headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Polders - Het Oudland en het Middelland - Biologisch milieu

De Polders - Het Oudland en het Middelland - Biologisch milieu

1. Landschapsecologische situering/Ontstaansgeschiedenis

(naar Verhulst, 1964 en naar: zie Fysisch milieu)

Na de bedijking van de polderstreek (dit gebeurde in verschillende perioden) werd het gebied kunstmatig ontwaterd. De verschillende materialen waaruit de polderbodems zijn opgebouwd krompen daardoor in en het oppervlak daalde soms aanzienlijk. De intensiteit van de inkrimping en dus ook van de oppervlaktedaling was afhankelijk van de aard van het materiaal; veen klinkt sterk in, zand bijna niet en klei in geringe mate. Ook de dikte van de lagen speelde een belangrijke rol: een dikke veenlaag kromp uiteindelijk meer in dan een dunne. Ten gevolge van de verschillende graad van inklinking is de daling van het oppervlak niet overal even groot geweest. De stroken waar het veen weggeslagen was en die opgevuld waren met zand namelijk de kreken, klonken bijna niet in. Deze oorspronkelijk zwakke depressies liggen nu hoger (kreekruggen) dan de gebieden met venige ondergrond die aanvankelijk nochtans het hoogst lagen maar sterk inklonken (kommen). Dit proces waarbij het reliëf van de polderstreek plaatselijk gewijzigd werd, wordt inversie genoemd (inversiereliëf). Op een nog andere manier is het reliëf enigszins veranderd namelijk door het plaatselijk uitvenen (ontginning van het veen als brandstof) en uitbrikken (ontginning van de polderklei voor de vervaardiging van bakstenen) ontstonden lager gelegen gebieden (microreliëf). Deze depressies zijn te herkennen aan hun geometrische vorm. Op de hoger gelegen delen (de kreekruggen en donken) zijn de akkers gesitueerd. In de kommen vindt men grote weilandcomplexen met microreliëf die doorkruist worden door een waternet van sloten. Deze sloten hebben dikwijls een bochtig en onregelmatig verloop. Dit komt doordat bij de eerste ontginningen vertrokken werd van de bestaande kreekjes en hun vertakkingen. Deze werden met elkaar verbonden en tot een fijn netwerk uitgebouwd (Edelman, 1947, Tavernier, 1947 en Vanhecke, 1977).

Het Oud- en het Middelland zijn schaars bebouwd. In het Oudland is nagenoeg alle bewoning gelokaliseerd op de kreekruggen en donken (zowel de verspreide hofsteden als de dorpen) terwijl in het Middelland de bewoning meer regelmatig verspreid is. Het perceleringspatroon van het Oudland verschilt enigszins van dat van het Middelland; in het Oudland komen er onregelmatige perceelsvormen voor als gevolg van de weinig georganiseerde ontginning. In het Middelland zijn de perceelsvormen iets regelmatiger als gevolg van de meer systematische ontginning.

2. Kenmerkende vegetatietypen (Karteringseenheden)

Open waters
De plassen, in dit gebied gelegen, zijn antropogeen ontstaan. Het zijn gewezen zand- of kleiwinningsputten, de meeste van tamelijk recente tot zeer recente oorsprong.

Ah: Het overgrote deel van deze putten is min of meer brak. Een paar kenmerkende soorten van de soms fragmentaire watervegetatie zijn Zannichellia, Zilte waterranonkel, Grote kroosvaren en Schedefonteinkruid.

Aer: De recente zoetwaterplassen bevatten een weinig ontwikkelde begroeiing.

bwk_48_gele-plompAev: Van de vroeger mooi ontwikkelde watervegetatie in de Damse vaart (daterend van het begin van de 19de eeuw) met als opvallendste soorten Witte waterlelie en Gele plomp is tegenwoordig niet veel meer terug te vinden (uitzondering vormt het oostelijke traject naar de Nederlandse grens toe, in het Nieuwland gelegen). De enkele groeiplaatsen van de zeldzame Watergentiaan zijn helemaal verdwenen.

Ap(p): Er werden enkele diepe tot zeer diepe putten gekarteerd. In dergelijke putten komt er enkel een zeer fragmentaire vegetatie tot ontwikkeling.

Moerassen
Mr: Langs en in de sloten komen er een aantal oever- en waterplanten voor; bij goed ontwikkelde vegetatie, werd er Mr° (fragmentair rietland) bij het symbool Hpr of Hp gevoegd. Deze slootbegroeiingen kunnen heel mooi zijn. Enkele soorten die tot deze begroeiing behoren zijn Gele waterkers, Waterbies, Pijptorkruid, Groot moerasscherm, Watertorkruid, Grote egelskop, Kleine watereppe... terwijl men op en onder het wateroppervlak Gedoomd hoornblad, Aarvederkruid, Gewone waterpest, Fonteinkruidsoorten, Waterranonkelsoorten, Klein kroos, Bultkroos, Sterrekroossoorten kan aantreffen evenals de voor de polders typische soorten namelijk Zannichellia en Grote kroosvaren.Op enkele erg vochtige plaatsen hebben zich rietlanden kunnen vestigen. Ze zijn niet erg soortenrijk maar herbergen wel enkele minder algemene soorten als Mattenbies en Rietorchis.

Md: Een deel van de brede grachten behorend tot de oude vestingen van Damme, zijn mettertijd dichtgegroeid met overwegend rietland. In de stukken ten westen van de Damse vaart heeft er zich een prachtige verlandingsvegetatie gevestigd met onder andere riet, zeggebulten, wilgenstruweel en moerasbos. Ook de oude hoofdgracht van het gewezen Fort van Beieren te Koolkerke is al gedeeltelijk toegegroeid met een rietvegetatie. Plaatselijk is er zelfs drijfzoomontwikkeling.

Mc: In sommige weiland- en rietcomplexen zijn enkele Grote zeggenvegetaties tot ontwikkeling gekomen met vooral Geverzegge, Tweerijige zegge, Moeraszegge en Valse voszegge.

Graslanden
bwk_65_koekoeksbloemHc: Verspreid liggen er nog enkele zeer kleine, vochtige hooilanden (He, Hc°) waarin volgende soorten kunnen voorkomen: Koekoeksbloem, Poelruit, Moeraswalstro, Veldlathyrus, Kale jonker, Pijptorkruid, Gele lis, Zompvergeetmenietje en Riet. Opvallend is dat in de polders één van de meest typische soorten van het Calthion namelijk de Dotterbloem niet vertegenwoordigd is. Men kan dan ook spreken van een poldervariant van het Calthion.

Hd: Dat er kalkrijk duingrasland voorkomt in de polders lijkt een beetje verwonderlijk. De bermen van het Boudewijnkanaal bestaan namelijk uit kalkrijk zand waarop zich een dergelijke vegetatie heeft gevestigd. Er groeien soorten als Geel walstro, Ruige scheefkelk, Kleine ratelaar, Blaassilene, Geelhartje, Wondklaver, Zeegroene zegge en Muskuskaasjeskruid. Plaatselijk komen enkele fraaie orchideeënsoorten voor namelijk Gevlekte orchis, Rietorchis, Vleeskleurige orchis en de zeer zeldzame Bijenorchis.

Hu: De wegbermen zijn dikwijls begroeid met een bloemrijke vegetatie. Hier en daar werd dit aangeduid met Hu (het betreft hier eerder toevallige vondsten dan een systematische kartering). Dergelijke wegbermen komt men in de polders nog regelmatig tegen. Zo'n vegetatie wordt gevormd door onder andere Wilde peen, Frans raaigras, Pastinaak, Bereklauw, Kruiskruidsoorten, Kraailook, Duizendblad, Wikke- en Klaversoorten, Veldlathyrus, Gele morgenster.

Hp: Op de kreekruggen ligt het percentage weiland duidelijk lager dan het percentage akkerland. Doordat deze graslanden over het algemeen intensief bemest en begraasd worden zijn ze vrij soortenarm.

Hpr: De komgronden worden hoofdzakelijk ingenomen door grote weilandcomplexen. De meeste hiervan bezitten een uitgesproken microreliëf. In de vochtige tot natte depressies groeien er een aantal specifieke soorten die niet voorkomen op de hoger gelegen delen, onder andere Rode waterereprijs, Waterbies, Geknikte vossestaart, Zomprus, Blaartrekkende boterbloem en Mannagras. Een merkwaardige en typische, zij het vrij zeldzame poldersoort is de Lidsteng. Deze groeit in een ruime verscheidenheid van biotopen die als voornaamste gemeenschappelijk kenmerk hebben, dat alle minstens een gedeelte van het jaar onder water staan, zoals de hierboven vernoemde depressies (Vanhecke, 1976a).

Hx: Extreem soortenarme graslanden zijn hier nog niet zoveel te vinden. Het zijn meestal tijdelijke, ingezaaide hooilanden of -weiden. Naarmate de huidige bemestingsgraad en begrazingsdruk van de gewone graasweiden (Hp) gehandhaafd blijven of zelfs groter worden, zullen meer en meer permanente graslanden naar dit type evolueren.

Hr: Er werden enkele geruderaliseerde, verlaten graslanden opgetekend. Ze nemen weinig oppervlakte in.

Schorren
bwk_51_zeekraalDa: In enkele van de hierboven besproken depressies (vooral in de weilanden gelegen langs het Boudewijnkanaal waar er insijpeling is van zout water) groeien min of meer halofiele soorten als Spiesbladmelde, Zilte rus, Moeraszoutgras en Zilte schijnspurrie (Da°). Er kunnen ook meer typische zilte soorten voorkomen zoals Stomp kweldergras, Zulte, Melkkruid, Zeekraal, Schorrezoutgras en Klein schorrekruid. Op sommige plaatsen kan men van een echte schorrevegetatie spreken (Da).
Kenmerkend is het door het vee veroorzaakt bultslenkpatroon dat in zilte situaties sterk geprononceerd is.

Struwelen
Sp: Men kan hier twee grote types onderscheiden namelijk Meidoornheggen met dominantie van Eenstijlige meidoorn en Sleedoorn, en Olmenheggen waar Gewone iep en ook Sleedoorn domineren. Verder komen Koebraam, andere Braamsoorten, Hondsroos, Es, Vlier en Viltroos in wisselende hoeveelheden voor. Deze struwelen zijn dikwijls gekenmerkt door een lianenbegroeiing bestaande uit Heggerank, Haagwinde, Klimop, Hop en soms zelfs Wilde kamperfoelie (waar de bodem zandig genoeg is). De kruidlaag is tamelijk ruderaal maar kan erg soortenrijk zijn. Enkele minder algemene soorten zijn Maarts viooltje, Penningkruid, Maagdenpalm, Watermunt, Boskortsteel en Nagelkruid (naar Swimberghe, 1972).

Sd: Op de bermen van het Boudewijnkanaal komt hier en daar mooi ontwikkeld Duindoornstruweel voor.

Sz: Op de spoorwegberm Brugge-Blankenberge heeft er zich verspreid opslag van vooral Wilg gevestigd.

Bossen
In de vrij recent ontstane polders is er zeer weinig spontane bosontwikkeling geweest, in deze streek alleen de moerasbossen van de Damse vestingen en van het Fort van Beieren; deze nemen een heel beperkte oppervlakte in. De aangeplante bossen zijn echter niet veel groter. Alhoewel ze van antropogene oorsprong zijn, kan de kruidlaag toch vrij tot zeer soortenrijk zijn.

Qs: Eiken-Beukenbos zou men niet zo direct verwachten in de polderstreek. De standplaats is dan ook van antropogene oorsprong namelijk het hoger gelegen zandig gedeelte van het oud Fort van Beieren te Koolkerke. Ondanks de kunstmatige aanleg is het vrij mooi ontwikkeld met onder andere Zomereik, Amerikaanse eik, Hazelaar, Gewone esdoorn, Vlier, Gewone iep, Ruwe berk, Bosanemoon, Bosandoorn, Hop, Speenkruid, Stompsporig bosviooltje en Nagelkruid.

Vn: Het bosje van de «Blauwe toren» en het Pathoekebosje te Brugge zijn moeilijk onder te brengen in één van de karteringseenheden. Alhoewel ze niet van alluviale oorsprong zijn, werden ze toch geplaatst bij de valleibossen. Daar de begroeiing het meest het nitrofiel Elzenbos benadert, werden ze als zodanig gekarteerd. Het «Blauwe Toren» bos is erg soortenrijk. De boomlaag bestaat uit aangeplante Populieren en hier en daar een Gewone es. Het hakhout wordt gevormd door onder andere Gewone iep, Gewone es, Gewone esdoorn, Zwarte els, Vlier, Lijsterbes, Gelderse roos, Eenstijlige meidoorn,

Hop en Heggerank terwijl in de lage struiklaag en de kruidlaag volgende soorten groeien: Braam, Klimop, Nagelkruid, Kaardebol, Keverorchis, Engelwortel, Penningkruid... . Er komen ook een aantal soorten voor die zeer zeldzaam zijn voor de polderstreek namelijk: Addertong, Boskortsteel, Heelkruid en Boszegge. De laatste drie van deze soorten groeien ook in het Pathoekebos; het is echter heel wat minder soortenrijk. Het bos gelegen tussen het Boudewijnkanaal en het kasteelpark ‘Ten Berghe’ werd eveneens als nitrofiel Elzenbos gekarteerd. De boomlaag wordt gevormd door Populier en op enkele plaatsen Zomereik. In de hakhoutkruidlaag vindt men Gewone es, Gewone iep, Zomereik, Zwarte els, Vlier, Braam, Eenstijlige meidoorn, Tamme kastanje, Wilde kamperfoelie, Gele lis, Leverkruid, Moerasspirea, Bitterzoet, Rietgras...

Vm: In de westelijke grachten van de oude vestingen van Damme heeft zich een prachtig mesotroof Elzenbroekbos gevestigd. De boomlaag bestaat uit Zwarte els, Wilg, Ruwe berk en Sporkehout. In de kruidlaag is de Pluimzegge abundant. Verder groeien er onder andere Waterzuring, Moeraswalstro, Wolfspoot, Blauw glidkruid en enkele varensoorten als Wijfjesvaren, Brede en Smalle stekelvaren en de zeldzame Moerasvaren.

Vo: Ook in de wallen van het Fort van Beieren heeft zich een dergelijk moerasbos gevestigd. Een klein gedeelte bestaat echter overwegend uit moerassig Berkenbos met veel Veenmos, Pluimzegge, Valse ciperzegge en Smalle stekelvaren.

Ru: Langs de oostelijke oever van het Boudewijnkanaal is er tussen de Overzet en de Dudzelebrug een ruderaal Olmenbos tot ontwikkeling gekomen. Het is een hakhoutbos met voornamelijk Gewone iep en Vlier en ook wat Populier. De ondergroei wordt gevormd door Grote brandnetel, Hondsdraf, Jakobskruiskruid en Keverorchis.
Te Kruiskalseide ligt er eveneens een klein Olmenbos. De kruidlaag is hier echter praktisch beperkt tot Klimop. In de rand groeien Zomereik en Hondsroos.

Aanplanten
Lsb: Populierenaanplanten zijn een zeldzaam beeld in deze streek. Enkel langs het Schipdonkkanaal liggen smalle stroken ruige populierenaanplanten met struikondergroei (voornamelijk Vlier).

Puntvormige, lijnvormige en kunstmatige elementen
Kb: Dit gedeelte is opvallend bomenrijken dan de rest van de kustpolders; toch is ook hier de openheid van het landschap kenmerkend. Het zijn over het algemeen knotwilgen- (voornamelijk Schietwilg) en populierenrijen. Eén enkele keer werden ook Zomereik, Gewone iep en Es genoteerd.

Kh: Heggen zijn eveneens geen zeldzaamheid. Ze vormen samen met de doornstruwelen (dikwijls uitgegroeide heggen) een karakteristiek beeld in het gebied ten noorden van Brugge.

Kj-Kl: Bij de boerderijen legde men vroeger meestal een kleine hoogstamboomgaard aan voor eigen gebruik. Tegenwoordig zijn deze boomgaarden dikwijls verwaarloosd of zelfs helemaal verdwenen; ze vergen immers een te arbeidsintensief onderhoud. Tussen Brugge en Blankenberge lagen er in de tijd ook een aantal grotere boomgaarden. Enkele ervan zijn nu nog (gedeeltelijk) overgebleven; bij sommige echter zijn de hoogstammen vervangen door laagstamfruitbomen.

Kn: De veedrinkputten, die nog vrij veel aangetroffen worden, kunnen dikwijls veel water- en moerasplanten bevatten. Enkele van deze ondiepe plassen zien soms wit van de bloei van Waterranonkels. Maar ook minder opvallende soorten kunnen er gedijen (onder andere Waterbies, Groot moerasscherm en soms zelfs Lidsteng). Deze putten verhogen dus de variatie van hoogten en laagten.

Ku: Op enkele gestoorde plaatsen werd een ruderale vegetatie aangetroffen.

Kd: Het materiaal van de dijken langs het Boudewijnkanaal bestaat uit kalkrijk duinzand. Men treft er duingrasland, Duindoornstruweel en ruderaal Olmenbos aan (zie Hd, Sd, Ru).
De dijken langs het Schipdonk- en Leopoldkanaal zijn meestal beplant met populierenrijen (Kb(p)). Een groot deel wordt begraasd (Hp). De stukken die niet als weiland in gebruik zijn worden gedeeltelijk ingenomen door droge populierenaanplanten (Lsb), gedeeltelijk door vrij bloemrijke graslanden (Hu).
De dijken langs de Damse vaart zijn eveneens beplant met populierenrijen.

Kf: In de wallen van het oud Fort van Beieren hebben zich enkele interessante vegetaties gevestigd (zie Mr, Md, Mc, Vm, Vo). Ook de wallen van Damme zijn in feite een restant van een fortversterking.

Ko: Er werden enkele kleine stortplaatsen genoteerd.

Kpk: Grootse kasteelparken, zoals men in de aangrenzende zandstreek ten zuiden van Brugge veelvuldig kan bewonderen, zal men hier niet aantreffen met uitzondering van het kasteelpark ‘Ten Berghe’ te Koolkerke. Voor de rest liggen bij enkele agglomeraties een paar kleine kasteelparken.

Kz: Opgespoten terreinen ten behoeve van de industrie nemen in dit gebied met de jaren uitbreiding. Heel het gebied ten zuiden van Zeebrugge gelegen tussen het Boudewijnkanaal en het Schipdonkkanaal tot aan de weg Brugge-Knokke is immers voorbestemd tot de uitbouw van de achterhaven van Zeebrugge. Ook de westelijke strook langs het Boudewijnkanaal juist ten noorden van Brugge is al gedeeltelijk opgespoten om later als industriegebied te dienen.

3. Fauna-elementen

Avifauna
De graslanden van onze kustpolders vormen uitgestrekte aaneengesloten, laaggelegen oppervlakten en worden doorkruist door een netwerk van vaartjes en sloten. Ze scheppen daardoor veel rust- en foerageermogelijkheden voor tal van vogels. Sommige soorten hebben zich zelfs in zo'n mate aan dit landschap aangepast dat het voor hen een onvervangbaar broedbiotoop geworden is. Deze vogels, ook bekend als ‘weidevogels’, zijn oorspronkelijke bewoners van natuurlijke graslanden als schorren, steppen en oeverweiden van rivieren, gebieden die nu grotendeels verdwenen zijn (Van Gompel, 1983).

De verschillende soorten steltlopers die in de polders broeden, stellen niet allemaal dezelfde eisen aan hun broedplaats. Er zijn onderlinge verschillen wat betreft de waterstand, de hoogte van de begroeiing, de eutrofiëringsgraad en het al of niet zilte karakter van de biotopen. De Kievit broedt voornamelijk in weiland, zelden in hooiland, maar verkiest een schrale en vooral lage begroeiing. Vochtige terreinen met geringe verhevenheden genieten daarbij de voorkeur, al is de Kievit ongetwijfeld een minder kieskeurige graslandbroeder. Zo wordt meer en meer op droge akkers genesteld. Wel opvallend is het ontbreken van Kieviten op volledig vlakke weilanden met goede afwatering (voornamelijk in de Westkustpolders). De Grutto verkiest drassig hooiland en gelijkaardig weiland, met een hoge maar niet te dicht aaneengesloten vegetatie.

bwk_39_tureluurTureluurs vestigen zich graag op lage, zilte gronden met schrale tot zeer open begroeiingen en talrijke slikrandjes, waarbij vertrappeling door vee een belangrijke factor is. Dat deze plaatsen erg brak zijn blijkt ondermeer door de aanwezigheid van zoutminnende planten zoals Zeekraal, Zilte schijnspurrie, Melkkruid enz... . Mogelijk is ook de aparte, lagere fauna van deze brakke terreinen van belang als voedselbron. De Scholekster is de nieuwste broedvogel onder de weidevogels. Hij is het minst kieskeurig maar vertoont toch de grootste interesse voor zeer schrale en lage begroeiing. Meestal broeden ze op akkers die binnen het weideareaal gelegen zijn.

De Kemphaan, die in de jaren 60 nog sporadisch broedde in de veenuitgravingen van Uitkerke (Kaartblad 12), en de Watersnip, die zeer vochtig grasland prefereert en eveneens in de jaren 60 nog tot broeden kwam in de IJzerbroeken (Kaartblad 20), zijn als broedvogels uit de polders verdwenen. Het dichte web van afvoersloten trekt veel eenden aan. Vooral in de oeverbegroeiingen vinden ze ideale nestplaatsen; ook oude turfontginningen en verlaten kleiputten kunnen behoorlijke aantallen herbergen. De talrijkste soort is de Wilde eend die zowat overal tot broeden komt. Schaarser is de Slobeend, een echte indicator voor de ecologisch waardevolle graslanden met talrijke sloten. De Bergeend komt steeds frequenter en meer verspreid tot broeden in de polder. De Wintertaling is zeldzamer en minder aan graslanden gebonden, terwijl de Zomertaling een uiterst snelle achteruitgang kende in geheel Europa, wat ook in de broedvogelaantallen van de polders merkbaar is.

In de polders broeden er ook nog andere vogels. Anderen gebruiken ze als voedselgebied. We vermelden onder andere de Blauwe reiger waarvoor de polders een uitstekend voedselgebied vormen (de kolonies bevinden zich in de polderbosjes), de Torenvalk, de Patrijs, de Kerkuil en zangvogels als de Veldleeuwerik, de Graspieper en de Gele kwikstaart. Daarnaast zijn er de talloze bewoners van rietkragen, heggen en doornstruwelen.

bwk_43_kolgansDe polders zijn niet alleen interessant als broedgebied. Voor tal van vogels dient deze streek als doortrek- of overwinteringsplaats. De best bekende wintergasten zijn hier de duizenden ganzen (vooral Kleine rietgans en Kolgans) die ieder jaar terugkeren naar de uitgestrekte graslandcomplexen. Voor deze ganzen is dit overwinteringsgebied van internationaal belang. Ook een aantal eendensoorten (vooral zwemeenden) en steltlopers komen hier overwinteren. Ramskapelle is voor de Smient en de Wintertaling een pleisterplaats bij uitstek. Kieviten en Goudplevieren kan men er waarnemen in grote aantallen. Prooivogels overwinteren eveneens in de polderstreek. De Velduil bijvoorbeeld is er een typische wintergast.

Andere fauna
Als zoogdieren kunnen we de Wezel, de Bunzing en de Hermelijn vermelden. Beide laatste zijn wellicht heel wat zeldzamer. De Haas komt op sommige plaatsen veelvuldig voor; ook het Konijn kan men er nog vrij veel aantreffen alhoewel de polders minder geschikt zijn als milieu.
De amfibieën worden vooral vertegenwoordigd door de Gewone pad, de Bruine en Groene kikker en de Kleine watersalamander.
De insecten van deze streek zijn een nog weinig bestudeerde dierengroep. Toch kan men, volgens de weinige onderzoeken, stellen dat naast een aantal algemenere insecten, ook zeldzame soorten voorkomen die gebonden zijn aan oligohalien of mesohalien water of die in voedselrijk, niet of weinig vervuild water leven.

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.