headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Zandstreek - Het Zandgebied van Brugge-Maldegem-Eeklo + depressie van het kanaal Brugge-Gent - Biologisch milieu

De Zandstreek - Het Zandgebied van Brugge-Maldegem-Eeklo + depressie van het kanaal Brugge-Gent - Biologisch milieu

1. Landschapsecologische situering/Ontstaansgeschiedenis (naar Daels, 1962 en Verhulst, 1964)
Het Vlaamse zandgebied is een overwegend oud ontginningslandschap. Dit cultuurlandschap ontstond in de middeleeuwen. Indertijd was er een sterke bevolkingsaangroei waardoor de mensen verplicht waren het landbouwareaal te vergroten door ‘woeste’ gronden te ontginnen. Deze ‘heide’velden waren waarschijnlijk ontstaan door degradatie van het oorspronkelijke loofbos. Deze degradatie kan onder andere het gevolg geweest zijn van overmatige beweiding, wilde ontginningen, roofbouw en lichte klimaatswijzigingen.

De toen gangbare landbouwtechnieken lieten immers geen intensiever gebruik van de al ontgonnen gronden toe. Eveneens vanwege de beperkte middelen was het ontginningspatroon grillig en mozaïekachtig; een uitzondering hierop vormt echter het gebied ten oosten van het Schipdonkkanaal (Kaartblad 13/3-4) waar de percelen reepvormig (lang en smal) zijn volgens een vrij regelmatig patroon. Er ontstonden kleine akkers en weiden, meestal afgegrensd door hagen of bomenrijen, dus een gesloten landschap.

Tot het begin van de 18de eeuw was deze streek nog relatief dicht bebost. Tengevolge van een nieuwe bevolkingsexplosie in deze eeuw, ontstond er een nijpend tekort aan voedsel en hout. Het gevolg was dat vele bossen gerooid werden.

bwk_64_verschuiving-bosTot in de 18de eeuw lagen er in het gebied rond Brugge eveneens enkele velden: onder andere het Bulskampveld, het Beverhoutsveld, het Maleveld, het Maldegemveld, het Sijsseleveld, het Sint-Andriesveld en het Vloetenveld). Dit waren ‘woeste’ gronden hoofdzakelijk bestaande uit heide met hier en daar struikopslag. Deze heidevelden waren ontstaan door degradatie van het oorspronkelijke loofbos. Deze degradatie kan onder andere het gevolg geweest zijn van bosvernietiging door overmatige beweiding, wilde ontginningen, slecht bodemgebruik en lichte klimaatswijzigingen. Deze soms uitgestrekte gebieden werden als ‘gemene gronden’ gebruikt door de omwoners. Ze lieten er hun vee op grazen. Omwille van de arme bodem en ook vanwege de rechten die de omwoners hadden op deze velden waren ze tot dan toe niet of nauwelijks ontgonnen, enkele mislukte pogingen in de 13de eeuw niet te na gesproken. Als gevolg van de al vermelde bevolkingsexplosie in de tweede helft van de 18de eeuw werd ook gepoogd om deze ‘velden’ om te zetten in landbouwgrond. In vele gevallen mislukten deze pogingen en werden ze, om ze toch enigszins rendabel te maken, gedeeltelijk of geheel omgeploegd en beplant eerst met loofhout, daarna overwegend met naaldhout. Den, Spar en Lork zijn immers vlugge groeiers; op kortere termijn zijn ze dus rendabeler. Het hout van deze naaldhoutsoorten werd vooral aangewend in de mijnbouw. De loofbosgordels rondom de velden werden grotendeels gerooid ten behoeve van de stijgende vraag naar hout. Er trad dus een inversie van het landschap op.

Verschuiving van het bos in de tweede helft van de 18de eeuw

Een aantal van deze beboste velden werd naderhand (na 1897) geheel of gedeeltelijk toch omgezet in akkers. Het omschakelen van deze arme bodems tot landbouwgrond werd dan immers mogelijk gemaakt onder andere door de opkomst van guano als meststof. De ontginning van deze velden, zowel de bebossing als de latere omschakeling tot landbouwgrond, werd systematischer doorgevoerd dan in de Middeleeuwen; het perceleringspatroon is er dan ook regelmatiger en wordt vaak gemarkeerd door Beuken- en Eikendreven: het jong ontginningspatroon.

In dit gebied zijn de jonge ontginningen in vergelijking met die van de streek van Beernem en de Cuesta Oedelem-Zomergem niet zo talrijk en uitgestrekt.
De bewoning is er dicht (in grote tegenstelling met de polders); de dorpen en gehuchten vertonen meestal lintbebouwing. De agglomeratie van Brugge neemt een belangrijke oppervlakte in.

2. Kenmerkende vegetatietypen (Karteringseenheden)
Open waters
Alle plassen die men hier aantreft, zijn van antropogene oorsprong. Niettegenstaande het allemaal gewezen zandwinningsputten – het gewonnen zand werd voornamelijk voor de aanleg van (spoor-)wegen aangewend – zijn, kan de begroeiing verschillen naargelang de ouderdom en de diepte van de plas en naargelang de hellingsgraad van de oevers.

Ae: De meest voorkomende planten in de ondiepe plassen zijn Gedoomd hoornblad, Waterranonkel- en Sterrekroossoorten, Veenwortel en soms Gele plomp.

Aer: De vegetatie in de recente plassen is meestal vrij fragmentarisch. In sommigen wordt de ontwikkeling zelfs verhinderd doordat er te veel vis in de plas wordt uitgezet.

Aev: Enkele putten dateren al van het begin van deze eeuw. Het Vijverhof was vroeger rijk aan water- en oeverplanten. Door het uitzetten van een overpopulatie Knobbelzwanen, het verstevigen van de oevers en de pogingen tot zogenaamde verfraaiingen is deze weelderige vegetatie sterk gereduceerd (Desmet, 1981). In de spoorwegput te Steenbrugge is de vegetatie beter bewaard gebleven terwijl in het kleinste spoorwegplasje te Oostkamp zelfs tot zeer kort Pijlkruid voorkwam.
In de oude kanaalarm ten zuiden van Knesselare, eveneens als Aev gekarteerd, groeit Gele pomp.

Ap: Vrij diepe tot diepe plassen met steile oevers bieden weinig kans aan waterplanten om een goede watervegetatie te ontwikkelen.

Moerassen
Mr: Langs sommige van de hierboven besproken plassen heeft zich, al of niet fragmentair, een rietkraag kunnen ontwikkelen. Kenmerkende soorten hier zijn Riet, Grote lisdodde, Wolfspoot, Moerasvergeet-mij-nietje, Waterbies, Grote waterweegbree, Zomprus en op één plaats zelfs Zeebies.
De natste gedeelten van de Leiemeersen (Oostkamp) worden ingenomen door een ruige rietvegetatie. Naast het dominerende Riet groeien hier ook Grote lisdodde, Waterzuring, Gele lis, Blauw glidkruid, Bitterzoet, en de ruigtekruiden, Moerasspirea en Harig wilgeroosje, Grote brandnetel en Leverkruid.

Mc: In de natte, greppelvormige depressies van een klein weilandcomplex ‘De Moerkens’ (Waarschoot) komt een Grote zeggenvegetatie voor met onder andere Geverzegge, Scherpe zegge en Tweerijige zegge.

Graslanden
He, Hm°: Vochtige hooilanden zijn net als rietland een zeldzaam biotoop in deze streek. In de vallei van de Rivierbeek langs de Gruuthuusebossen liggen twee dergelijke kleine percelen. In het kleinste zijn Scherpe zegge en Watermunt aspectbepalend. In het grootste is, vanwege de sterke bemesting, de Calthionvegetatie slechts fragmentair ontwikkeld. In de Centerloop te Zomergem bevindt er zich ook een heel klein vochtig hooilandje.
Op de iets drogere delen in de al vernoemde Leiemeersen is dit vegetatietype beter vertegenwoordigd met enkele kenmerkende soorten namelijk Dotterbloem, Tweerijige zegge, Holpijp, Koekoeksbloem en een paar prachtige, zeldzame soorten namelijk Breedbladige orchis en Waterdrieblad. Moerasstruisgras, Veldrus, Blauwe knoop en Pijpestrootje wijzen op het vroegere voedselarme karakter van deze hooiweiden.
Op enkele niet verharde paden in ‘Het Leen’ bij Eeklo heeft zich een vochtig Pijpestrootjesgrasland gevestigd met onder andere Moerasstruisgras, Bleke zegge, Pilzegge en Groengele zegge.

Hf: In de hierboven besproken Leiemeersen vormt een Filipendulionvegetatie de overgang tussen het rietland en het Calthion. De dominerende soorten zijn hier Moerasspirea en Moeraszegge. Verder groeien er ook Valeriaan, Engelwortel, Moerasandoorn... en enkele soorten vanuit de aangrenzende vegetaties.

Hf: In de rest van de Zandstreek is het Filipendulion praktisch enkel vertegenwoordigd langs een aantal sloten. Enkele typische soorten zijn Moerasspirea, Gewone kattestaart, Grote watereppe, Grote waterweegbree, Wederik, Leverkruid, Grote lisdodde, Valeriaan...

bwk_66_zandblauwtjeHa: Acidofiel Struisgrasgrasland komt als wegbermbegroeiing voor langs sommige wegen. Enkele typische soorten zijn Fijn zwenkgras, Schapezuring, Zandblauwtje, Hazepootje, Sint-Janskruid, Gewoon struisgras en Zandstruisgras. Enkele mooie zure graslandjes zijn te vinden op de oude stuifduinen van Rijckevelde.

Hu: Enkele wegbermen, maar vooral de bermen van de kanalen die door dit gebied lopen herbergen een bloemrijke vegetatie. Fluitekruid, Duizendblad, Frans raaigras, Knautia, Vogelwikke, Veldlathyrus, Klaproos, Margriet, Veldzuring, Knoopkruid en Grootbloemmuur horen dikwijls tot dit gezelschap.

Hp, Hx: Vrijwel alle graslanden in dit landschap worden sterk bemest. Ze zijn meestal weinig soortenrijk (arme variant van Hp) tot zeer soortenarm (Hx). Sommigen zijn maar tijdelijk als grasland in gebruik. Het was dus onmogelijk en weinig zinvol om ze apart in te tekenen. Ze werden dan ook meestal in complex gebracht met de omliggende akkers.

Hr: Verwaarloosde graslanden werden aangetroffen in enkele verkavelingen op een aantal nog niet bebouwde percelen.

Heiden
Cg, Cp: Restanten van droge heidevegetaties zijn enkel nog te vinden in de meer recent ontgonnen gebieden: in het kleine bos van het Maleveld en in het domein van Rijckevelde.
Langs het oude kanaaltraject tussen Beernem en Sint-Joris, vooral op de tussenetage, komt er ook een droge heidevegetatie voor.
Kenmerkende soorten zijn Struikheide, Pijpestrootje, Fijn zwenkgras, Schapezuring, Liggend walstro en soms Adelaarsvaren. Wanneer deze laatste een dominerend karakter krijgt dan werd het als Cp gekarteerd.

Cgb: Op sommige percelen kan men al de successie naar bos waarnemen. Vooral de Ruwe berk is hier een pioniersoort, eventueel begeleid door Ratelpopulier.

Struwelen
Sg: Verspreid langs enkele verlaten spoorwegbermen en op enkele braakliggende percelen heeft zich een bremstruweel gevestigd.

Sp: Doornstruwelen zijn niet erg talrijk in deze streek. Het zijn meestal uitgegroeide meidoornhagen. Andere soorten als Sleedoorn, Hazelaar, Vlier, Bramen en Gewone iep kunnen er echter ook in voorkomen.

Se: Er werden enkele kapvlakten genoteerd. Op zo'n kapvlakte vestigt zich eerst een begroeiing van één- en tweejarigen; geleidelijk neemt struikopslag dan de overhand (cfr. Mac-Lood 1894). Dergelijke vegetaties zijn vooral gekenmerkt door hoogopschietende kruiden als Wilgeroosje, door bramen en door enkele pioniersoorten als Ruwe berk. Meestal worden deze kapvlakten terug beplant met vooral naaldhout. Na een aantal jaren vormen de naaldbomen een aaneengesloten aanplant en verdwijnt tenslotte de kapvlaktebegroeiing bij gebrek aan licht.

Sz: Opslag van vooral Berk, Eik en Wilg werd verspreid aangetroffen.

Sf: Vochtige wilgenstruwelen zijn, net als de andere vegetaties van vochtige milieus, op één hand te tellen. In de kruidlaag hebben zich onder andere Riet en enkele zeggesoorten gevestigd.

Bossen
Alhoewel op het eind van de 18de eeuw dit gebied nog vrij bosrijk was, is van dit bosareaal weinig overgebleven. De meeste bossen werden immers gerooid in de daaropvolgende eeuw. Nu zijn het meestal kleine, verspreid liggende bospercelen. Enkele grotere complexen zijn het Rijckeveldebos, het ‘Male’-bos, het Paddepoelebos, het Leen, de Dalebeekbossen en de bossen bij het kasteel Gruuthuuse.
De huidige bossen zijn sterk beïnvloed door de mens. De boom- en soms ook de struiklaag werd meestal aangeplant. De kruidlaag kon zich echter vrij natuurlijk ontwikkelen alhoewel ook hier de menselijke invloed merkbaar is (sterke betreding, inwaaien van kunstmest, aard van de aangeplante boomlaag...). Door het meestal intensief bosbouwkundig beheer is het soortenaantal in vele bossen gedaald. Het vervangen van de oorspronkelijke boomsoorten door exoten (voornamelijk coniferen) is de oorzaak van de achteruitgang van de typische levensgemeenschappen (Hermy, 1980).
De syntaxonomie die hier voor de bossen aangehouden wordt is meestal volgens Noirfalise, Stieperaere en Vanhecke (1980), alhoewel ze in veel gevallen nauwelijks kan toegepast worden in dit gebied waar tegenstellingen tussen associaties (‘volledig’ ontwikkeld) en rompgemeenschappen (met verzadigde gemeenschappen op ‘jonge’ bodems) uitgesproken zijn (Hermy, 1985). Onderscheid maken tussen de verschillende bostypes zoals Hermy heeft naar voor gebracht zou ons echter bij deze globale kartering te ver voeren.

bwk_68_gelderse-roosQs, Fs, Qb, Fb: De loofbossen op droge tot matig vochtige, arme zandbodem behoren overwegend tot het zure Eiken-Beukenbos (Fago-Quercetum) (1). Op zeer arme grond vinden we het Eiken-Berkenbos (Querco-Betuletum). Doordat de boomlaag over het algemeen kunstmatig aangelegd is, is ze meestal eenvormig met Zomereik en Beuk als meest voorkomende boomsoorten. Heel dikwijls werden er exoten aangeplant onder andere Amerikaanse eik, Gewone esdoorn, Tamme kastanje, Amerikaanse vogelkers, Rododendron, Fijnspar, Douglasspar en Lork die soms de andere soorten als Zomereik, Ruwe berk, Lijsterbes en Sporkehout in boom- of hakhoutlaag gaan domineren. De kruidlaag van het Eiken-Berkenbos blijft beperkt tot enkele soorten als Zachte witbol, Pijpestrootje, Adelaarsvaren, Dubbelloof en één enkele keer Hengel, maar kan opvallend mossenrijk zijn. Enkele typische mossen zijn Kussentjesmos, Gewoon Gaffeltandmos, Klauwtjesmos, Bronsmos en Gewoon haarmos. In het verwante Eiken-Beukenbos wordt de lage struiklaag, die niet erg soortenrijk is, dikwijls gedomineerd door Bramen.
bwk_67_dalkruidKarakteristiek voor het Violo-Quercetum roboris zijn Klimop, Gewone salomonszegel, Lelietje-der-dalen, Dalkruid en Stompsporig bosviooltje. Enkele percelen van het Gruuthuuse-complex zijn soortenrijker dan de doorsnee Eiken-Beukenbossen in deze streek. Men vindt er al elementen in van het Eiken-Haagbeukenbos.

Va: Het Essen-Olmenbos (Ulmo-Fraxinetum) is vertegenwoordigd in de Dalebeekbossen, de Gruuthuusebossen en in een boscomplex grenzend aan de spoorweg Brugge-Gent, allen te Oostkamp gelegen. De boomlaag wordt er gevormd door Populier, Es, Zomereik en soms Gewone iep. In de hakhout-struiklaag vinden we onder andere Es, Zwarte els, Zachte berk, Vlier, Gelderse roos en Vogelkers terwijl de lage struik-kruidlaag bepaald wordt door onder andere Klimop, Bramen, Aalbes, Heksenkruid, Muskuskruid, Gewone salomonszegel, Speenkruid, Bosanemoon, Boszegge, enz... In het Rijckeveldedomein en ten zuiden van ‘Het Leen’ liggen er enkele Essen-Olmenbossen. Vooral die in de omgeving van het Leen zijn vrij rijk aan soorten: Slanke sleutelbloem, Aalbes, Eenbes, Nagelkruid, Speenkruid, Engelwortel, Moerasspirea...
In een aantal bossen van dit type zijn de vernale soorten slechts fragmentair vertegenwoordigd. Dergelijke varianten worden door Hermy (1985) romp- of basisgemeenschappen genoemd. Door een andere voorgeschiedenis en verschillende fysicochemische factoren ontbreken hier een aantal ‘bos’-soorten.

Vn: Nitrofiel Elzenbos werd aangetroffen in de ‘Malebossen’ en verder als kleine bospercelen. Typische soorten hier zijn Zwarte els, Vlier, Bitterzoet, Hop, Valeriaan, Grote brandnetel, Bosandoorn, Zevenblad, Moerasspirea en Leverkruid terwijl de boomlaag gevormd wordt door aangeplante Populier.

Vm: Een deel van een bosje ten zuiden van ‘Het Leen’ benadert het best het mesotroof Elzenbos. Enkele soorten zijn Zwarte els, Geoorde wilg, Moeraszegge, Scherpe zegge, Bitterzoet... Het ander deel dat iets droger is, is een Essen-Olmenbos.

Vo: Aanpalend aan twee van de drie spoorwegputten te Oostkamp is fragmentair een oligotroof Elzenbos (Blechno-Alnetum of Sphagno-Alnetum) tot ontwikkeling gekomen. In dit hakhoutbosje komen Zomereik, Zwarte els, Zachte berk, Ratelpopulier en Waterwilg voor en sporadisch enkele veenmospaketten. De kruidlaag van dergelijke bossen is meestal weinig ontwikkeld.

bwk_38_keverorchisRu: In het gewezen kasteelpark aan het Waggelwater is er een ruderaal Olmenbos ontstaan. In de boomlaag domineert Gewone esdoorn maar ook Es en Gewone iep maken er deel van uit. De struiklaag wordt gevormd door Vlier, Gewone esdoorn en Eenstijlige meidoorn en de kruidlaag door Klimop, Hondsdraf, Speenkruid, Nagelkruid, Grote brandnetel, Keverorchis en Maarts viooltje.

Aanplanten
P(p)i, P(p)a, P(p)mh, P(p)ms, P(p)mb, P(p)m/Qs: De overwegende boomsoorten in de naaldhoutaanplanten zijn Grove den en Lork, soms ook Fijnspar. Er werden enkele jonge tot gesloten aanplanten aangetroffen. Het merendeel is echter ouder met een specifieke ondergroei. Eén enkele keer kan deze grazig zijn; meestal echter bestaat ze uit Adelaarsvaren, Bramen of struikopslag. In sommige gevallen is de ondergroei geëvolueerd naar het Eiken-Beukenbostype.

Lsh, Lsb, Lhi, Lhb: Verspreid liggen enkele kleine populierenaanplanten. Deze op droge grond hebben een grazige kruidlaag of er is struikopslag terwijl die op vochtiger grond eerder een ruderale ondergroei vertonen al of niet met struikopslag.

N: De meest aangeplante soorten zijn Tamme kastanje en Gewone esdoorn. Sommige percelen in het Leen werden beplant met Paardekastanje, Zomereik, Hazelaar, Zoete kers, Lijsterbes, Zwarte els en Haagbeuk.

Puntvormige, lijnvormige en kunstmatige elementen
Kb: Dit landschap wordt gekenmerkt door het groot aantal bomenrijen, voor het merendeel bestaande uit populieren en knotwilgen. Er zijn ook Eiken- en soms Beukendreven. In het oostelijk gedeelte bepalen elzenkanten mee het uitzicht. Er is een tendens om een deel van deze bomenrijen te liquideren. Hier en daar is dat al te merken (vb. tussen Lovendegem en Zomergem).

Kh, Kj, Kl: Meidoornhagen en kleine hoogstamboomgaarden zijn enkel gesitueerd bij de rurale bebouwing. Er werden ook enkele laagstamboomgaarden genoteerd. Ten zuiden van Eeklo liggen er enkele grotere boomgaarden (zowel met hoogstam- als laagstamfruitbomen).

Ks: De oude spoorweg Brugge-Maldegem werd omgevormd tot een wandelfietspad. Op sommige plaatsen werden de bermen ingenomen door struikopslag van onder andere Zomereik, Eenstijlige meidoorn, Amerikaanse vogelkers, Zwarte els, Wilg, Bramen en Brem of een kruidenvegetatie met onder andere Sint-Janskruid, Muizeoor, Valse salie, Gewoon struisgras, Schermhavikskruid, Zandzegge, Smalle weegbree, Biggekruid, Zandblauwtje en Reukgras.
Langs bepaalde stukken van de oude spoorweg Eeklo-Kaprijke is er eveneens een dergelijke ontwikkeling.

Ku: Hier en daar kan men een ruderale vegetatie tegenkomen. Dergelijke vegetaties vestigen zich meestal op sterk gestoorde grond.

Kc: Er zijn twee zandgroeven aangetroffen, één te Eeklo en één te Sijsele.

Kd: Langs het Leopold- en Schipdonkkanaal komen dijken voor. Ze zijn overwegend beplant met populieren. Verspreid kan er ook een bloemenrijke kruidenvegetatie tot ontwikkeling gekomen zijn.

Km: Op de oude kademuren langs de reien te Brugge treft men regelmatig een typische begroeiing aan. De kenmerkende soorten van een dergelijke vegetatie zijn Muurleeuwebek, Eikvaren, Klein glaskruid, Muurvaren, Liggend vetmuur en Gele helmbloem. Deze planten vestigen zich in barsten en spleten, die ontstaan door erosie van de muren, vooral van de voegspecie.

Ko: In het grensgebied Brugge-Damme-Sijsele ligt een stort. In de tijd tussen het karteren en het verschijnen van deze kaart is deze ondertussen in omvang toegenomen. Te Moerbrugge (Oostkamp) werd één klein stort opgetekend, te Beernem twee.

Kp: Parken zijn vooral te vinden in de grotere agglomeraties. Vermeldenswaard zijn onder andere de oude vestingen en het oude kerkhof van Brugge; deze hebben ook een historische betekenis. Het Sebrechtspark, in het centrum van Brugge gelegen, herbergt een prachtige stinsevegetatie.

Kpk: Kasteelparken gaat men eerder aantreffen in de periferie van de steden. Vooral de Brugse omgeving is dik bezaaid met dergelijke parken. Ook naar het Gentse toe, in de omgeving van Lovendegem, liggen een aantal kasteelparken dicht bij elkaar.

Kq: In de buurt van Maldegem zijn er enkele belangrijke boomkwekerijen. Ten westen van Brugge liggen enkele kleine serrebedrijven.

Kz: Het stuk tussen het rechtgetrokken kanaal Brugge-Gent en de oude loop werd als Kz gekarteerd.

3. Fauna-elementen
De bossen in dit gebied zijn uiteraard belangrijk als broedgebied voor tal van zangvogels waaronder enkele minder algemene soorten als het Vuurgoudhaantje, de Staartmees, de Wielewaal, de Goudvink, de Kuifmees, de Grauwe vliegenvanger, de Fluiter en de Groene specht. Ook voor sommige nachtroofvogels, namelijk de Ransuil en de Steenuil, dienen ze als broedplaats. Andere roofvogels gebruiken deze bossen als rustplaats. De nabijgelegen polders fungeren dan als foerageergebied. Ook heggen en bomenrijen zijn belangrijk voor zangvogels. In het moerasgebied van de Leiemeersen en het heideveld in het Ryckeveldedomein komen specifieke diersoorten voor: zie gebiedbespreking.

(1) Volgens Hermy (1985) is het Fago-Quercetum een te ruime associatie, die beter kan opgedeeld worden. De bossen, hier als Fago-Quercetum aangeduid, zijn dan onder te brengen in het Violo-Quercetum roboris (Doring, H. 1962).

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.