headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Zandstreek - De Rug van Aalter - Fysisch milieu

De Zandstreek - De Rug van Aalter - Fysisch milieu

Naar Ameryckx, 1977a, b

1. Geologie - Lithologie
Het geologisch substraat wordt gevormd door subhorizontale, mariene lagen van het Tertiair, namelijk het Eoceen: leperiaan (heel weinig) (klei en zand) en Paniseliaan (klei en zand met plaatselijk platte zandsteen). Deze tertiaire formaties hellen naar het noorden. Het Paniseliaan komt over grote oppervlakten op minder dan 1 m voor en dagzoomt op talrijke plaatsen.

Tijdens het Kwartair (Pleistoceen, Würmijstijd) werden door overheersende NW-winden, niveo-eolische zanden aangevoerd en afgezet op het laaggelegen tertiair erosieoppervlak. Het zijn fijne zanden, soms zwak tot matig leemhoudend. De hogergelegen tertiaire delen (15-20 m) zijn bedekt door een dunne, zandige of lemig-zandige deklaag; deze deklaag moet toegeschreven worden aan lokale verstuivingen van hoofdzakelijk al aanwezig tertiair zand en vooral aan solifluctieverschijnselen, die zich tijdens het Pleistoceen hebben voorgedaan. Ook de top van het tertiair substraat is sterk aan solifluctie en kryoturbatie onderhevig geweest. Tijdens het Laatglaciaal en het Holoceen hadden nog zandverstuivingen en -afzettingen plaats. Uit de holocene periode dateert ook de veenvorming en de lemige en kleiige oppervlakteafzettingen in depressies, langs waterlopen en op hellingen (recent alluvium en colluvium).

2. Reliëf - Geomorfologie
Het is een vlak tot zwak golvend gebied. De hoogte schommelt er tussen de 10 a 25 m. Het microreliëf is tamelijk uitgesproken met denivellaties van 5 m. Het quartair dek is op de lagergelegen delen dikker dan op de hoger gelegen delen.

3. Hydrologie-Hydrografie
De lagergelegen gronden hebben een ondiepe, permanente grondwatertafel die de oppervlaktelagen beïnvloedt. De hogergelegen gronden hebben een tijdelijke stuwwatertafel. Er zijn ook gronden met hellingwater.

Als gevolg van een verticale afwisseling van kleiige en zandige lagen in het tertiair substraat zijn sommige zandlagen watervoerend. Wanneer een watervoerende laag op een helling dagzoomt, zal hieruit voortdurend water komen en kan een reeks bronnen ontstaan op een zogenaamd bronniveau. Dergelijke bronnen komen voor in een smalle strook op de helling van de tertiaire opduiking ten Z van Oostkamp.

De ontwatering gebeurt via beken en kunstmatige watergangen. Het gebied behoort tot het verzamelgebied van de Kerkebeek (mondt uit in het Zuidervaartje), het verzamelgebied van de Rivierbeek (mondt uit in het kanaal Gent-Brugge en het Zuidervaartje) en het verzamelgebied van de kanaalbeken (monden allen direct uit in het kanaal Gent-Brugge).

4. Pedologie
• De zandgronden nemen grote oppervlakten in. Droge en matig droge zandgronden komen meer voor dan matig natte en natte. Het zijn spodosols of postspodosols. Er zijn ook geelachtige of groenachtige zandgronden (Tertiair); deze matig grove zandgronden zijn doorgaans droge spodosols of zwak ontwikkelde droge gronden. Er zijn ook matig droge tot natte gronden zonder profielontwikkeling.
• De lemig-zandgronden nemen een even grote oppervlakte in als de zandgronden. Het zijn overwegend matig natte postpodzolen. De matig natte lemige zanden op een klei-zandsubstraat hebben geen ontwikkeling. De droge en matig droge zijn ofwel spodosols, ofwel postspodosols, ofwel prespodosols. Natte en zeer natte lemig-zandgronden treft men aan in depressies.
• De licht-zandleemgronden komen verspreid voor. Het zijn overwegend matig natte tot natte postspodosols of prespodosos. Droge tot matig droge prespodosols en postspodosols beperken zich tot enkele vlekken. De natte zijn gronden zonder profielontwikkeling.
• De zandleemgronden beperken zich tot enkele kleine vlekken. Het zijn natte gronden zonder profielontwikkeling.
• De kleigronden nemen de belangrijkste beekvalleien in. Ze komen ook voor te Schuurlo. Het zijn natte, zeer natte en gereduceerde gronden zonder profielontwikkeling en met reductiehorizont.
• Veengronden komen als enkele kleine vlekken voor in depressies. Het zijn zeer natte gronden.

Dit gebied wordt gekenmerkt door het veelvuldig voorkomen van spodosols.

5. Klimatologie
Het klimaat van het gebied is matig en vochtig met een gemiddelde luchttemperatuur van 9,6°C (jaargemiddelde). Het jaargemiddelde van de neerslag bedraagt 782 mm, tamelijk gelijkmatig verdeeld over het jaar.

Afdrukken E-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.