headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Polders - Het Nieuwland van Oost-Vlaanderen

De Polders - Het Nieuwland van Oost-Vlaanderen

Fysisch milieu (naar Ameryckx, 1962, Sys & Vandenhoudt, 1974)

1. Geologie/Lithologie
Bij het begin van het Holoceen (± 8000 jaar vóór X) bestond Oost-Zeeuws-Vlaanderen uit een zwak golvend dekzandlandschap. Door een rijzing van de zeespiegel verbreidde zich over het gebied gaandeweg een moerasvegetatie. Het noorden van oostelijk Zeeuws-Vlaanderen was tegen het einde van het Atlanticum door de zee overspoeld, waardoor afzetting van wadzand en/of wadklei (afzetting van Calais) plaatsvond.

Als gevolg van een regressie (ca. 2300 jaar vóór X) kon de veengroei zich hierna weer over het noordelijk deel uitbreiden. Deze veengroei heeft zich tot 200 jaar na X en in het land van Saaftinge tot 700 jaar na X kunnen voortzetten. Door latere transgressies (Duinkerken II, UIA en IIIB) zijn op dit veen mariene, veelal kleiige sedimenten afgezet. Een regressie trad op in de 8ste en 9de eeuw. Vanaf deze periode zal waarschijnlijk bewoning zijn voorgekomen in dit met kreken doorsneden schorren- en moerassengebied.

2. Geomorfologie/Reliëf
Het landschap is vlak, met een microreliëf dat al werd gevormd tijdens de opslibbing (schorrelandpolders), maar dat vooral tot uiting komt in de tegenstelling van kreken, kreekwal- en schorgronden. De hoogte schommelt tussen 2,5 en 4 m. De overgebleven dijken vormen de enige verhevenheden in dit vlakke landschap.

3. Hydrologie/Hydrografie
De afwatering gebeurt via wateringen en kreken in het Leopoldkanaal.

4. Pedologie
In dit gebied treft men zandleem- en kleigronden aan. Het zijn overwegend matig gleyige gronden zonder profielontwikkeling.

5. Klimatologie
Het klimaat van het gebied is matig en vochtig, met een gemiddelde luchttemperatuur van 9,5-10,5°C (jaargemiddelde). Het jaargemiddelde van de neerslag bedraagt 800-850 mm, tamelijk gelijkmatig verdeeld over het jaar.


Biologisch milieu
1. Landschapsecologische situering/Ontstaansgeschiedenis (naar Verhulst, 1964 en naar: zie Fysisch Milieu)
Ter voorkoming van overstromingen bij extra hoge zeewaterstanden werden tijdens de regressie van de 8ste en 9de eeuw mogelijk de eerste dijken opgeworpen op de hoogste schorren.

De overstromingen van 1014, 1024 en 1100 zijn waarschijnlijk aanleiding geweest om op grote schaal dijken op te werpen. Door een nieuwe regressie van de zee kon weer veel land worden gewonnen, waardoor Oost-Zeeuws-Vlaanderen rond 1350 wel zijn grootste omvang heeft gehad. Na 1350 begon een nieuwe transgressieperiode. Door de stormvloed van 1375-1376 werd in het aaneengesloten kustgebied van Zeeuws-Vlaanderen een bres geslagen waardoor tussen oost en west de Braakman ontstond, die zich door de Sint-Elisabethvloed van 1404 en de vloeden van o.a. 1421 en 1477 verder vergrootte in oostelijke richting. Om het land ten westen van de Braakman te beveiligen voor dijkbreuken werd na 1404 de Gravejansdijk opgeworpen, terwijl aan de oostzijde op het einde van de 15eE de Landdijk werd aangelegd.

Bij de Allerheiligenvloed van 1570 werden opnieuw grote delen van het gebied overstroomd zodat Zeeuws-Vlaanderen van de 14de tot de 16de eeuw grote landverliezen geleden heeft. Bovendien waren deze in de 16eE nauwelijks goedgemaakt of de strategische overstromingen van de Tachtigjarige Oorlog richtten nog grotere schade aan. De bedijkingen van de 17de en 18de eeuw hebben hier tenslotte een geheel nieuw landschap doen ontstaan, waaronder het middeleeuwse landschap slechts met moeite herkend kan worden.

Vanwege de toen al verworven technieken kende dit Nieuwland een heel systematische ontginning. De kavels of percelen zijn groot en regelmatig. Het is een landelijk gebied (vooral akkerbouw) met hier en daar een nog open tot verlande kreek en als enige verhevenheden in het vlakke landschap de resterende dijken. De bewoning is er schaars. Buiten de kleine, aaneengesloten dorpskernen is de overwegend rurale bewoning verspreid; soms is ze geconcentreerd langs een dijk.

2. Kenmerkende vegetatietypen (Karteringseenheden)

Open waters
Ah, Aev: Praktisch alle kreken in dit deel van de Oost-Vlaamse polders zijn nog min of meer brak. In het open water kunnen zeer dichte vegetaties van Schedefonteinkruid en Zannichellia voorkomen; ook diverse Waterranonkelsoorten en Sterrekroossoorten zijn dikwijls van de partij. In deze kreken is er een verzoetingsproces aan de gang. In de ene voltrekt dit proces zich vlugger dan in de andere met als twee uitersten de Molenkreek (de ziltste) en de Roeselarekreek die al helemaal verzoet is. Het overgebleven open stuk van deze laatste werd dan ook als Aev gekarteerd.

Ae: Verspreid liggen enkele kleine plasjes.

Moerassen
Mr, Mz, Md: Langs de meeste open kreken en in de uitlopers hebben zich Rieten Zeebiesstroken gevestigd. De Molen- en Roeselarekreek zijn al sterk dichtgegroeid. Hier komt praktisch geen open water meer voor. Het zijn Riet-, Zeebies- en Ruwe biesvelden geworden. In de Roeselarekreek heeft er zich een prachtig drijftil ontwikkeld met onder andere de zeldzame Moerasvaren en enkele Veenmossoorten.

bwk_57_margrietGraslanden
He: Vochtig, licht bemest grasland is in deze streek een grote zeldzaamheid. Langs de Blokkreek heeft een dergelijke vegetatie zich kunnen handhaven. Wat hier erg uitzonderlijk is, is het voorkomen van de Dotterbloem, een soort die immers als zoutmijdend gekend is en in het Maritiem district zeer zeldzaam is.

Hu: Op enkele dijken en langs sommige wegen vindt men nog een fraaie, bloemrijke kruidenvegetatie met soorten als Kraailook, Wilde peen, Duizendblad, Sint-Janskruid, Vlasleeuwebek, Kaardebol, Pastinaak, Veldlathyrus, Gele morgenster, Margriet...

Hx, Hp: Soortenarme tot iets soortenrijkere weilanden zijn niet erg talrijk. Het landschap wordt immers gedomineerd door uitgestrekte akkervelden (Bu, BI).

Schorren
Da: De zilte vloed is behalve in de brakke kreken enkel nog te merken in twee weilandjes, één grenzend aan de Molenkreek, één aan de Oostpolderkreek. In het eerste vindt men nog een fraaie schorrevegetatie met onder andere Zulte, Schorrezoutgras, Melkkruid...

Struwelen
Sp: Van de vroeger mooi ontwikkelde doornstruwelen blijven enkel nog fragmenten over (Sp°).

Aanplanten
Lh, Mr: Enkele stukken rietland werden met populieren beplant woordoor er sterke verruiging optrad.

L/N, Lhb: In sommige populierenaanplanten werd een struiklaag aangeplant of kwam er een tot ontwikkeling.

UHp: Enkele weilanden werden eveneens beplant met populieren. Ze worden echter nog steeds begraasd.

Lijnvormige, puntvormige en kunstmatige elementen
Kb: Knotwilgen vindt men in weilanden terwijl de populierenrijen eerder langs wegen en op of langs dijken gesitueerd zijn.

Kh, Kj: Bij enkele boerderijen zijn er meidoornhagen en/of kleine hoogstamboomgaarden overgebleven.

Kn: Veedrinkputten liggen her en der verspreid in enkele weilanden.

Kd: Dijken zijn heel kenmerkend voor deze streek. De begroeiing varieert volgens het verschil in beheer, de noordzuidoriëntatie (vb. zonnige zuidkant, koele noordkant) en de samenstelling van het dijkmateriaal (het verschil in klei-, zand- en kalkgehalte).
Langs of op de meeste dijken werd een weg aangelegd. Op de taluds van enkele van deze dijken heeft zich een fraaie, bloemenrijke kruidenvegetatie (zie Hu) kunnen vestigen. Op andere werden populieren aangeplant waardoor de vegetatie nitrofieler en soortenarmer werd. Vroeger kwamen op enkele dijken een mooi ontwikkeld doornstruweel voor. Daar zijn nog slechts fragmenten van overgebleven.
Stukken van het dijkennet zijn opgenomen in de langsliggende weilanden; ze worden dus meebegraasd. Op enkele wordt zelfs akkerbouw toegepast.

3. Fauna-elementen

Avifauna (naar Anselin, 1986)
bwk_28_visdiefjeIn dit gebied zijn het vooral de kreken die van belang zijn voor de avifauna. De kreken met hun typische begroeiing vormen een geschikt biotoop voor een aantal vogelsoorten. Volgens Anselin (1986) betreft het wel een ‘verarmde’ moerasavifauna aangevuld met enkele elementen van de kustavifauna. Als typische rietzangvogels broeden hier Kleine karekiet, Rietzanger, Blauwborst, Bosrietzanger en Rietgors waarvan de eerste twee het algemeenst zijn. Bij de watervogels zijn er naast de algemene soorten als Wilde eend, Waterhoen en Meerkoet ook enkele onregelmatige broeders namelijk Zomertaling, Slobeend en Bergeend. De steltlopers zijn vertegenwoordigd door de Kluut, Kleine plevier en Tureluur. Andere vermeldenswaardige broedvogels zijn de Bruine kiekendief, de Waterral, de Koekoek en de IJsvogel. Ook voor vogels die elders broeden zijn de kreken een uitstekend foerageergebied. De Blauwe reiger is zo'n typische soort. Het Visdiefje kan men er eveneens regelmatig waarnemen.

In de winter vinden een aantal vogelsoorten er een uitstekende pleisterplaats. Zeer talrijk zijn dan de Meerkoet, de Wilde eend, de Wintertaling en in mindere mate de Kuiteend, de Tafeleend en de Bergeend. Slobeend en Fuut overwinteren er eveneens jaarlijks maar dan in kleine hoeveelheden. Kleine zwaan en Smient zijn echter onregelmatige wintergasten; ze zijn dan meestal in grote aantallen aanwezig. Ook Dodaars, Knobbelzwaan, Wilde zwaan, Pijlstaart, Nonnetje, Brilduiker, Aalscholver en Grote zaagbek overwinteren er onregelmatig; deze zijn echter telkens door weinig individuen vertegenwoordigd.

Andere fauna
De amfibieën worden vertegenwoordigd door algemene soorten als de Kleine watersalamander, de Gewone pad, de Bruine en de Groene kikker. In een plasje, gelegen op de grens met Nederland, werd door De Fonseca (1979) een paaiplaats van de zeer zeldzame Boomkikker aangetroffen. De waterfauna van de kreken is afhankelijk van tal van biotische en abiotische factoren. Een factor die een grote rol speelt bij het bepalen van de soorten is het zoutgehalte. Sommige dieren treft men alleen in brakke kreken aan, andere enkel in zoetwater. Toch kunnen typische brakwaterorganismen (bijvoorbeeld Steurkrab) samen voorkomen met zoetwaterdieren (bijvoorbeeld Waterezeltje). Dit zijn soorten met een groot aanpassingsvermogen. Door de zeer trage verzoeting of verzouting van het kreekwater leren deze dieren zich geleidelijk aan te passen aan veranderingen (T. Vercauteren in Landschapspark, Krekengebied, Delaunois (eindred.) 1982).


Conclusies

1. Evaluatie
Algemeen
Zoals al uit de beschrijving kan afgeleid worden, ligt de natuurwaarde van dit uitgesproken landbouwgebied bij de nog resterende kreken. Kreekresten behoren tot de belangrijkste natuurgebieden van deze streek. Zij herbergen niet alleen diverse bijzondere planten en dieren, maar ze zijn ook in landschappelijk opzicht van belang. Aan de loop van de diverse restanten van voormalige kreken kan men ook goed de inpolderingsgeschiedenis van het land aflezen. Zij bepalen daarmee de identiteit van een gebied (Van Haperen, 1983). Ook de overgebleven dijken zijn biologisch, landschappelijk en historisch van belang.

Karakteristieke gebieden (naar De Raeve, 1975)
a. De Molenkreek
De Molenkreek is, zoals al eerder vermeld, de meest zilte van de hier besproken kreken. Ze is praktisch helemaal toegeslibd. Het grootste deel wordt ingenomen door Riet- en Zeebiesvegetaties. Op de hoger gelegen delen treden Zilverschoon, Valse voszegge, Kruipende boterbloem, Kluwenzuring, Spiesbladmelde en enkele halofiele soorten als Zulte en Melkkruid faciësvormend op.

In de zuidelijke punt, dat als weiland in gebruik is, is de zilte invloed sterk merkbaar. Het is een echte schorrevegetatie met een bultslenkpatroon; volgende soorten kan men er aantreffen: Zeebies, Gerande schijnspurrie, Zulte, Schorrezoutgras, Zilte rus, Spiesbladmelde, Melkkruid, Stomp kweldergras, Klein schorrekruid, Strandkweek, Fioringras en Pluimzegge.

b. De Roeselarekreek
De Roeselarekreek is evenals de hierboven besproken kreek nagenoeg volkomen verland. Enkel in het middengedeelte is nog open water te vinden. In tegenstelling tot de Molenkreek is er echter geen zilte invloed meer te merken. Ze is volledig verzoet. De noordoostelijke strook wordt gevormd door een rietvegetatie die plaatselijk sterk verruigd is.

In de zuidwestelijke uitloper heeft zich een fraaie drijftillenvegetatie ontwikkeld. Langs de centrale sloot bestaat deze vegetatie vnl. uit Grote lisdodde; hierop volgt dan een mossenrijke Moerasvarenbegroeiing en verzuurd rietland met o.a. Waternavel, Kamvaren, Smalle stekelvaren, Haakveenmos, Gewimperd veenmos en Gewoon veenmos. In het noordelijk gedeelte van deze uitloper gaat het rietland over in een verruigd grasland.

Heden ten dage is het aantal veenmossen echter fel geslonken.

bwk_59_heemstc. De Blokkreek (Hollandersgat + Vrouwkenshoekkreek)
Langs deze open, mesohaliene kreek krijgen de smalle rietkragen weinig kans om zich te ontwikkelen. De stroken worden bijna overal vernield door sportvissers. Er komen wel enkele rietlanden voor, vooral in de uitlopers. In de meeste hiervan werden greppels gegraven en populieren aangeplant, soms ook een struiklaag. Door deze ingreep, is er een sterke verruiging opgetreden. Nitrofiele soorten als Harig Wilgeroosje, Grote brandnetel. Akkerdistel en Haagwinde tieren hier welig. Toch zijn er enkele mooie ruigten te vinden met o.a. de zeldzame Heemst.

d. De Boerekreek + Mesurekreek
Langs deze uitgestrekte kreek hebben zich smalle stroken Riet en vooral Zeebies en Ruwe bies gevestigd. Net zoals in de Blokkreek heeft ook hier de oeverbegroeiing te lijden van overbevissing. Hier en daar vormen Schedefonteinkruid en Zannichellia welige onderwatervegetaties terwijl op andere plaatsen Waterranonkels en Slanke witte waterkers aspectbepalend zijn.

Langs de zuidelijke oever van het middenstuk van deze kreek ligt er een brede drijfzoom met veel Geverzegge en, merkwaardig voor de polders, Dotterbloem. Deze soort is ook te vinden in het aangrenzend hooiland. In dit hooiland komen ook Tweerijige zegge, Koekoeksbloem, Pinksterbloem, Scherpe zegge, Pijptorkruid, Waterbies... voor.

e. De Oostpolderkreek
Het westelijk gedeelte is open. Langs de noordelijke oever ligt er een smalle rietzoom. Dit loopt dan door in het rietland dat heel het oostelijk gedeelte inneemt.

De zilte invloed in deze kreek is het best te merken in de kleine, zuidelijke uitloper. Langs de oever komt er hier een Zeebies/Ruwe biesvegetatie voor die via een bultslenkpatroon overgaat in een schorrevegetatie met o.a. Melkkruid en hogerop in grasland.

f. De Bentillekreek
Deze kreek ligt op de grens polder/zandstreek. Het is een betrekkelijk smalle kreek waarvan het open, noordelijk deel nagenoeg vegetatieloos is; het zuidoostelijk, verlande deel wordt begroeid door een zeer ruige rietvegetatie met o.a. Kale jonker, Liesgras, Harig wilgeroosje, Riet, Grote en Kleine lisdodde, Gele waterkers, Blaartrekkende boterbloem, Waterzuring en enkele lianen namelijk Bitterzoet en Hop.
Op het eind van deze zuidoostelijke uitloper tegen de weg Bentille-Sint-Margriete aan ligt er een vuilnisbelt. Deze heeft een storende invloed op de Bentillekreek.

2. Bestemming en bedreiging

Bestemming
Vrijwel het gehele gebied werd als landschappelijk waardevol agrarisch gebied ingetekend. Alle kreken zijn natuurgebied. Helaas garandeert dit weinig voor het behoud van deze waardevolle natuurmonumenten.

Bedreiging
Een eerste ernstige bedreiging voor de kreken vormt de verontreiniging. De voornaamste oorzaken hiervan zijn de meststoffen afkomstig van de aangrenzende akkers en weiden en het storten van puin, huisvuil en landbouwafval.

De overrecreatie (onder andere sportvissen, windsurfen...) eist eveneens een zware tol. Op enkele plaatsen is de rietkraag al sterk gedegradeerd of zelfs helemaal vernietigd. Ook de fauna heeft er erg onder te lijden (o.a. rustverstoring). De aanwezigheid van vaak illegale weekendverblijven langsheen de kreken en de daarmee gepaard gaande aanplant van exoten is hier een zeer storend element. Ook het uitgraven van visvijvers en het aanplanten van populieren in rietlanden zijn als negatief te beoordelen. Zoals overal heeft ook hier de huidige landbouwexploitatie een nivellerende invloed. Naast de eerder vermelde verontreiniging door meststoffen en afval zijn waterstandsverlaging in het kader van ruilverkavelingen en omzetten van unieke kreekgraslanden in bouwland de voornaamste bedreigende factoren. Het afgraven van dijken of het inschakelen van deze als bouwland vormen een gevaar voor het voortbestaan van deze belangrijke landschapselementen.

3. Voorstellen voor aanleg en beheer (voor meer informatie verwijzen we naar R.I.N., 1979 en B.N.V.R., 1980)
Het beheer van oude kreken moet erop gericht zijn de geomorfologische structuur te behouden en vervuiling te mijden.

Uitwendig beheer
Controle en verbetering van de waterkwaliteit. Hiervoor kan de aanleg van een bufferzone met beperkte menselijke activiteit onontbeerlijk zijn. Controle op de regeling van het waterpeil moet mogelijk zijn. Sterke daling of grote schommelingen van het waterpeil kunnen immers nefaste gevolgen hebben voor zowel flora als fauna.

Herstel van rust (beperken van de recreatie).

Vermijden van sluikstort.

Inwendig beheer
De oevervegetatie in stand houden (tegengaan van de versnippering van de oevervegetatie, maaien in najaar en winter om de verruiging tegen te gaan). Niets doen.

Net zoals in het Nieuwland van het Zwin komen ook hier de kreken in aanmerking voor het oprichten van natuurreservaten.

Afdrukken E-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.