headerbg bl

De Duinstreek - Biologisch milieu

1. Landschapsecologische situering/Ontstaansgeschiedenis (naar Claeys et al., 1981)
Om verder schorrengronden in te polderen werd begin 11de eeuw de Evendijk B opgeworpen, vertrekkend van de Genteledijk (Uitkerke) en zuidoostwaarts lopend tot aan het huidige Damme. In de volgende eeuwen werd de kustlijn nog verlengd in oostelijke richting als gevolg van het winnen van vele, kleine polders door middel van boogvormige dijkjes. Hierdoor werd de sedimentatie buitendijks bevorderd; deze aanwassende schorren werden ‘Hazegras’ genoemd.

bwk_17_duinstreekBegin 14de eeuw werd de Zeedijk te Heist landinwaarts verlegd omdat de oude geen voldoende bescherming meer bood tegen de zee. Als gevolg hiervan slibde ter hoogte van Heist een breed strand aan wat aanleiding gaf tot zandopstuiving en duinvorming (eerste duinenrij). Door een verzwakte stroming voor de Zeedijk, werd er meer zand afgezet en ontstond een tweede duinenrij op dat strand. De twee duinenrijen groeiden steeds verder oostwaarts aan op de ‘Hazegras’ schorren. Ze werden uiteindelijk gescheiden door een langgerekte vallei met verscheidene pannen. Rond 1600 kwam op een nieuw ontstaan schorrengebied een derde duinenrij tot stand, die zich later nog zal splitsen.

Op de twee zandplaten die ondertussen in de Zwinmonding gevormd waren, werd eveneens zand afgezet op de sliblaag (de oostelijke (= het huidige Zwin) slechts gedeeltelijk). Door dammenbouw slibden de kreken die de zandplaten van elkaar en van het vasteland scheidden toe en sloot het hele duinengebied uiteindelijk aaneen. In 1872 werd wat nu het huidige Zwin is praktisch helemaal afgesloten van de zee door de bouw van de internationale dijk. Er bleef nog een smalle monding open: de Geule, ± 10 m breed en zeer ondiep. Dit had als gevolg dat de schorren enkel bij springvloed overspoeld werden, wat nu nog altijd het geval is. Pas in de laatste 100 jaar groeiden, door de opkomst van het toerisme, Heist en vooral Knokke aan tot belangrijke badplaatsen. Recent is ook het landschap te Zeebrugge door de uitbouw van de haven, sterk veranderd.

2. Kenmerkende vegetatietypen (Karteringseenheden)
Open waters
Ah: In het westelijk, zuidelijk en oostelijk deel van het natuurreservaat «Het Zwin» werden in 1960 een aantal vijvers gegraven ten behoeve van watervogels. Deze plassen hebben een halien karakter.
Ook de kreken of geulen die door Het Zwin lopen werden als Ah gekarteerd.

Ae: De enkele eutrofe plassen die men aantreft zijn eveneens kunstmatig aangelegd. De twee grootste (één te Zeebrugge en één in de bebouwde kom van Knokke) zijn als recreatieplas in gebruik; de vegetatie is er dan ook miniem ontwikkeld (wat Gedoornd hoornblad (1) en Gekroesd fonteinkruid).
In enkele kleine putjes, gelegen in het duingebied ten oosten van Knokke, groeien onder andere enkele Waterranonkelsoorten.

(1) Nomenclatuur van de Nederlandse namen naar De Langhe et al., 1983.

Moerassen
Mr: Er zijn enkele kleine rietmoerasjes gelegen in het duingebied «De Zwinbosjes». Ze herbergen onder andere enkele prachtige orchideeënsoorten, namelijk Rietorchis en Vleeskleurige orchis. Van de mesotrofe moerasvegetaties tussen Wenduine en Heist schieten geen restanten over.

Graslanden
Hd: Calcifiele droogduingraslanden zoals kenmerkend voor de Westkust (Demarest, 1985), waren eertijds wellicht algemeen in de vallei en op de lage duinen van de oude Zoute Polder (het huidige Golfplein). Goed ontwikkelde varianten daarvan zijn thans beperkt tot kleine vlekjes in de rand van dit Golfplein.

Had: De meeste graslanden vertonen door tal van degraderende invloeden in een van in het begin al minder sterk kalkhoudend milieu, een sterker acidoclien karakter dan de Westkustvarianten met soorten als Zandzegge, Vroege haver, Hazepootje, Akkerhoornbloem, Reukgras, Schapezuring, Leeuweklauw, Gewoon struisgras, Veldbies... als dominante elementen.
In de droge duingraslanden van de Zwinbosjes nemen, in samenhang met de vaak iets kleiige bodems en de van meet af aan intense menselijke beïnvloeding, Arrhenatherionelementen vaak een belangrijker aandeel in de soortensamenstelling in dan aan de Westkust; hierbij worden niet zelden bloem- en insectenrijke zoomachtige ruigten gevormd (met bijvoorbeeld veel Pastinaak, Agrimonie, St.-Janskruid...). Die kleifracties in de bodem maken dat deze graslanden veel gevoeliger zijn voor vervilting bij wegvallen van begrazing (bijvoorbeeld door Witbol, Zandzegge...).

bwk_20_rode-ogentroostHe: De mesofiele, vochtige graslanden van de Zwinbosjes vertonen, sterker nog dan de droge, een eigen karakter t.o.v. de Westkust; dit wordt ook hier veroorzaakt door het lagere kalkgehalte (bijvoorbeeld vaak Tandjesgras als dominante soort, regelmatig voorkomen van Blauwe zegge) en door het hogere slibgehalte. De voornaamste oorzaak is echter het dikwijls nog iets zilte karakter (met veel Fraai duizendguldenkruid, Zilt torkruid, Rode ogentroost (zie figuur rechts), Zilte zegge, Smalle rolklaver, Platte rus, Zeerus, Melkkruid...), wat onder vrij intensieve begrazing tot zeer fraaie Potentilliongraslanden leidt. De overgangen van deze natte graslanden bieden (in samenhang met subtiele variaties in klei-, zout- en vochtgehalte) mogelijkheden voor zeer zeldzame soorten, soms zelfs in zeer hoge aantallen (bijvoorbeeld Borstelbies, verder ook Draadklaver, Harlekijn...). Massa-effecten in de bloei, leiden ook hier - meer nog dan in de droge sfeer - tot bijzonder kleurige zomen (Rode ogentroost, Zilt torkruid, Heelblaadjes, Watermunt...), sluiers (Vogelwikke, Veldlathyrus...) en ruigten (Harig wilgeroosje, Leverkruid, Akkerdistel...) in aansluiting met struweel van grote wilgen of rietmoerasjes.
De zeer intens betreden en door konijnen begraasde varianten vertonen veel gelijkenis met duinpanvegetaties. De ontwikkeling van echte duinpanbegroeiingen in de Zwinbosjes, in enkele recente uitstuivingen, wordt echter door de (over-)recreatie in de kiem gesmoord, terwijl in de uitgedroogde valleien van het Golfplein alleen nog de merkwaardige Kogelbies naast de Zeerus op het vochtige verleden wijzen.

Hp: Een deel van de Oostkust is als landbouwgrond in gebruik, gedeeltelijk voor akkerbouw, gedeeltelijk als weiland. Deze weiden bezitten (grotendeels) nog het karakter van duingrasland (Hp + Hd; Hd + Hp).

Duinen, slikken en schorren
Dl: Tegen de zee aan gelegen hebben we eerst en vooral het strand met of zonder kunstwerken (resp. Dia en Dis). Deze strandvlakte is niet begroeid en kan nogal verschillen in breedte.

Ds: Langs en in de slikken van het Zwin vindt men een open pioniersvegetatie met Zeekraal, Engels slijkgras, Klein schorrekruid en Gewone zoutmelde.

Da: De Kweldergrasassociatie en hogerop de Zeealsemassociatie volgen op de hierboven beschreven slikkebegroeiing. Ze nemen het grootste deel van ‘Het Zwin’ in. Typische soorten zijn Gewoon kweldergras, Gewone zoutmelde, Klein schorrekruid, Meikruid, Zilte rus, Fioringras, Zilte en Gerande schijnspurrie... . In volle zomer vormt de massale bloei van Lamsoor (de bekende ‘Zwinneblommen’) een prachtig zicht.

Dd: Op de strandvlakte volgt een smalle strook zeereepduinen. De weinige planten die er kunnen groeien zijn Helm, Zandhaver en Biestarwegras. Ze worden de primaire zandfixeerders genoemd. Zeewolfsmelk die men aan de Westkust kan aantreffen, ontbreekt hier echter. Wel groeien er Blauwe zeedistel en Zeewinde.

Dm: Vegetatiearme tot vegetatieloze stuifduinen komen hier weinig voor.

Struwelen
Sp: Doornstruwelen met Eenstijlige meidoorn, Sleedoorn, Gewone iep en Duindoorn zijn gesitueerd in het landbouwgedeelte van de duinstreek. Eén brede strook vormt de grens tussen twee grote weilandcomplexen.

bwk_21_hondstongSd: Duindoornstruwelen, die dikwijls een mozaïek vormen met duingrasland, zijn hoofdzakelijk samengesteld uit Duindoorn, Wilde liguster en Vlier. In oudere, meer gediversifieerde struwelen heeft men ook nog Hondsroos, Eglantier, Eenstijlige meidoorn, Sleedoorn en Heggerank terwijl de kruidlaag, vooral in de rand, gevormd wordt door Winterpostelein, Fijne kervel, Hondstong (zie figuur links) , Glad parelzaad, Nachtsilene, Duinruit en Vroege haver. Door de kleifractie in de bodem komt er in deze duindoornstruwelen veel Koebraam voor. Het zijn varenrijke struwelen.

Sf: Eén van de kleine plasjes, waarvan al sprake, is gedeeltelijk verland met een vochtig wilgenstruweel.

Bossen + Aanplanten
Oorspronkelijk kwamen er geen bossen voor in de Belgische duinen. De huidige bossen werden indertijd aangeplant om de duinen te fixeren ter bescherming van de aangrenzende poldergronden. De eerste geslaagde aanplanten dateren van 1890. De meest frequente soorten die hiervoor toen werden aangewend, waren Zomereik, Populier, Witte en Grauwe abeel en Gewone esdoorn als loofhout en Oostenrijkse den, Corsicaanse den en Zeeden als naaldhout. In de 20ste eeuw ging men over naar vooral naaldhoutaanplanten. In tegenstelling tot de Westkust zijn de epifytische begroeiingen hier veel minder ontwikkeld. Toch kan men er een aantal epifytische mossen en korstmossen aantreffen. Enkele markante voorbeelden zijn Boomvorkje, Helmroestmos, Schijfjesmos, Parmelia caperata, Parmelia perlata, Phaeophysia orbicularis var. hueiana en Xanthoria candellaria (mond. med. M. Hoffman).

Qd: Het grootste zuur duinbos te Knokke is verkaveld. Het westelijk stuk is vrij dicht bebouwd, in tegenstelling met het oostelijk deel. De boomstruiklaag bestaat overwegend uit Zomereik, Populier, Witte en Grauwe abeel, Gewone iep, Gewone esdoorn, Sleedoorn, Eenstijlige meidoorn, Vlier, Braam en Heggerank. Plaatselijk zijn er aanplanten van Zeeden. De kruidlaag is er vrij ruig met Grote 'brandnetel, Hondsdraf, Robertskruid, Drienerfmuur, Jacobskruiskruid, Look zonder look, Wilgeroosje, Hondslong, Maarts viooltje, Eikvaren en hier en daar soorten van het kalkrijk duingrasland.
Verspreid liggen er nog enkele kleinere percelen duinbos.

Ru: In het landbouwgedeelte op de grens van de polderstreek liggen er enkele kleine ruderale Olmenbossen. In de boom- en struiklaag staan Gewone iep, Zomereik, Vlier en Eenstijlige meidoorn terwijl de kruidlaag gevormd wordt door Nagelkruid, Grote brandnetel, Hondsdraf, Robertskruid, Hop, Maarts viooltje en soms Vogelmelk.

Ppi, Ppa, Ppmh, Ppms, Ppmb: In de oudere naaldhout aanplanten is er meestal een grazige ondergroei; soms komen er bramen en varens voor of heeft er zich een struiklaag gevormd.

Puntvormige, lijnvormige en kunstmatige elementen
Kb, Kh, Kn: De enkele bomenrijen van Wilg, Populier en Es, Meidoornhagen en veedrinkputten zijn allemaal gesitueerd in het landbouwgedeelte.

Kd: Tussen het natuurreservaat ‘Het Zwin’ en het gebied ‘De Zwinbosjes’ ligt een dijk. Deze is begroeid met soorten van het duinkalkgrasland (Hd).

3. Fauna-elementen
Het ligt voor de hand dat de duinstreek, met zijn sterk wisselende vochtigheidsgradiënten en extreme temperatuurverschillen laag bij de grond, verschillende eigen faunistische aspecten zal inhouden. Diverse soorten zullen er optimaal kunnen gedijen, anderen zullen zich echter met grote moeite kunnen handhaven.

Avifauna
Soorten als Kneu, Grasmus, Fitis en Nachtegaal vinden in de duinstruwelen een uitermate geschikt biotoop. Tot op heden behoren ze tot de meest algemene duinbroedvogels. Daarentegen zijn Tapuit, Geelgors en Roodborsttapuit fel in aantal geslonken; de Grauwe klauwier is vermoedelijk geheel als broedvogel langs de Belgische kust verdwenen.
Op de grens van land en zee ligt er naast het duin nog een ander biotoop dat faunistisch opmerkelijk is namelijk het strand. Het vormt een doortrekgebied voor talloze vogelsoorten. Door steltlopers wordt het benut als rust- en foerageerplaats. Ook duizenden meeuwen komen er rusten en overnachten. Destijds waren Dwergstern en Strandplevier er typische broedvogels, vooral nabij vloedmerken naar de duinvoet toe. Gezien de recreatiedruk is het Belgische strand echter als vogelbroedplaats verloren gegaan. Langs de branding verblijven in het winterhalfjaar tientallen Steenlopers en Drieteenstrandlopers. Voor deze soorten is de Belgische kust een overwinteringsgebied van internationale betekenis (Meininger & Becuwe, 1979). Ook Scholeksters en Bonte strandlopers blijken regelmatige gasten van het strand, al zijn hun aantallen in internationaal perspectief van weinig gewicht (Voet & Becuwe, 1977). Anderzijds heeft de aanleg van golfbrekers of staketsels nieuwe mogelijkheden geschapen voor twee karakteristieke zeereepsoorten m.n. de Steenloper en de Paarse strandloper. Wel dient erop gewezen te worden dat ook hier limiterende factoren aan verbonden zijn (ligging t.o.v. het getijdenniveau, afstand tot bruikbare hoogwatervluchtplaatsen enz...). (Becuwe, 1971).

Andere fauna
bwk_23_boomkikkerDe grazige duinen vormen een ideaal terrein voor konijnen; men treft ze dan ook in grote aantallen aan wat op sommige plaatsen overbegrazing van de duingraslanden tot gevolg heeft.
In de droge graslanden is de Levendbarende hagedis geen zeldzaamheid terwijl de Rugstreeppad een karakteristieke soort is voor vochtige duinvalleien. Op sommige plaatsen kan deze soort zelfs algemeen genoemd worden (De Fonseca, 1980). De Fonseca vermeldt eveneens dat verschillende van de paaiplaatsen sterk bedreigd worden. De oorzaak hiervan ligt vooral in het uitdrogen van de duingebieden door drinkwaterwinning. Enkele plasjes dienen als paaiplaats voor de Boomkikker (zie figuur rechts). Deze kikkersoort is een zeer zeldzame verschijning in Vlaanderen. Het areaal in het Knokse moet dan ook zeker beschermd worden.
De duinen zijn erg insectenrijk. Dit komt door de grote verscheidenheid aan milieus: open zandige plekjes, noord-zuidhellingen, droge graslanden, vochtige duinvalleien, struwelen en bossen. Sommige insecten en ook spinnen zijn specifieke duinsoorten.

pastarchives

| inhoudstafel |

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.