headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Zandstreek - De Cuesta Oedelem-Zomergem - Fysisch milieu

De Zandstreek - De Cuesta Oedelem-Zomergem - Fysisch milieu

Naar Ameryckx 1977, Sys & Vandenhoudt 1972, Vandenhoudt, Sys & Leys 1971

1. Geologie - Lithologie
Het Tertiair wordt hoofdzakelijk gevormd door het Sartoon. Het Bartoon omvat hier het zand van Wemmei (Wemmeliaan) en de klei van Asse (Assiaan). Het Wemmeliaans zand is groen en kleiachtig. De klei van Asse bestaat uit zware, compacte klei, grijsgroen in de diepte, geelachtig bruin gevlekt nabij de oppervlakte. Deze kleilaag dagzoomt op de hoogste zones. Ten zuiden van het Bartoon ligt er een smalle strook Lediaan. Dit Lediaan bestaat uit een dunne laag fijne, zachte en gewoonlijk kalkrijke zanden die een weinig glaukoniethoudend en dikwijls fossielrijk zijn.

In het pre-Flandriaan werd het tertiaire oppervlak geërodeerd en een nieuw reliëf geschapen. De harde klei van Asse bood echter weerstand tegen deze verbrokkeling. Met de Flandriaanse transgressie vertraagde de ontwikkeling van het reliëf en werden de weerstandbiedende kleiheuvels tegen algehele afbraak gevrijwaard. De heuvels van de cuesta zijn dus de getuigen van de verbrokkeling van het pliocene emersieoppervlak (1) (Poppe, 1943). Tijdens het Quartair (Pleistoceen, Würmijstijd) werden door overheersende noordwesten winden, niveo-eolische zanden aangevoerd en afgezet op het tertiair erosieoppervlak. Daar het zand zich verplaatste door saltatie vormden de hellingen van deze cuesta een moeilijk te overkomen hindernis.

Het is dus maar een dunne laag pleistocene sedimenten (dekzanden) die de cuestaheuvels bedekt. Deze sedimenten bestaan hier overwegend uit lemig-zand daar dit immers iets lichter is dan zand en dus verder de helling kon opgevoerd worden; ze bevatten ook een zekere bijmenging voortkomend van de onderliggende tertiaire substraten. Hierdoor is de textuur er nogal heterogeen; naast zand en lemig-zand vindt men er eveneens licht zandleem, zand-leem en lichte klei (ontsluitingen van de klei van Asse).

In het Laatglaciaal had lokaal nog een hernieuwde eolische actie plaats tijdens de koude Dryasfasen. Het betreft uitsluitend lokale verplaatsingen van dekzand dat in en nabij de valleien werd opgenomen en op de flanken van o.a. de cuestaheuvels weer werd afgezet.

Het Holoceen is vooral van belang in en nabij de beekvalleien en de depressies. In de valleien en de depressies bestaat de oppervlaktelaag uit alluviale sedimenten, terwijl op de randen lokale afzettingen van boreale dekzanden kunnen voorkomen.

De alluviale sedimenten zijn van sterk uiteenlopende textuur. De zwaarste materialen (zandleem en kleien) werden langs de boven- en middenloop van de waterlopen afgezet. De aanvoer greep vermoedelijk plaats vanaf de ontsluitingen van het Bartoon. Van deze tijd dateert ook de veenvorming.

(1) emersieoppervlak - uittredend oppervlak

2. Reliëf-Geomorfologie
De dikte van het quartair dek is op de rugzones in het algemeen gering. Het tertiair substraat bevindt er zich over grote oppervlakten op slechts enkele decimeters diepte of dagzoomt er. De morfologische trekken worden dus in hoofdzaak bepaald door het reliëf van de tertiaire ondergrond.

De onderste grens van het Lediaan bepaalt nagenoeg de overgang van het vlakke, zuidelijk gebied (III.1) met de cuesta Oedelem-Zomergem. De zuidelijke helft is iets steiler dan de noordelijke helling. Ten westen van Knesselare wordt de cuesta door een geul in twee verdeeld.

Het is een zwak golvend plateau tussen de 15 en 28m. Enkele afgeplatte heuveltjes vormen er de hoogste punten (25-28m).

3. Hydrologie - Hydrografie
De grondwatertafel ligt in dit zwak golvend gebied op grotere diepte dan in het vlakke gebied en beïnvloedt er de oppervlaktelaag niet.

Wanneer echter een weinig doorlatende laag, zoals een tertiair kleiig substraat (Bartoonklei), in het profiel voorkomt, kan zich daarop in het natte seizoen tijdelijk een watertafel vormen, die in de zomer en in de herfst volledig verdwijnt. Het gaat hier dus niet om een schommeling zoals bij het permanent grondwater, maar om een tijdelijk aanwezig zijn van stuwwater, dat oorzaak is van grote variaties in de waterhuishouding.
De tijdelijke watertafel veroorzaakt eveneens gleyverschijnselen. Er bestaat ook nog een afzonderlijke groep namelijk de gronden met hellingwater. Door de verticale afwisseling van tertiaire kleiige en zandige lagen zijn sommige van deze lagen watervoerend. Gronden die op de hellingen liggen waar deze watervoerende lagen dagzomen, kunnen permanent nat zijn (en dus een reductiehorizont vertonen) ten gevolge van de oppervlakkige en ondergrondse afvloei.

De afwatering gebeurt via beken en kunstmatige watergangen die ofwel in het kanaal Gent-Brugge ofwel in het Schipdonkkanaal uitmonden.

Het Drongengoedgebied wordt gedraineerd door een vijftal beken die ± in stervorm ontspringen op de zwak golvende cuesta. Deze beken (Driesbeek, Zwarte Gatbeek, Splenterbeek, Ede en Wagenmakersbeek) erodeerden duidelijke valleien in het landschap (Hermy, 1984).

4. Pedologie
• De lemig-zandgronden beslaan grote oppervlakten. Het zijn vooral matig natte en natte postspodosols; deze laatste komen vaak geassocieerd voor met natte gronden zonder profielonwikkeling. In het Drongengoedbos en ten westen ervan vormen spodosols grote, aaneengesloten gebieden.
• De zandgronden nemen een veel geringere oppervlakte in dan de lemig-zandgronden. Het zijn geel- tot groenachtige zandgronden en overwegend droge tot matig droge spodosols en postspodosols.
• De licht-zandleemgronden zijn weinig talrijk. Ze komen voor in associatie met zand-leemgronden. Het zijn matig natte tot zeer natte gronden die meestal geen welbepaalde profielontwikkeling vertonen.
• De zandleemgronden liggen lokaal in de beekvalleien (sterk gleyige tot zeer sterk gleyige gronden) vaak rustend op veen of met verveende bovengrond. Op de rugzone komen ze ook voor waar ze op een zware-kleisubstraat rusten (sterk gleyige zandleemgronden met niet bepaalde profielontwikkeling of zonder profielontwikkeling).
• De kleigronden die er voorkomen zijn over het algemeen tertiaire kleigronden die sterk en zeer sterk gleyig zijn, zonder reductiehorizont (stuwwatergronden). Hier en daar komen er kleine vlekken alluviale klei voor in de beekvalleien.

5. Klimatologie
Het klimaat van het gebied is matig en vochtig, met een gemiddelde luchttemperatuur van 9,5 ° - 10 °C (jaargemiddelde). Het jaargemiddelde van de neerslag bedraagt 800 mm, tamelijk gelijkmatig verdeeld over het jaar.

Afdrukken E-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.