headerbg bl

De Duinstreek - Conclusies

1. Evaluatie
Algemeen
De duinstreek wordt gekenmerkt door een enorme variatie in milieutypes: onder andere de verschillende geomorfologische types als zeereepduinen, stuifduinen en stabiele binnenduinen met hun overgangen, de overgang duin/polder (duinzand gelegen op kleilagen), de variatie droog/vochtig/nat, kalkrijk/kalkarm, brak/zoet, de tegenstelling warmere zuidhelling/koudere noordhelling enz... Daarenboven krijgen de kustlandschappen een heel bijzondere betekenis doordat zo goed als alle successiestadia er naast elkaar kunnen blijven voortbestaan door middel van louter natuurlijke processen. Het vroegere landbouwgebruik paste hierin zeer harmonisch; de indertijd zeer verbreide, extensieve beweiding heeft ontegenzeggelijk een grote botanische en structureellandschappelijke verrijking met zich meegebracht.

In schrille tegenstelling hiermee staan de zwaar degraderende, recente menselijke ingrepen, voornamelijk bebouwing maar in toenemende mate ook waterwinning en recreatie, die de Belgische duinen de reputatie van de zwaarst aangetaste van de gehele Noordwest-Europese kust hebben opgeleverd.

Wat er nu nog rest dient dan ook met grote zorg omringd te worden. Vooral voor de enkele nog grote aaneengesloten stukken is dit prioritair.

De duinen van de Oostkust nemen een eigen plaats in in het geheel van de Belgische kust. De specifieke betekenis is uit volgende punten af te leiden:
• Het is geomorfologisch een primair opgebouwd gebied ontstaan vanuit een slikkenzandplatenlandschap; daardoor is het zand in mindere of meerdere mate slibhoudend en is het aanzienlijk minder kalkrijk dan het zand aan de Westkust.
• De verlanding van het Zwin is historisch-geografisch één van de boeiendste aspecten van de landschapsontwikkeling in Laag-België. De natuurlijke elementen, in het bijzonder flora en vegetatie, zijn een niet minder getrouwe afspiegeling van dit geomorfologisch proces als de cultuurhistorische aspecten die ermee samenhangen. Men kan bijvoorbeeld de evolutie van flora en vegetatie nagaan door het Zwin met de Zwinbosjes en verder met het Golfplein te vergelijken (Huidige Zwin  Zwinbosjes  Golfplein).
De verschillende nog resterende (half-)natuurlijke systemen, zelfs eventueel kleine geïsoleerde restantjes ontlenen hun belangrijkste waarde aan het feit dat ze een deel zijn van één groot geheel, namelijk het oude Zwinlandschap. Landschaps- en natuurbehoud betekenen hier meer dan waar ook integratie in en herstel van de landschappelijke eenheid; omgekeerd betekent versnippering zelfs met behoud van oppervlakte, ontwaarding.
• De potenties van het landschap voor het natuurbehoud wegen hier zwaarder door dan waar ook aan de kust, met name die die besloten liggen in bodem en waterhuishouding in de immers zeer uitgestrekte duin/polder-overgang; dit aspect is echter niet af te lezen van de kaart.

Karakteristieke gebieden
a. Duingebied tussen Blankenberge en Zeebrugge (naar Vanhecke, 1974)
Dit gebied ligt gedeeltelijk op kaartblad 4/7-8, behorende tot blok 12; het wordt hier toch in zijn geheel besproken.

Tussen de zeereepduinen en de Koninklijke Baan ligt het gebied ‘De Fonteintjes’, een serie van deels kunstmatige (gegraven voor de aanleg van de Gravejansdijk, 15de eeuw), deels natuurlijke duinpiassen, rietlanden en struwelen.

Deze hele depressie met plassen is te beschouwen als een ‘inlaag’ (te vergelijken met de Nederlandse polders). Vorige eeuw bestond de vegetatie er nog uit typische planten van mesotrofe plassen, moerassen en vochtige graslanden met inmiddels verdwenen soorten als Mosorchis, Grote boterbloem, Moerasorchis, Moeraskartelblad, Galigaan, Moerasvaren e.d. Het is mogelijk dat een deel van deze planten ook te vinden was aan de polderkant van de Gravejansdijk.

Er blijven nu nog zes van deze depressies over. Ze zijn van elkaar gescheiden door dwarsdijkjes die tezelfdertijd als verbinding tussen de Koninklijke baan en de duinen van de zeereep fungeren.

Het gebied omvat:
• grote, driehoekige vijver: open water met schaarse oeverbegroeiing. Langs de westelijke zijde en in de oostelijke hoek komt er nog een brede zoom met kleine lisdodde en riet voor.
• kleine, driehoekige vijver: open water omgeven door Kleine lisdodde en in de westelijke hoek, Riet. In het open water vindt men Aarvederkruid.
• grote rietpias (Pietfonteintje): bestaat hoofdzakelijk uit rietland; ongeveer in het centrum van de oostelijke helft en doorlopend tot in de westelijke helft is er open water omgeven door Kleine lisdodde. Langs de noordzijde komt er duindoornstruweel voor aan de duinvoet.
• Bunkerfonteintje: open water omgeven door Kleine lisdodde en op het droge gedeelte met Riet en Duinriet; in de westelijke helft is er in hoofdzaak struweel.
bwk_42_lidsteng• het Orchideeënfonteintje: kruidenrijke hooilandvegetatie met onder andere Koekoeksbloem, Addertong, verschillende grote en kleine Zeggen, Lidsteng en Rietorchis; deze laatste soort kan plaatselijk massaal voorkomen. Langs de noordzijde aan de duinvoet is er duindoornstruweel. Botanisch gezien is dit wel het soortenrijkste en interessantste fonteintje. Zeldzame soorten als Harlekijn, Wollige distel, Graslathyrus en Vleeskleurige orchis, Bijenorchis en Gekleurd fonteinkruid hebben zich nog kunnen handhaven.
• grote recreatiepias: bijna volledig onbegroeide plas met alleen langs de zuidelijke oever een dunne rietkraag en watervegetatie (Aarvederkruid en Gekroesd fonteinkruid). Op de dijk langs de zuidelijke oever heeft men struweel.

Schema van ‘De Fonteintjes’

Avifauna
bwk_58_kleine-karekietDoor de variatie aan biotopen heeft dit gebied een grote vogelrijkdom. In en om de verlandingszones horen Kleine karekiet, Rietzanger, Sprinkhaanrietzanger, Bosrietzanger en Rietgors thuis. Broedgevallen van Cetti's zanger, Baardmannetje en Snor kwamen al voor (Vannieuwenhuyse, 1971; Van Gompel, 1979). Voorts noteren we in de rietmoerassen broedvogels als Dodaars, Woudaapje, Waterral, Wilde eend en Meerkoet. Vooral de eerste drie beklemtonen de waarde van dit kustreservaat.

Tijdens de trekperioden in voor- en najaar kan men vanop de duintoppen sterke vogeltrek waarnemen. Deze stuwtrek is trouwens een gegeven voor de gehele kuststreek. Kenmerkende soorten voor het najaar zijn Vink, Kramsvogel, Spreeuw, Graspieper, Zwaluwen, Kneu en Ringmus. Tijdens het voorjaar (zie onder andere Vannieuwenhuyse, 1971) zijn vooral de topdagen van de Gierzwaluw imponerend, al laten ook andere soorten zoals Gele kwikstaarten en Putters zich dan in behoorlijke aantallen opmerken.

Vele, zeldzamere soorten hebben dit gebied intussen bezocht. Een voorlopige lijst van Kuyken (1970) beliep al 141 gasten, een cijfer dat intussen stellig is toegenomen.

Andere fauna
Er werden 13 soorten libellen in het gebied gedetermineerd (Anselin, 1978). Voorts zijn er waarnemingen van de Duinhagedis, Levendbarende hagedis, Bruine kikker, Groene kikker, Gewone pad en Rugstreeppad. Als zoogdieren zijn onder andere de Egel en Bunzing vertegenwoordigd. Het Riet-, Bunker- en Orchideeënfonteintje zijn nu een reservaat.

b. Duingebied tussen Heist en Duinbergen
Dit gebied bestaat uit een strook zeereepduinen, een weinig ontwikkeld duingrasland zonder specifieke soorten, fragmentair ontwikkeld struweel met onder andere Populier en Duindoorn en aangeplant bos. Het westelijk duinbos bestaat voornamelijk uit Populier; er is praktisch geen struiklaag (enkel wat Vlier). In de kruidlaag treft men onder andere Breedbladige wespenorchis en Kuifhyacint aan.

Het centrale deel van het oostelijk bos is een Zeedennenaanplant met een grazige ondergroei. Errond groeien Populier, Gewone Esdoorn, Abeel en Vlier. Dit duingebied kent een sterke betredingsdruk. Het ligt immers tussen de agglomeraties van Heist en Duinbergen.

c. Duingebied tussen Duinbergen en Knokke
Het westelijk deel bestaat uit gemengd loof- en naaldhout; in de kruidlaag vindt men Kuifhyacint, Breedbladige wespenorchis, Doorwas (een adventief) en enkele ruderalen.

Het oostelijk deel is een duindoorn/vlier-struweel met fragmenten van het duinkalkgrasland (met onder andere Gestippeld zonneroosje, Blaassilene en veel Muskuskaasjeskruid).

d. Het gebied ten zuiden van Het Zoute (Knokke)
Het golfterrein is een uitgestrekt duingrasland met verspreid enkele dennenaanplanten. Langs de oostrand is er al struweelontwikkeling.

De graslandvegetatie die een vrij zuur karakter heeft (zie Karteringseenheden) komt vrij goed overeen met de duingraslanden van het golfterrein te De Haan (Kaartblad 12); dit type duingrasland is gekenmerkt door het veelvuldig voorkomen van Wondklaver, Kegelsilene, Kleine ratelaar en verschillende Zwenkgrassoorten. De Bokkenorchis die men in De Haan aantreft, komt hier echter niet voor. Toch doen soorten als Gestippeld zonneroosje en Harlekijn, die sporadisch nog voorkomen, denken aan de kalkrijke duingraslanden die men aan de Westkust kan aantreffen terwijl de zeldzame Zeerus en Kogelbies (1) aan het vochtige verleden herinneren.

(1) Dit is een restant van de enige natuurlijke groeiplaats in België. Kogelbies werd sporadisch wel enkele keren aangetroffen maar telkens op plaatsen van antropogene oorsprong. Vanwege het pionierskarakter van de vegetatie en/of vanwege de korte levensduur van dergelijke opspuitingen zijn deze groeiplaatsen slechts tijdelijk (Demarest & Goetghebeur, 1984).

Hydrologisch is het Golfplein immers sterk aangetast door de waterwinning. Ook het beheer van het golfterrein met onder andere het te intensief maaien, het gebruik van biociden en de sterke betredingsdruk heeft een degraderende invloed op de vegetatie.

Het duinbos van de Oosthoek is een vrij oude aanplant. Het bestaat overwegend uit gemengd loofhout (met onder andere Populier, Gewone iep, Abeel en Gewone esdoorn) met plaatselijk ook Den. De struiklaag wordt gevormd door Sleedoorn, Vlier, Gewone esdoorn, Zomereik, Eenstijlige meidoorn, Braam en Heggerank. De kruidlaag is vrij soortenrijk met onder andere Hondstong, Maarts viooltje, Eikvaren, Guldenroede, Breedbladige wespenorchis en Keverorchis.

e. De duinen van de Oude Hazegraspolder
De Oude Hazegraspolder is een overgangsgebied. Hij bestaat voornamelijk uit akkers en weilanden. De noordelijke graslanden zijn echter nog duidelijk duinkalkgraslanden. Het voorkomen van soorten als Geel walstro, Grote tijm, Kandelaartje, Zandzegge en Duinsterretje zijn hiervan het bewijs. Verder groeien er ook Walstrobremraap, Knopig helmkruid, Duizendblad, Duizendguldenkruid en op de vochtiger plaatsen Holpijp, Moeraswalstro en Gevlekte orchis. Verspreid liggen er enkele ruderale Olmenbossen met in de kruidlaag Vogelmelk, Maarts viooltje, Hop, Nagelkruid, Grote brandnetel, Robertskruid... In sommige werden Populieren aangeplant, in andere Eiken.

Hier en daar zijn er enkele doornstruwelen met Sleedoorn, Eenstijlige meidoorn en Duindoorn. Potentieel een belangrijk gebied.

f. Duingebied ten westen van het Zoute, ‘De Zwinbosjes’
Uniek, uitgestrekt complex van droog duingrasland, vochtige, mesofiele graslanden en struweel. (zie Karteringseenheden, graslanden en struwelen). Eén stuk wordt ingenomen door dennenaanplanten. Het zuidelijk gedeelte van dit gebied is in gebruik als weiland.

Als de waardevolste schakel in de reeks Zwin naar geconsolideerd duin/dijk/polderlandschap moet het complex ‘De Zwinbosjes’ en de weiden ten noorden van de Hazegraspolderdijk gezien worden daar het geheel van gradiënten mineraal/humus, droog/nat, kalkrijk/kalkarm, zandig/kleiig en zout/zoet hier in een landschappelijke eenheid bewaard gebleven zijn. Juist door die eenheid en door de omvang van het terrein heeft men hier een unieke - en inderdaad aan onze kust de enige - kans een dergelijk landschapstype op een duurzame manier tot ontwikkeling te laten komen, mits een oordeelkundig inwendig beheer. Dit beheer is echter urgent wegens de snelle overwoekering door ruigtekruiden, hoog opgroeiende grassen (Duinriet, Hennegras...) en vooral Duindoorn.

g. Het Zwin (naar Parent en Burny, 1981 a, 1981 b en Burggraeve, 1983)
De vroegere zeearm die eerst Sincfal en later Zwin werd genoemd, is door inpolderingen en verzanding praktisch helemaal verdwenen. Het slikke- en schorrengebied van het huidige Zwin is er een overblijfsel van.

Door het aanleggen van de Internationale Dijk eind 19de eeuw werden de laatste polders aangelegd. Deze dijk werd een 25tal jaren geleden verhoogd. Het materiaal hiervoor werd gehaald uit het schorrengebied. Hierdoor ontstonden plassen die verbonden werden met het getijdengebied. De meeste zijn zo geëvolueerd tot slikkerngebieden, die nu grotendeels aan verzanding toe zijn. Ze worden ingenomen door een slikkenvegetatie. Eén plas werd door een keersluis op ± permanent peil gehouden; enkele jaren geleden is deze verder uitgediept om de internationale dijk nog te verhogen.

Een andere recente ingreep is de aanleg van een brede sloot dwars door het gebied die het reservaatgedeelte afsluit van de vrij toegankelijke zone. De lage dijk naast deze sloot belet echter niet dat het westelijk deel bij springvloed overstroomd wordt; hij zorgt er wel voor dat het water trager wegvloeit zodat dit reservaatgedeelte lang vochtig blijft. De verzoeting die al aan de gang was, is hiermee stopgezet.

Door het afplaggen van grote delen van de schorrenvegetatie in de oorlog 1940-45 (de zoden werden gebruikt om de bunkers af te dekken) is op die plaatsen de bodem vochtiger, wat nog steeds een zichtbaar effect heeft op de vegetatie.

Vegetatie
Het gehele gebied dat de naam ‘Zwin’ draagt, omvat eigenlijk verschillende landschappen: zeereepduinen, het mondingsgebied, de getijgeulen en verzande plassen met slikkenvegetatie, de schorren met hun typische begroeiing en tenslotte in de zuidwesthoek een boog van lage, min of meer gefixeerde duinen. Daarnaast zijn er de permanente, kunstmatige plassen die door sluisjes op een relatief constant peil gehouden worden.

bwk_42_zulteOp de slikken kan men twee pioniervegetaties onderscheiden. Dit zijn de monospecifieke formatie van Engels slijkgras en de open tot zeer open Zeekraalassociatie. Op de overgang van slikke naar schorre komt er een vegetatie van Klein schorrekruid, Zulte en Zilte schijnspurrie voor. Ook de Gewone zoutmelde is hier en daar al op te merken. Deze soort is kenmerkend voor de eerste echte schorrenvegetatie; ze vormt er een aaneengesloten, bijna monospecifieke vegetatie en neemt vrij grote delen van de schorren in. De associatie met het Gewoon kweldergras als dominante soort en waarin ook Gewone zoutmelde aanwezig is, vormt echter zeer smalle stroken. Eén van de meest vermaarde beelden van het Zwin is ongetwijfeld de fase gekenmerkt door het massale voorkomen van Lamsoor, ook gekend als ‘Zwinneblomme’. In juli en augustus ziet een groot deel van de schorrenvlakte paars van de talrijke bloemhoofdjes. Andere soorten van deze gemeenschap zijn Zeeweegbree, Gewoon kweldergras, Zeealsem, Schorrezoutgras, Gerande schijnspurrie en Zulte. Het is ook hier dat zich de enige Belgische groeiplaats van de Gesteelde zoutmelde bevindt.

bwk_59_melkkruidDe hoogste gedeelten, van de schorrevlakte worden ingenomen door de volgende twee vegetaties: de begroeiing met dominantie van Rood zwenkgras en waarin Melkkruid soms een groot aandeel kan hebben en de vrij homogene Strandkweekvegetatie. De groep met Zeevetmuur is een pioniervegetatie op droog zand, volgend op de associatie met Rood zwenkgras. Op vochtig zand vinden we de associatie met Zilte rus evenals de vegetatie met Zeerus en Kwelderzegge. In het Zwin komen deze twee gemengd voor. Op de binnenduinen heeft er zich een vrij open begraasd duingrasland gevestigd met typische soorten als Duinsterretje, Smaragdmos, Zanddoddegras, Geel walstro, Kleverige reigersbek, Duinfakkelgras... Het is echter sterk geruderaliseerd door de sterke bezoekersdruk en de aanwezigheid van talrijke konijnen. Soorten als Jacobskruiskruid, Akkerdistel en Speerdistel tonen dit aan. Belangrijk zijn ook de overgangsvegetaties die voorkomen op gradiëntsituaties van zout naar zoet, van vochtig naar droog, van slib naar zand. Op de springvloedmerken vindt men soorten van het Zilverschoonverbond.

Avifauna
De slikken zijn heel rijke voedselgebieden voor tal van vogelsoorten, vooral steltlopers. Deze vogels foerageren bij eb op de vrijgekomen slikken en voeden zich met allerlei bodemdieren. Soms kan men er vrij grote concentraties waadvogels aantreffen, onder andere Scholekster, Kluut en zowat alle Plevier- en Strandlopersoorten.

bwk_39_tureluurHet schorrengebied herbergt enkele typische broedvogels zoals Bergeend, Kluut, Tureluur en Scholekster. Er is een grote meeuwenkolonie (± 5000 broedparen). Ook Zilver- en Zwartkopmeeuw broeden er in stijgend aantal terwijl de kolonie Visdiefjes zich gestabiliseerd heeft met ca. 380 broedparen; soms worden Noordse stern en zelfs Dougalls stern broedend aangetroffen.

bwk_41_smientDe schorren zijn eveneens belangrijk als overwinteringsgebied. Wintertalingen en Smienten foerageren er in de winter op de zaden van Gewone zoutmelde terwijl die van Lamsoor en Klein schorrekruid gegeerd worden door Kneu's, Fraters, IJs- en Sneeuwgorzen, Oeverpiepers en Strandleeuweriken. De Grauwe gans, waarvan een semiwilde populatie het gehele jaar door aanwezig is, komt hier in toenemende mate 'grazen', wat langzaamaan een effect zal hebben op de vegetatie.

Het Zwin is vermaard als slaapplaats voor vele honderden Kemphanen, Wulpen en Regenwulpen. Buiten de broedtijd oefenen de plassen een grote aantrekkingskracht uit op grote concentraties eenden en ganzen. Zo komen de overwinterende Kol- en Rietganzen uit de omgevende polders hier de nacht doorbrengen.

Andere fauna
Dit gebied is uitstekend geschikt voor Haas en Konijn. Men treft ze dan ook in grote aantallen aan. Hun natuurlijke vijanden, namelijk Bunzing, Hermelijn en Wezel zijn vrij algemeen.

De bodemfauna van de slikken bestaat uit talloze Kreeftachtigen (Crustaceëen), Weekdieren (Mollusken) en Ringwormen (Anneliden). In de schorren leven een aantal typische insecten en spinnen. De vegetatie met Zilte rus op vochtig zand is een geschikt milieu voor de Rugstreeppad.

Beheer
Het beheer was een aantal jaren geleden vrij eenzijdig gericht op de avifauna. Nu wordt er echter in meerdere richtingen gewerkt. Zo wordt er o.m. geëxperimenteerd met een kudde schapen op een deel van de schorren om de evolutie van de vegetatie na te gaan. De meeste aandacht gaat wel naar de natuureducatieve functie van het gebied. Opvangen van de bezoekersdruk is één van de voornaamste problemen. Er worden maatregelen genomen om deze te beperken en te kanaliseren; daarom is slechts één gedeelte vrij toegankelijk voor het publiek. Een ander deel kan men bezichtigen tijdens geleide wandelingen. Het derde deel is volledig afgesloten voor het publiek. Andere beheersproblemen zijn onder andere de overbegrazing door konijnen en het te sterk aangroeien van de Kokmeeuwenkolonie.

Het grootste knelpunt is echter de vlugge verzanding van het Zwin, die nog versneld wordt door uitwendige factoren (onder andere fixeren van het strand te Knokke-Zoute, de havenwerken te Zeebrugge). Het gevolg is dat de slikken zandiger worden waardoor het aantal bodemdieren daalt. Ook de vegetatie wordt erdoor beïnvloed. De soortenarme vegetatie met Gewone zoutmelde neemt een sterke uitbreiding ten koste van de andere gemeenschappen.

Het Zwin is sinds 1984 opgenomen in de lijst van watergebieden van internationale betekenis, voornamelijk als habitat voor watervogels (Ramsarconventie, goedgekeurd door België in 1979).

2. Bestemming en bedreiging
Algemeen (voor de gehele Belgische kust)
Op het betrokken gewestplan werden de meeste resterende stukken duin als natuurgebied of als natuurreservaat aangeduid. Dat dit niet voor alle stukken zo gebeurd is, is zeer te betreuren.

Doordat het een recreatiegebied bij uitstek geworden is, heeft het een enorme aantrekkingskracht op toeristen. Het is vooral voor deze toeristen dat de badsteden ontstaan zijn en een grote uitbreiding gekend hebben. Nu nog vallen er duingebieden ten prooi aan de verkaveling niettegenstaande er al een overproductie is aan vakantieverblijven. Recente voorbeelden zijn de verkavelingen van Groenendijk-Oost (Oostduinkerke) en de Westhoek (De Panne) (Kaartblad 12). Het gebied de ‘Zwinbosjes’ wordt nog steeds bedreigd door de plannen voor een Marinaproject (met onder andere jachthaven en luxueus vakantiedorp), hoewel het als reservaatgebied op het gewestplan staat ingetekend.

De overgebleven duingebieden die niet verkaveld zijn, worden echter ook beïnvloed. Praktisch overal ziet men de gevolgen van massarecreatie: ruderalisatie, erosie, verarming van flora en fauna en vervuiling. De recreatieve druk is immers niet alleen op vele plaatsen te zwaar, maar vooral ruimtelijk-structureel buitengewoon chaotisch. De paardensport bijvoorbeeld veroorzaakt enorme schade aan de duinen en de begroeiing ervan.

Waterwinning is een ander menselijk ingrijpen dat een nefaste invloed op de duinstreek heeft. Het water dat men onder de duinen vindt is immers van een zeer goede kwaliteit, vandaar dat er water gewonnen wordt. Deze waterwinning heeft echter verstrekkende invloed; niet alleen in het waterwinningsgebied zelf maar ook in een grote omtrek eromheen wordt het grondwaterpeil verlaagd wat het uitdrogen van de vochtige duinpannen en het vrijwel volledig verdwijnen van de specifieke begroeiing van deze pannen tot gevolg heeft. Er zijn thans maar enkele grote duingebieden die tot nu toe weinig of niet beïnvloed zijn geweest door waterwinning. Deze worden echter ook bedreigd daar men het aantal waterwinningsgebieden wil uitbreiden.

Enkele specifieke bedreigingen voor de Oostkust
• versnippering en vernieling door bebouwing
• intensivering van de landbouw op de overgangsgronden
• grootschalig aanplanten van exoten
• te sterke recreatiedruk
• wegvallen van het oude beheer (vrij extensieve begrazing door schapen) in de Zwinbosjes waardoor het duindoornstruweel in oppervlakte toeneemt
• te intensief beheer van het Golfplein (onder andere gebruik van biociden)
• waterwinning in het Golfplein
• sterke verzanding van het Zwin

3. Voorstellen voor aanleg en beheer
(Voor meer informatie verwijzen we naar R.I.N., 1979 en B.N.V.R., 1980)
We kunnen ons geen verlies van duingebieden meer permitteren. Verkavelingen van nog resterende stukken zijn zeker uit den boze. Waterwinning zou beperkt moeten blijven tot die gebieden die daar al voor gebruikt worden en zou op lange termijn moeten afgebouwd worden. Duingebieden met een nog min of meer ongestoorde waterhuishouding zijn immers zeer schaars geworden. Waar er wel water wordt gewonnen moet men streven naar een zo constant mogelijke, niet te grote onttrekking; deze onttrekking moet steeds gecontroleerd worden aan de hand van de wisselende waterstanden en de vegetatie.

De recreatie zou eveneens beperkt moeten worden tot bepaalde plaatsen. Dit kan men bekomen door weinig toegangspunten te voorzien en een wijdmazig, duidelijk gemarkeerd padennet aan te leggen. De recreatiedruk moet men proberen in de hand te houden.

Voor het inwendig beheer moet eerst en vooral ieder stuk afzonderlijk bestudeerd worden. Men moet onder andere nagaan hoe de situatie vroeger was (literatuur, mondelinge mededelingen, archieven) en nu is (vegetatieopnamen, luchtfoto's), wat de toestand van de ondergrond is, met welke feiten men rekening moet houden (waterwinning, recreatie...). Dan pas kan een beslissing genomen worden wat betreft het te voeren beheer (extensieve begrazing, maaien, kappen, afplaggen of niets doen). Tot beplanten mag men enkele over gaan indien het strikt noodzakelijk is en dan alleen met algemene soorten die van nature in de duinen voorkomen.

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.