headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Polders - Het Oudland en het Middelland - Fysisch milieu

De Polders - Het Oudland en het Middelland - Fysisch milieu

Fysisch milieu (naar Ameryckx, 1954, Tavernier & Ameryckx, 1970)

1. Geologie/Lithologie
Het oudgeologisch substraat dat nergens in de kustvlakten dagzoomt werd tijdens het Pleistoceen bedekt met zandige en zandlemige afzettingen. Na het Pleistoceen komt het Holoceen. In het Atlanticum (Midden-Holoceen) is de Flandriaanse transgressie het belangrijkst. De Atlantische sedimenten in België zijn hoofdzakelijk zandige sedimenten. Tijdens het Subboreaal (na het Atlanticum) had er in de kustvlakte veenvorming plaats. Er ontstond een veengebied dat aan de noordzijde begrensd was door een duinengordel en waarin, aan de west- en aan de oostkant, enkele niet met veen bedekte waddenplaten lagen.

In het Subatlanticum (Boven-Holoceen) waren er een reeks eeuwenlange overstromingen, samengevat onder de naam Duinkerkiaanse transgressies; de afzettingen, met een gemiddelde dikte van meer dan 1 m, vormen bijna overal de oppervlaktelaag van de zeepolders. De stijging van de zeespiegel na de veenvorming gebeurde niet regelmatig maar eerder schoksgewijze. Aldus kan men voor de Belgische kust drie overstromingsfazen onderscheiden, die elk verscheidene eeuwen duurden en gescheiden zijn door perioden van stilstand of regressie tijdens die het gebied geheel of gedeeltelijk droog lag. Tijdens de Duinkerken-l-transgressie werd in de overstroomde gebieden een uitgebreid krekensysteem in de veenvlakte gevormd. Met het zeewater werd slib aangevoerd en afgezet. In de kreken kwam, gezien de grote stroomsnelheid, vooral grofkorrelig materiaal (voornamelijk zand) tot bezinking. Buiten, op de veeneilanden, bezonk hoofdzakelijk fijnkorrelig slib (klei) dat nog aanwezig was in het traagvloeiend of stilstaand water.

Daarna kwam de Romeinse regressie waarin een schorgebied ontstond dat gedeeltelijk droog kwam te liggen. Tijdens de Duinkerken-ll-transgressie die veel uitgebreider en groter was dan de eerste werd er opnieuw een sterk vertakkend krekensysteem gevormd. De kreekbeddingen sneden zich in de Duinkerken-l-afzettingen en/of het veen in. Met uitzondering van een aantal ‘eilanden’ werd de huidige kustvlakte dagelijks 2 maal overstroomd. Na een stadium van overwegend erosie (kreekbeddenvorming) kreeg de sedimentatie (kreekopvulling) opnieuw de bovenhand. Marien materiaal werd afgezet zoals in de Duinkerken-l-transgressie. Hierdoor bekwam men volgend patroon: een vertakt systeem van brede en smalle zandige stroken, gescheiden door zware klei-eilanden (dikwijls met een veenondergrond). Op het einde van het sedimentatiestadium kwam ook in de kreken klei tot bezinking, zodat de eerste zandafzettingen meestal met een kleidek bedekt zijn. Zo'n 'verlande' kreek bezit nog een netwerk van sterk kronkelende, kleine geultjes (1 a 2 m breed en even diep) die uiteindelijk bijna volledig met klei werden opgevuld (talrijke, kronkelende grachten waren oorspronkelijk dergelijke geultjes, die werden uitgediept).

De Duinkerken-ll-transgressie werd gevolgd door de Karolingische regressie waarin een nieuw schorgebied werd gevormd. Tijdens de Duinkerken-lll-transgressie waren er twee doorbraken namelijk het IJzerestaurium ter hoogte van het huidige Nieuwpoort en het Zwin. De Duinkerken-lll-transgressie ter hoogte van het Zwin kan men in twee subfasen verdelen; ze worden gescheiden door een kleine rustperiode.

De Duinkerken-IIIA-transgressie (11de eeuw) valt nagenoeg samen met deze van de doorbraak bij Nieuwpoort. Het belangrijkste feit hierbij is de vorming of uitbreiding van het Zwin tot een zeeinham op de plaats waar de huidige Belgisch-Nederlandse grens zich bevindt. Vanuit het Zwin werd het oostelijk deel van de kustvlakte gedeeltelijk onder water gezet. Om het overstromingsgebied in westelijke richting te beperken werd de Blankenbergse dijk opgeworpen. Een weinig later werd een tweede dijk, de Dulle weg, op enkele honderden meters ten oosten van de Blankenbergse Dijk aangelegd (de eerste dijk is nu volledig afgegraven, de tweede grotendeels). De Duinkerken-IIIB-transgressie is van belang voor het Nieuwland van het Zwin.

Het landschap enkel door de Duinkerken-l en Duinkerken-ll overstroomd, wordt het Oudland genoemd, het landschap ook door de Duinkerken-IIIA overstroomd het Middelland.

In studies wordt er geen onderscheid meer gemaakt tussen de verschillende fasen van de Afzetting van Duinkerken. L. Allemeersch (1984) merkt hierbij op dat duidelijk lithologische verschillen en grenzen om verschillende fasen te onderscheiden ontbreken en dat Tavernier en Ameryckx (1970) zich vooral gebaseerd hebben op historische gegevens hoewel deze voornamelijk voorhanden waren voor de Duinkerken-lll-fase, en weinig voor de Duinkerken-l en Duinkerken-ll-fase. Voor meer details verwijzen we naar Allemeersch, 1984.

2. Geomorfologie/Reliëf
Het Oud- en Middelland zijn vlak en laag. Het ligt 3 à 4 m boven de zeespiegel. Er is een uitgesproken of matig inversiereliëf (kreekruggen en kommen). Vanuit de Zandstreek naar de Polders is er een flauwe tot zeer flauwe helling. Deze bestond al vóór de Polders onder mariene invloed tot stand kwamen en later aan die invloed onttrokken werden. Men noemt dit een hooglandhelling, dit is een zwakke heling die door de geringe mariene sedimentatie niet meer tot een vlakte kon opgevuld worden (Allemeersch, 1984).

3. Hydrologie/Hydrografie
In de zandstreek grenzend aan de kustpolders, rust het kwartair zand op een klei-zandcomplex. Daar de laatstgenoemde laag minder watervoerend is dan het kwartaire zand en er een neerwaartse helling is naar de polders toe, is er een zoetwaterstroom van grondwater vanuit de zandstreek.

Vanuit de duinstreek is er eveneens een zoetwaterkwel. Onder de zoetwaterlaag van de kustpolders komen er zoute of brakke waters voor waarvan de dikte varieert van 2 tot 30 m. De zoute onderlaag verzilt het oppervlaktewater in de bodem des te meer naarmate ze minder en minder diep voorkomt; dit heeft als gevolg dat de zones met een dikke zoetwaterlaag die in dit inversielandschap samenvallen met de kreekruggen, niet beïnvloed worden door deze onderlaag in tegenstelling met de ondiepe zones die meestal overeenkomen met de klei op veengebieden. Verzilting kan ook gebeuren door uitloging van venige en kleiige afzettingen (het zijn immers mariene afzettingen) doch dit proces verloopt zeer traag.

Via het Boudewijnkanaal sijpelt er zout water in de omliggende gronden. De afwatering gebeurt op kunstmatige wijze. Volgende bekkens zijn hierbij betrokken: het bekken van het kanaal Oostende-Gent, van de Blankenbergse vaart, van de Damse vaart, van het Leopoldkanaal, van het Schipdonkkanaal, van het Zuidervaartje en van het Lisseweegs vaartje. Het overtollige water komt langs de greppels en draineerbuizen in de sloten terecht, die het naar hoofdwatergangen of afwateringskanalen voeren. Via deze laatste wordt dan het water afgevoerd en bij eb in zee geloosd. Deze lozingen gebeuren te Oostende, Blankenberge, Zeebrugge en Heist.

4. Pedologie
Oudland
Men onderscheidt 5 bodemseries namelijk kreekruggronden, poelgronden, oude kleiplaatgronden, overdekt-pleistocene gronden en kunstmatige gronden:
• kreekruggronden: gronden van de met zand en klei opgevulde Duinkerken-ll-getijdekreken. Ze bestaan uit lichte klei tot zavel (in de diepte meestal overgaand tot zand) of uit klei tot zware klei (in de diepte overgaand tot lichter materiaal).
• poelgronden: gronden van de met klei bedekte en ingeklonken veeneilanden. Ze zijn opgebouwd uit zware klei rustend op veen; langsheen de kreekruggronden is de klei iets lichter.
• oude kleiplaatgronden: gronden gekenmerkt door Duinkerken-l-afzettingen onder een Duinkerken-ll-kleidek. Ze bestaan uit zware klei rustend op klei van de Duinkerken-l-transgressie of uit zware klei rustend op licht materiaal van de Duinkerken-l-transgressie.
• overdekt-pleistocene gronden: gronden gekenmerkt door het voorkomen van pleistoceen zand op minder dan 120 cm diepte onder de polderafzettingen. Ze bestaan uit gebroken zand (meestal slibhoudend zand), gebroken klei, zware klei, lichte klei tot zware klei of klei tot zware klei rustend op het pleistoceen.
• kunstmatige gronden: oorspronkelijk profiel gewijzigd door menselijk ingrijpen; de belangrijkste zijn de uitgeveende en uitgebrikte gronden.

Middelland
Men onderscheidt zes bodemseries namelijk overdekte kreekruggronden, dekkleigronden, overdekte poelgronden, overdekte pleistocene gronden, geulgronden en kunstmatige gronden:
• overdekte kreekruggronden: gronden met Duinkerken-lll-klei op licht Duinkerken-ll-materiaal. Ze bestaan uit klei tot zware klei rustend op lichter materiaal (lichte klei, zavel of zand).
• dekkleigronden: gronden met een Duinkerken-lll-kleidek van meer dan 100 cm dikte, rustend op poelgrondklei van de Duinkerken-ll-transgressie.
• overdekte-pleistocene gronden: gronden gekenmerkt door het voorkomen van pleistoceen zand op minder dan 120 cm diepte onder de polderafzettingen. Ze bestaan uit gebroken zand (meestal slibhoudend), gebroken klei of zware klei rustend op pleistoceen.
• geulgronden: laag liggende gronden van de niet geheel opgevulde getijdegeulen van de Duinkerken-lll-transgressie. Ze bestaan uit zware klei die op minder of meer dan 100 cm diepte overgaat in lichter materiaal.
• kunstmatige gronden: zie Oudland.

5. Klimatologie
Het klimaat van het gebied is matig vochtig, met een gemiddelde luchttemperatuur van 9,6°C (jaargemiddelde). Het jaargemiddelde van de neerslag bedraagt 782 mm, tamelijk gelijkmatig verdeeld over het jaar.

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.