headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Zandstreek - Het Zandgebied van Brugge-Maldegem-Eeklo + depressie van het kanaal Brugge-Gent - Conclusies

De Zandstreek - Het Zandgebied van Brugge-Maldegem-Eeklo + depressie van het kanaal Brugge-Gent - Conclusies

1. Evaluatie
Algemeen
De Zandstreek is een landbouwstreek met een zeer intensief bodemgebruik, een dicht wegennet en een grote bebouwingsdensiteit. Hierdoor is deze streek vrij arm aan waardevolle ecotopen en is de oorspronkelijke vegetatie teruggedrongen tot restanten en lineaire elementen. Deze zijn dan ook overal verspreid aanwezig en geven, samen met de vele kasteelparken, aan de streek een landschapsesthetische waarde. De enkele grotere boscomplexen als de Dalebeekbossen, Gruuthuuse, het Leen, Ryckevelde, de Malebossen en het Paddepoelebos vormen bijgevolg een belangrijk landschappelijk en biologisch aspect, evenals de heidefragmenten in het Ryckeveldedomein en de moeras- en vochtige graslandvegetaties in de Leiemeersen en langs de benedenloop van de Rivierbeek.

Karakteristieke gebieden
a. De Dalebeekbossen (Oostkamp)
Essen-Olmenbossen, grenzend aan een kasteelpark en gelegen in de vallei van de Dalebeek. Vermeldenswaard is de zeer verscheiden hakhoutlaag.

b. Bossen bij het Gruuthuusekasteel (Oostkamp)
Op de drogere bodems komt er zuur Eikenbeukenbos voor, afwisselend met Zomereik en Beuk als dominante in de boomlaag. In het valleigedeelte van de Rivierbeek heeft zich een rijkere variatie van het Eiken-Beukenbos gevestigd. Er groeien al soorten die eerder typisch zijn voor de eveneens voorkomende Essen-Olmenbossen (Bosanemoon, Muskuskruid, Speenkruid, Aalbes, Framboos, Heksenkruid...). In het deel van de vallei naast de Gruuthuusebossen liggen enkele fragmentaire Calthions.

c. De Leiemeersen (Oostkamp) (Naar Gryseels & Hermy 1981, Danneels 1983, Decleer 1983 en Decleer, 1984).
Drie ha groot complex van moeras- en hooilandvegetaties, restant van een vijftiental jaren geleden nog tien ha groot gebied. Op de natste gedeelten heeft zich een ruige rietvegetatie ontwikkeld, op de drbwk_70_aalbesogere delen een Calthion. In de overgangszone tussen deze twee vegetatietypes overheersen Moeraszegge en Moerasspirea. Dit gebied herbergt enkele zeldzame soorten namelijk Waterdrieblad en Breedbladige orchis. Moerasstruisgras, Veldrus, Blauwe knoop en Pijpestrootje wijzen op het vroegere voedselarme karakter van deze hooiweiden. Tot de eind jaren zestig kwamen hier zelfs Moeraskartelblad en Veenpluis voor (Stieperaere & Vanhecke, niet gepubliceerd). Als enig riet- en vochtig hooilandgebied in deze streek, enkele kleine stukjes in de omgeving buiten beschouwing gelaten, is het ook zeer belangwekkend voor een aantal, aan deze biotopen gebonden, diersoorten. Enkele broedvogels zijn Bosrietzanger, Waterral, Rietgors en Kleine karekiet. De amfibieën zijn vertegenwoordigd door de Alpen- en de Kleine watersalamander, de Gewone pad, de Groene en de Bruine kikker. De insectenwereld herbergt tal van soorten; enkele opvallende soorten zijn de zeldzame Moerassprinkhaan, de Nachtpauwoog, de Kettingloopkever, de Rietloopkever en de Gevlekte heidelibel.

d. Complex van enkele bossen ten noorden en ten zuiden van de spoorweg Brugge-Gent (Oostkamp)
De meeste bossen van dit complex zijn van het Eiken-Beukenbostype. Enkel het zuidwestelijke is gedeeltelijk een Essen-Olmenbos. In praktisch alle bossen werd er naaldhout en/of populier geplant. De graslanden langs de Rivierbeek, die hier al in zijn benedenloop geregulariseerd is, vertonen nog enkele Calthionfragmenten.

e. Het Ryckevelde domein (naar Decleer, 1985)
Dit domein is grotendeels gesitueerd op een oud stuifduinengebied (daterend van de jongste ijstijd), dat nu nog als een zandrug in het landschap te herkennen is. Het merendeel wordt ingenomen door Eiken-Berkenbossen en naaldhoutaanplanten. Ten zuiden van de Meersbeek ligt er zuur Eikenbos en een klein Essen-Olmenbos.
Op een stuk, dat niet beplant werd, bevindt zich een zeer interessant complex van droge heide en zuur Struisgrasgrasland met struweelopslag. Er is nog actief stuifzand waar te nemen.
Men kan er dan ook verschillende successiestadia van de kolonisatie van tot rust gekomen stuifzand bewonderen: Zandzegge en Buntgras als pioniersoorten, fraaie korstmossenbegroeiingen en heidevegetatie met Struikheide, Tandjesgras, Pilzegge, Borstelgras... Ook op faunistisch en vooral entomologisch vlak is dit een merkwaardig gebied. Enkele specifieke soorten zijn de Groene zandloperkever, de Heivlinder, het Vuurvlindertje, de Schildrupsvlinder en het Vuilboomblauwtje. Dit gebied is ook geschikt voor de Levendbarende hagedis terwijl een klein plasje dienst doet als broedplaats voor de Kleine watersalamander en de Bruine kikker. Het Ryckevelde domein is gedeeltelijk militair domein, gedeeltelijk staatswandelbos.

f. Malebossen
Complex van Eikenbos, naaldhoutaanplanten (Lork en Den) en op de vochtiger plaatsen nitrofiel Elzenbos. Het Eikenbos is vrij soortenarm: Adelaarsvaren en Bramen domineren er dikwijls. Andere soorten die meer langs de paden voorkomen zijn Tormentil, Lelietje-der-dalen en Valse salie. In het vochtige Elzenbos groeien onder andere Leverkruid, Moerasspirea, Watermunt, Keverorchis, Kale jonker, Valeriaan...

g. Vijve-Kapellebos (Sint-Kruis-Brugge)
Klein Eikenbos dicht bij de Polderstreek aan gelegen. Een restantje Struikheide herinnert aan het vroegere Maleveld waarbij het hoorde.

h. Paddepoelebos (Maldegem)
Eikenbos, eveneens dicht bij de Polderstreek gesitueerd, met veel inplant van Amerikaanse eik en Lork. De hakhoutstruiklaag is er goed ontwikkeld met Sporkehout, Lijsterbes, Hazelaar, Gewone esdoorn, Es, Zwarte els, Klimop, Ruwe berk, Tamme kastanje, Bramen en veel Wilde kamperfoelie; de Amerikaanse vogelkers, die ook wel de Bospest genoemd wordt vanwege zijn opdringerig karakter, is hier goed vertegenwoordigd. Op de lichtrijkere plaatsen groeien Valse salie en veel Wijfjesvaren. Langs de greppels komen talrijke Dubbellooftoefen voor.

i. Zonnebos (Sint-Laureins)
Klein boscomplex, gelegen op de ‘Rug van Sint-Laureins’. Dit is een west-oost-lopende dekzandrug die op de scheiding zand/ polderstreek gesitueerd is.

j. Enkele boscomplexen aan de ‘Kleine Honderd Bunders’ (Eeklo) (onder andere Sint-Jansbos)
Niettegenstaande het hier enkel naaldhoutaanplanten betreft, zijn ze toch belangrijk in deze bosarme streek. Potentieel zijn ze zeker waardevol. In de ondergroei treft men immers dikwijls een Eikenboshakhout-/kruidlaag aan.

k. Het Leen (Oostwinkel, Adegem, Waarschoot, Eeklo)
Dit complex bestaat overwegend uit gemengd loofbos van het type Fago-Quercetum. In de boomlaag is de Zomereik meestal dominant maar ook Ruwe en Zachte berk, Beuk en Amerikaanse eik komen erin voor. De hakhout/struiklaag wordt gevormd door Beuk, Hazelaar, Ruwe en Zachte berk, Zwarte els, Tamme kastanje, Lijsterbes, Es, Wilde kamperfoelie, Vlier, Gewone esdoorn, Ratelpopulier en Wilg. In de kruidlaag vindt men onder andere Adelaarsvaren, Bramen, Dubbelloof, Kussentjesmos, Stompsporig bosviooltje, Valse salie... Op sommige weinig gebruikte paden heeft er zich een vochtig Pijpestrootjesgrasland gevestigd. Enkele soorten zijn: Pijpestrootje, Biezeknoppen, Moerasstruisgras, Hazezegge, Bleke zegge, Pilzegge, Groengele zegge, Tormentil, Egelboterbloem, Zomprus, Borstelbies, Moeraswalstro en Tandjesgras. Tussen de beboste percelen liggen er hier en daar ook enkele stukjes ruig grasland die vrij soortenrijk zijn: Biezeknoppen, Pitrus, Moerasspirea, Moeraswalstro, Rolklaver, Koekoeksbloem, Leverkruid, Margriet, Veelbloemige veldbies, Reukgras, Moeras-vergeet-mij-nietje, Riet, Valeriaan, Mannetjesvaren... Sommige van deze graslandjes werden beplant met een aantal loofboomsoorten (Paardekastanje, Zomereik, Zoete kers, Lijsterbes, Zwarte els, Haagbeuk en Hazelaar).
Verspreid liggen enkele naaldhoutaanplanten (Den en Lork) met Adelaarsvaren en/of Braam in de ondergroei.
Vroeger was dit boscomplex grotendeels militair domein, de rest was privaat. Nu is 200 hectare van het Leen eigendom van de provincie Oost-Vlaanderen.
Het boscomplex is gelegen op de zuidrand van de dekzandrug Maldegem-Stekene en gedeeltelijk in de depressiezone (met veen- en mergelafzettingen) ten zuiden ervan. (Aneca et alii, red, 1985).
Ten zuiden van dit complex liggen er enkele kleine Essen-Olmenbossen die vrij soortenrijk zijn met onder andere Slanke sleutelbloem, Aalbes, Eenbes, Speenkruid... terwijl andere in de omgeving van ‘Het Leen’ eerder een fragmentair karakter vertonen van dit bostype.

l. Het Scheutbos (Lembeke)
Gedeeltelijk naaldhoutaanplanten (vooral Grove den), gedeeltelijk Eikenbos, eveneens gelegen op de rug Maldegem-Stekene. Dit complex vormt de westelijke uitloper van een veel groter geheel dat gelegen is op de kaarten 14/5 en 14/6 (bossen van de Heihoek).
Ten westen van het Scheutbos komen veel elzenkanten en kleine houtkanten (Zwarte els, Berk, Eik en Wilg) voor.

m. Bermen van het kanaal Brugge-Gent tussen Gevaerts en Hansbekeveer (Beernem, Sint-Joris ten Distel, Maria-Aalter) (naar Kuyken & Hublé 1981)
Het kanaal Brugge-Gent werd in de eerste helft van de 17de eeuw gegraven, gedeeltelijk in een al bestaande vallei namelijk die van de Zuidleie die via de Reie in het Zwin uitmondde en de vallei van de Hoge Kale die tot het rivierstelsel van de Durme behoort. Ter hoogte van Sint-Joris-Ten-Distel moest de hoogtekam die deze twee rivierstelsels scheidde doorbroken worden. Het kanaal is hier dan ook vrij diep ingesneden. Op de hoge zandige bermen, bestaande uit twee etages heeft zich een mozaïek van droge heidevegetatie, zuur Struisgras-grasland, gesloten Adelaarsvarenvegetatie, Brem- en Gaspeldoornstruweel en struweel van Zomereik, Berk, Eenstijlige meidoorn en diverse wilgensoorten gevestigd.
Interessant is hier het plaatselijk abundant voorkomen van Wilde tijm en de talrijke groeiplaatsen van de Grote bremraap.

2. Bestemming en bedreiging
Bestemmingen
Het merendeel van dit gebied staat op het gewestplan ingetekend als agrarisch gebied. De streek tussen Brugge en Maldegem, ten zuiden van Eeklo en ten noorden van Aalter kregen grotendeels een opwaardering tot waardevol landschap.
De kasteelparken (vooral rond Brugge en in de streek naar het Gentse toe) zijn parkgebieden. De bossen kregen ofwel een bestemming als natuurgebied ofwel als bosgebied. Het bos ten noordoosten van de Oostkampse agglomeratie is echter parkgebied, evenals een gedeelte van het Leen. Het Scheutbos (Lembeke) heeft jammer genoeg een woonfunctie gekregen.
Het heideveld in het Rijckeveldedomein en het hooilandcomplex van de Leiemeersen, nu allebei natuurgebied, zouden een bestemming van natuurreservaat moeten krijgen. De spoorwegputten te Oostkamp en te Steenbrugge werden als natuurgebied ingetekend; de putten van Oedelem als parkgebied.
Bij de bestaande agglomeraties zijn er telkens ruime woonuitbreidingszones voorzien. Bij Brugge, Maldegem, Eeklo en Aalter is er telkens een grote oppervlakte bestemd voor industrie. Verspreid zijn er enkele kleinere gebieden voor ambachtelijke bedrijven of voor gemeenschapsvoorzieningen. Ten noorden van Eeklo liggen drie waterwinningsgebieden.

Bedreigingen
• plassen: de meeste van de zandwinningsputten zijn in gebruik als recreatie- of visvijver wat de vestiging en ontwikkeling van water- en oeverplanten niet ten goede komt.
• moerassen en vochtige, licht bemeste graslanden: het enige moerasgebied, de Leiemeersen, is eind de jaren zestig al grotendeels verdwenen onder bagger afkomstig uit het kanaal. De rest kende wegens het verwaarlozen van het maairegime een sterke verruiging; sinds 1982 wordt er terug een regelmatig maaibeheer toegepast.
• graslanden: de intensivering en mechanisering van de landbouw met overdreven bemesting, vroegere maaidata, scheuren van graslanden, omzetting tot akker, sterkere betreding door het vee (grotere veebezetting), het gebruik van landbouwmachines, bodemverdichting en herbicidengebruik veroorzaken een sterke botanische verarming en ook ruderalisatie.
• heiden: de voornaamste bedreiging van het heidegebied in het Rijckeveldedomein is de intensieve betreding, graafactiviteiten en het bereiden met paarden of voertuigen. Ook de ontwikkeling naar struweel en uiteindelijk bos zal het verdwijnen van deze interessante vegetaties teweegbrengen (Decleer, 1985).
• bossen: (naar Hermy, 1980)
1. uitwendige bedreigingen: regularisatie en vervuiling van beken, recreatiedruk, sluikstorting, versnippering door wegen- en villabouw, inplanting van weekendverblijven met aanplant van streekvreemde soorten, veranderingen in de waterhuishouding door drainering van de omliggende cultuurlanden en wateronttrekking voor drinkwatervoorziening (vooral in bossen die in hun bestaan sterk afhankelijk zijn van de invloed van grondwater), inwaaien van kunstmest en bestrijdingsmiddelen vanuit het landbouwgebied, luchtvervuiling.
2. inwendige bedreigingen: louter op productie gerichte bosbouw zodat men over het algemeen tot soortenarme productiebossen (monoculturen) komt. Volgende bewerkingen worden hierbij toegepast: gebruik van zware machines, kaalkap, grondbewerking, bemesting, onkruidbestrijding, aanplantingen van meestal snelgroeiende, uitheemse soorten, strooiselroof.
• sloten: waterverontreiniging: mechanisch en te dikwijls reinigen. Dempen, o.m. bij ruilverkaveling. Verlaging van het waterpeil, waardoor een onnatuurlijk verloop van de waterbeweging ontstaat en veel sloten gaan droogvallen (sterfte fauna)
• houtkanten, bomenrijen, heggen: verdwijnen door schaalvergroting van de landbouw (o.m. ruilverkaveling), ruderalisering door het gebruik van kunstmest. Ze hebben ook te lijden van het verbreden van wegen en van het gebruik van strooizouten in de winter.
• wegbermen: verharden en verbreden van wegen, vergraven, intensief maaibeheer en laten liggen van maaisel, bemesting, wegzouten, uitlaatgassen, herbiciden, bodemverdichting. Vooral vegetaties op voedselarme gronden zijn aan deze bewerkingen onderhevig.

Als negatief te beoordelen zijn ook de plaatselijke zeer grote woonuitbreidingszones. Op deze manier groeien de agglomeraties zeer snel naar elkaar toe zodat de open ruimten kleiner en meer geïsoleerd worden.

3. Voorstellen voor aanleg en beheer (voor meer informatie verwijzen we naar R.l.N., 1979 en B.N.V.R., 1980)
• Plassen: gezien de achteruitgang van allerlei andere (semi-)natuurlijke, waterrijke gebieden is het voor het natuurbehoud van het grootste belang enkele recente zandwinningsvijvers tot volwaardige natuurgebieden te laten evolueren (Desmet, 1981). In deze streek komen vooral de spoorwegputten van Brugge en Oostkamp, de plassen ten zuiden van de Stockmanshoeve en de Oedelemputten hiervoor in aanmerking.
• Moerassen en vochtige, licht bemeste graslanden: het moerasgebied, de Leiemeersen, kent sinds 1982 weer een regelmatig maairegime. Hierbij worden stukken jaarlijks eind juli gemaaid om de hooilandvegetatie in stand te houden. Andere percelen worden echter om de paar jaar gemaaid om toch nog een ruigere vegetatie te behouden (belangrijk voor onder andere een aantal insecten- en spinnensoorten). In het rietland wordt er een wintermaaiing toegepast.
Na het maaien moet er telkens voor gezorgd worden dat het maaisel afgevoerd wordt, dit om een verschraling van de vegetatie te bekomen.
• Heiden: het heidegebied van Rijckevelde zou moeten gevrijwaard worden van intensieve betreding. Het kappen van een deel van de opslag zal zeker noodzakelijk zijn om de heidevegetatie te behouden. Plaggen van bepaalde stukken zou ook interessant zijn evenals het kappen van enkele naaldhoutpercelen in het Rijckeveldedomein (zonder ze opnieuw te beplanten).
Voor bossen kunnen de uitwendige bedreigingen afgeremd worden door de aanwezigheid van een bufferzone, bijvoorbeeld een strook weinig bemest grasland of een struweel. Landbouwperceeltjes die midden in een aaneengesloten bosgebied liggen zouden niet fel mogen bemest worden. Het inwendig, natuurtechnisch bosbeheer moet erop gericht zijn de natuurlijkheid van het bos op te voeren t.a.v. de menselijke invloed. Zo kunnen binnen één groter boscomplex diverse beheersvormen naast elkaar bestaan, variërend van vrij intensief (onder andere hakhoutcultuur) naar niets doen. Maatregelen die tot de verhoging van de ecologische diversiteit kunnen leiden zijn: selectieve kap (daardoor ontstaan er verschillende leeftijdsgroepen), spontane opslag in plaats van aanplant (daardoor wordt de dominantie van één bepaalde soort uitgeschakeld), verwijderen van exoten, afschaffen van strooiselroof, laten staan van dood hout, vermijden van bodemverstoring door zware machines...
• Sloten: het beheer moet gericht zijn op het behoud van de watervoerende functie en van de biologische kwaliteiten. Zo moeten o.m. de werkzaamheden in het broedseizoen beperkt zijn, water- en oevervegetatie moeten zoveel mogelijk in de winter verwijderd worden. Het onderhoud moet met natuurtechnische middelen gebeuren; hierbij moet gezorgd worden voor de variatie in tijd, afmeting, stroming en de voedselrijkdom. Het gebruik van de klepelmaaier en herbiciden is volledig af te raden.
Wanneer er toch mechanisch gereinigd wordt, mag dit enkel vanaf één oever gebeuren, hoogstens eenmaal om de twee of drie jaar. Waar de belendende vegetatie te kwetsbaar is moet het onderhoud met handkracht gebeuren.
• Houtkanten, bomenrijen en heggen moeten behouden blijven. De vroegere beheersvormen zoals knotten, hakhoutbeheer, snoeien, enz... moeten zoveel mogelijk terug toegepast worden. In biologisch opzicht is het nochtans interessant de heggen waar mogelijk te laten verwilderen.
• Het beheer van wegbermen bestaat naast het afweren van nivellerende invloeden, uit een extensief maai- of, indien mogelijk, graasbeheer. Het bermbesluit van 27/06/84 zou hiervoor moeten instaan.

Afdrukken E-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.