. Zo'n dreefvegetatie kan soms heel mooi ontwikkeld zijn met o.a. Struikheide, Tormentil, Pijpestrootje. Gewoon struisgras, Zandstruisgras, Pilzegge... . Op kapvlakten houden dergelijke vegetaties het niet lang vol. Ze worden immers verstikt door de struikopslag en/of de terug aangeplante bomen. In het gebied van het St.-Andriesveld liggen enkele kleine, meer permanente heideveldjes. Het is ook in dit gebied dat er verscheidene groeiplaatsen van Rode dopheide zijn. Deze zeldzame soort komt in België enkel hier voor en nabij Maasmechelen (aan de rand van het Kempisch plateau) (Hermy, 1979).

bwk_82_rode-dopheideCm, Cp: Op sommige plaatsen wordt de heidevegetatie gedomineerd door Pijpestrootje of Adelaarsvaren.

Ce: In het gebied van het Bulskampveld werd op enkele plaatsen vochtige heidevegetaties aangetroffen. Typische soorten zijn hier Gewone dopheide, Pijpestrootje, Tormentil en Veenmossoorten (zie ook Ao). Op de vochtiger plaatsen van een klein heideveld in het Merkenveld groeit Gewone dopheide.

Struwelen
Sg: Op enkele nog niet bebouwde percelen in de Scheuremanswijk te Loppem heeft zich een bremstruweel gevestigd.

Sz: Hier en daar werd er opslag van allerlei aard waargenomen. Dergelijke opslag kan tot een vrij mooi struweel uitgroeien (bijvoorbeeld de Galgetoren ten noorden van Hertsberge).

Se: In praktisch elk boscomplex werden er kapvlakten aangetroffen. Op zo'n kapvlakte vestigt zich eerst een begroeiing van één- en tweejarigen die dan evolueert naar een struweel. Deze vegetatie is vooral gekenmerkt door braamsoorten, hoog opgroeiende kruiden als Wilgeroosje en later struikopslag van o.a. Ruwe berk. Op een aantal kapvlakten ontwikkelde zich, al of niet fragmentair, een droge Callunaheide, die meestal na enkele jaren overwoekerd wordt door braamstruweel.
Over het algemeen wordt de kapvlakte opnieuw beplant met voornamelijk naaldhout. Na een aantal jaren vormen de naaldbomen een aaneengesloten aanplant en verdwijnt tenslotte de kapvlaktebegroeiing bij gebrek aan licht.

So: Bij de aanwijsputten heeft er zich een vochtig struweel ontwikkeld met Grauwe wilg, Geoorde wilg, Sporkehout en bwk_88_gagelel.

Sf: Twee kleine, vochtige wilgenstruwelen werden langs de Rivierbeek te Waardamme genoteerd. De ondergroei is zeer ruig met voornamelijk Grote brandnetel.

Bossen
Deze streek is in tegenstelling tot het Zandgebied vrij bosrijk. Helaas zijn in de laatste decennia een aantal boscomplexen (zowel loof- als naaldhout) ten prooi gevallen aan villa- en/of weekendhuisverkavelingen: Tillegem (Brugge), Merkenveld (Zedelgem, Loppem), De Hoesten (Waardamme), de Hertsbergebossen (Hertsberge), de Blekkervijverbossen (Maria-Aalter).

Qb, Fb, Os, Fs: Het Eiken-Berkenbos en vooral het zure Eikenbos maken het grootste deel uit van de bossen. Deze bostypes zijn kenmerkend voor de droge tot matig vochtige, voedselarme (Fago-Quercetum) tot zeer voedselarme (Querco-Betuletum) zandgronden.

Va: In het valleistelsel van de Rivierbeek en de Kerkebeek liggen verspreid enkele, soms zeer mooi ontwikkelde, Essen-Olmenbossen. De aangeplante boomlaag wordt meestal gevormd door populier met af en toe een bijmenging van Zomereik en Gewone Es. De hakhoutstruiklaag is rijker aan soorten; Zomereik, Zwarte els, Haagbeuk, Gewone Es, Gelderse roos, Gewone iep, Vlier, Kardinaalsmuts, Aalbes... kunnen er deel van uitmaken.
bwk_86_bosanemoon

Het lenteaspect van deze bossen kan soms heel spectaculair zijn. Slanke sleutelbloem, Speenkruid, Muskuskruid, Bosanemoon, Gewone salomonszegel, Dotterbloem en nog andere soorten bedekken dan de bodem met een kleurig tapijt. Naarmate kroondek dichter wordt, verdwijnen deze voorjaarssoorten en krijgen de hoger opschietende kruiden als Valeriaan, Kattestaart, Grote brandnetel, Bosandoorn, Moerasspirea, Knopig helmkruid en Gele lis de overhand.
Twee voor deze streek zeldzame soorten, namelijk de Gulden boterbloem en de Bosgeelster, worden door enkele exemplaren op één plaats vertegenwoordigd.
bwk_84_stengelloze-sleutelbloemEen andere merkwaardigheid is het voorkomen van de Stengelloze sleutelbloem in een aantal van deze Essen-Olmenbossen. Dit is een Atlantische soort die enkel in het uiterste westen van België is te vinden. Zeer belangrijk is eveneens de groeiplaats van de hybride tussen de Stengelloze en de Slanke sleutelbloem (Primula x digenea) in twee Ulmo-Fraxinetumbossen langs de Poversbeek te Ruddervoorde (Van de Vyvere, 1958; Stieperaere 1973). In een aantal bossen van dit type zijn de vernale soorten slechts fragmentair vertegenwoordigd. Het zijn in feite sterk verruigde Essen-Olmenbossen. Hermy (1985) noemt zo'n weinig soortenrijke variant een romp- of basisgemeenschap.

Vm: Op verschillende plaatsen in het Tillegemboscomplex (vallei van de Kerkebeek) heeft zich een mesotroof Elzenbos (Carici elongatae-Alnetum) gevestigd. Het zijn hakhoutbossen met Zwarte els, Geoorde wilg, de hybride Sa/ix x multinervis, enkele Zachte berken, Wilde kamperfoelie, Kattestaart, Pluimzegge en Riet. In één klein stuk komen zelfs Moerasvaren, Zwarte bes en Elzenzegge voor.

Aanplanten
Het merendeel van de aanplanten bestaat uit naaldhout, voornamelijk Fijnspar, Den, Douglasspar en Lork. In een aantal boscomplexen nemen ze een belangrijk percentage van de oppervlakte in (o.a. de Vagevuurbossen, de Hertsbergebossen, het Bulskamp-veld), in andere zijn ze in de minderheid (bijvoorbeeld Schuurlobossen, Doeveren).

P(p)i, P(p)a, P(p)ms: Jonge tot gesloten aanplanten werden regelmatig aangetroffen. Het merendeel van de naaldhoutaanplanten echter zijn al in een verder stadium. Dikwijls bestaat de ondergroei er uit een aangesloten braamvegetatie. Pijpestrootje en een aantal varensoorten zijn ook dikwijls van de partij.

P(p)mh, P(p)mb: In sommige is er struikopslag van Ruwe en Zachte berk, Zomereik en Amerikaanse eik, Lijsterbes, Amerikaanse vogelkers en Tamme kastanje. Deze struiklaag kan heel verspreid tot vrij gesloten zijn. Verspreid liggen enkele zeer kleine populierenaanplanten met een ruige ondergroei, soms met struikopslag. In enkele werd er Fijnspar ingeplant.

N: Op enkele kapvlakten werd geen naaldhout aangeplant, wel een mengeling van enkele loofboomsoorten: Zomereik, Tamme kastanje, Paardekastanje en Gewone es. De Tamme kastanje hakhoutpercelen werden ook als N gekarteerd (Merkenveld).

Puntvormige, lijnvormige en kunstmatige elementen
Kb: De jong ontgonnen gebieden worden doorsneden door talrijke Eiken-, Beuken- en soms Populierendreven, volgens een vrij regelmatig patroon. Ze geven het landshap een typisch uitzicht. De rest van het landschap is opener van karakter. De bomenrijen die er voorkomen zijn Populieren- en Knotwilgenrijen.
De kronkelende loop van de Rivierbeek en zijn zijbeken valt in het vlakke landschap op door de begeleidende populierenrijen.

Kh: Bij enkele boerderijen werd een meidoornhaag aangetroffen.

bwk_85_aardbeiganzerikKhw: In de omgeving van Hertsberge en Oostkamp werden enkele houtkanten opgetekend. Twee ervan, gelegen in de vallei van de Rivierbeek, hebben een begroeiing die een valleibosvegetatie benadert: Gewone iep, Zwarte els, Es, Bosanemoon, Speenkruid, Grootbloemmuur, Aalbes en enkele ruige soorten (Grote brandnetel, Zevenblad, Hondsdraf en Kleefkruid.). In het meer noordelijke groeien ook nog Gelderse roos, Hazelaar, Eenstijlige meidoorn, Muskuskruid, Gewone salomonszegel en Klimop.
De begroeiing van de andere, iets noordelijker gelegen houtkanten kan uit Gewone iep, Lijsterbes, Wilde kamperfoelie, Wilg, Zomereik, Braam, Gewone esdoorn, Ruwe berk, Grootbloemmuur, Gewone ereprijs, Gewone salomonszegel, Valse salie, Gewone veldbies... bestaan.

Kj: Kleine hoogstamboomgaarden zijn te vinden bij een aantal boerderijen.

Kn: In de vallei van de Rivierbeek liggen verspreid enkele veedrinkputten.

Kpk: Kasteelparken, waarbij meestal een boscomplex hoort, zijn dicht bezaaid in deze streek. Enkele grote zijn het kasteel Bulskampeld, het kasteel Rooiveld, het kasteel De Hert (Walbrugge) en het kasteel van Loppem. Dit laatste is een fraai aangelegd park in Engelse landschapsstijl. Het is erg rijk aan stinseplanten (1): Italiaanse aronskelk, Adderwortel, Sneeuwklokje, Maarts viooltje, Kale vrouwenmantel, Grote bosaardbei, Aardbeiganzerik... (Hermy & Maene, 1982).

bwk_71_groene-zandloopkever(1) Stinsemilieus zijn in heel wat opzichten afwijkend van de directe omgeving en dit ten gevolge van menselijke activiteiten zoals vergraven, harken, wieden, bemesten, strooiselroof, bodemvermenging, aanvoer van aarde en humus... Het zijn milieus waarin een aantal die in de omgeving vrijwel niet voorkomen, zich toch bijzonder goed thuis blijken te voelen.
Voor een aantal soorten is het duidelijk dat ze in het stinsemilieu eens moeten aangeplant zijn. Voor vele andere planten die in een gegeven streek als stinseplant beschouwd worden kan het echter ook best zijn dat ze zich spontaan gevestigd hebben, gewoon omdat het door de mens gecreëerde en onderhouden milieutype voor hen prima geschikt is (Hermy & Maene, 1982).

Kq: In de streek zijn er enkele kleine boomkwekerijen.

3. Fauna-elementen

Andere fauna
In de resterende heidegebieden komt de Levendbarende hagedis talrijk voor. Heiden zijn eveneens zeer insectenrijk (o.a. Zandloopkevers, Zweefvliegen, Bijen, Vlinders...)

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.