headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Polders - Het Nieuwland en het Zwin

De Polders - Het Nieuwland en het Zwin

Fysisch milieu (naar Ameryckx 1954, Tavernier & Ameryckx 1970)

1. Geologie/Lithologie
Zie Geologie/Lithologie het Oud- en Middelland.
De Duinkerken-IIIB-transgressie (12de eeuw) was in het noorden en het westen een lang dijkensysteem opgeworpen om de uitbreiding van de overstromingsvlakte van de Duinkerken-IIIA-transgressie te beperken. Dit dijkensysteem hield echter op ten noordoosten van Hoeke. Vanaf dit punt werd in zuidwestelijke richting een diepe kreek van 500 tot 1500 m breedte uitgeschuurd: het eigenlijke Zwin. De Zwininham bereikte zijn maximale uitbreiding met een breedte van ± 4 km bij de huidige rijksgrens. De belangrijkste zwinarm drong door tot Damme; tussen Damme en Brugge strekte zich een strandvlakte uit, nagenoeg vrij van kreken. Toen de Duinkerken-IIIB-transgressie plaatsgreep werd het al bestaande dijkensysteem nog versterkt en uitgebouwd.

2. Geomorfologie
Het is een zeer vlak gebied (± 4 m boven de zeespiegel) met enkele open kreken of geulen. De nog overgebleven dijken vormen de enige verhevenheid in dit landschap.

3. Hydrologie/Hydrografie
De afwatering gebeurt op kunstmatige wijze. Het bekken van het Leopoldkanaal en van de Damse vaart zijn hierbij betrokken. Het overtollige water komt langs de greppels of draineerbuizen in de sloten terecht. Vandaar wordt het verzameld in wateringen of geleden die het naar de hoofdwatergangen of afwateringskanalen voeren. Via deze laatste wordt het water afgevoerd en bij eb in zee geloosd. Dit gebeurt te Heist. De open kreken bevatten brak water.

4. Pedologie
Men onderscheidt 4 bodemseries namelijk schorgronden, geulgronden, kreekwalgronden en kunstmatige gronden.
• schorgronden: kleigronden rustend op een zandig of kleiig substraat
• geulgronden: de laagliggende gronden van de niet geheel opgevulde getijdegeulen
• kreekwalgronden: de lichte gronden die langsheen de getijdegeulen natuurlijke, weinig uitgesproken hoogten vormen
• kunstmatige gronden

5. Klimatologie
Het klimaat van het gebied is matig en vochtig, met een gemiddelde luchttemperatuur van 9,6°C (jaargemiddelde). Het jaargemiddelde van de neerslag bedraagt 782 mm, tamelijk gelijkmatig verdeeld over het jaar.


Biologisch milieu
1. Landschapsecologische situering -ontstaansgeschiedenis (naar Verhulst, 1964 en naar: zie Fysisch milieu)
In de 12de eeuw begon men met het inpolderen van de Zwinvlakte. Het was echter pas in het begin van de 13de eeuw dat de eerste grote polders werden gevormd. De landwinning in deze streek heeft tot in de 18de eeuw geduurd. De inpoldering gebeurde polder per polder door het systematisch aanleggen van dijken. Het gewonnen land werd drooggetrokken op een paar smalle, bedijkte geulen (= kreken) na. Het huidige landschap wordt nog altijd gekenmerkt door een aantal overgebleven dijken en geulen.

Daar de ontginningstechnieken verbeterden met de tijd, is er een duidelijk verschil te zien tussen de vroegste nieuwlandpolders en de recentste. De oudste leunen nog sterk aan bij het Oud- en Middelland. Het gebied tussen Brugge en Damme werd onmiddellijk na de transgressie terug ingepolderd. De verhouding weiland akker ligt er aanmerkelijk hoger dan in de rest van het Nieuwland. Dit stuk wordt dan ook niet bij het eigenlijke Nieuwland gerekend maar wordt bij het Oud- en Middelland besproken (de grens tussen Oud-Middelland en Nieuwland is volgens Tavernier & Marechal, 1959). Naarmate men naar het noordoosten trekt, ziet men meer en meer het typische Nieuwlandschap verschijnen. Hier doet men vooral aan akkerbouw. De verhouding weiland/akker is hier veel kleiner.

2. Kenmerkende vegetatietypen (Karteringseenheden)
Open waters
Ah: Enkele smalle geulen of kreken ten zuiden van het Zwin zijn open gebleven of gedeeltelijk dichtgeslibd. Deze geulen zijn brak; de zilte ondersoort van Zannichellia, min of meer typisch voor de polders, is hier dan ook geen zeldzaamheid. Ten oosten van Knokke, tegen de Nederlandse grens liggen enkele kleine oude kleiputten. Ze bevatten eveneens brak water. Het zijn vrij ondiepe plassen waarvan de begroeiing te vergelijken is met die van de brakke kreken.

Ae: Andere gewezen kleiputten bevatten zoet water. Het zijn tamelijk recente plassen (Aer). De begroeiing is er fragmentarisch ontwikkeld. Verspreid liggen nog enkele kleine zoetwaterplasjes.

Aev: In dit gedeelte van de Damse vaart treft men een fraaie vegetatie van Gele plomp aan. De uitgestrekte groeiplaats van Witte waterlelie tegen de Nederlandse grens is recent aangeplant.
Ook hier kwam tot voor kort Watergentiaan voor.

Ap: Tegen Knokke aan ligt er een vrij diepe, oude zandwinningsput met steile oevers. Het zand werd aangewend om het nabijgelegen strand op te hogen. Ten noorden van Moerkerke ligt er eveneens een diepe maar kleine put.

Moerassen
Mr: Langs enkele van de hierboven besproken geulen en putten liggen er smalle stroken rietland terwijl de kreken rond Lapscheure, op een middensloot na, helemaal dichtgegroeid zijn met overwegend een rietvegetatie. Riet, Harig wilgeroosje, Kale jonker, Watermunt, Moerasvergeetmenietje, Haagwinde en Bitterzoet zijn enkele van de meest voorkomende soorten. In de verlandingszone vormen Kleine lisdodde, Geverzegge, Watertorkruid, Waterzuring en Zwanebloem soms een lintvormige vegetatie. Ook de zeldzame Lidsteng vormt op zo'n slijkplaats enkele mooie populaties (naar Deloof, 1983).
Her en der verspreid langs sloten hebben zich rietkragen gevestigd, al of niet fragmentair ontwikkeld.

Md: Op één enkele plaats van de Hoekevaart is een drijftil tot ontwikkeling gekomen. De vegetatie wordt gevormd door Riet, Geverzegge, Valse voszegge, Waterzuring, Kale jonker, Watermunt... Dat het hier om een verzuurd rietland gaat wordt bewezen door de aanwezigheid van Smalle stekelvaren, Kamvaren en Veenmos (naar Vogelaers, 1985). Mz: In de rietlanden van de Lapscheurse kreken kunnen ook stroken Zeebies/Ruwe bies voorkomen. Dergelijke vegaties kan men ook langs sommige sloten aantreffen.

Graslanden
He: Vochtige, licht bemeste graslanden worden een steeds zeldzamere verschijning in de polders. In de Nieuwlandpolders hebben ze echter nooit grote oppervlakten ingenomen. Nu zijn het nog enkele, zeer kleine stukjes, grenzend aan rietland namelijk langs de Dievegatkreek (ten zuiden van het Zwin gelegen) en langs enkele kreken te Lapscheure. Niettegenstaande hun geringe oppervlakte zijn ze zeer soortenrijk met o.a. enkele illustere soorten als Rietorchis, Addertong, Moeraswespenorchis, Grote ratelaar en Vleeskleurige orchis, (naar Deloof, 1983)

bwk_36_pastinaakHu: Dit vegetatietype gekenmerkt door veel schermbloemigen en composieten (Arrhenatherion elatioris) vindt men enkel als lintvormige begroeiingen langs sommige wegbermen en dijken.
Deze begroeiingen kunnen echter heel kruidenrijk zijn met o.a. Knoopkruid, Duizendblad, Pastinaak, Boerenwormkruid, Klein streepzaad, Agrimonie, Fluitekruid, Wilde peen, Dubbelkelk en op één plaats zelfs de zeer zeldzame Kruisdistel. Hier en daar werd dit aangeduid met Hu (het betreft hier eerder toevallige vondsten dan een systematische kartering).

Hp: Het weilandpercentage daalt naarmate men van Brugge weg noordoostwaarts trekt.
De bemestingsgraad en de begrazingsdruk bepalen de soortenrijkdom van deze graslanden.

Hpr: Het is uitsluitend in het zuidwestelijk deel van de Nieuwlandpolders dat men weilanden met microreliëf aantreft, een paar kleine percelen langs enkele kreken niet te na gesproken. In de vochtige tot natte depressies groeien een aantal specifieke planten die zich hogerop niet meer kunnen handhaven (Waterbies, Zomprus, Geknikte vossestaart, Mannagras zijn daar enkele voorbeelden van).

Hx: Net zoals in het Oud- en Middelland zijn ook hier de extreem soortenarme graslanden meestal tijdelijke, ingezaaide hooilanden of -weiden. Naarmate de huidige bemestingsgraad en bemestingsdruk van de gewone graasweiden (Hp) gehandhaafd blijft of zelfs groter worden, zullen meer en meer permanente graslanden naar dit type evolueren.

Schorren
Da: In en langs de kreekrestanten kan een halofiele vegetatie voorkomen. In de overgangszone tussen water en weiland ontstaat door de betreding van het vee een bultslenkpatroon. Op de vochtiger plaatsen groeien vooral Zeekraal, Zulte, Zilte schijnspurrie, Stomp kweldergras, Schorrezoutgras en soms zelfs Lamsoor, op de hogere plaatsen Melkkruid, Zilte rus en Fioringras.

Struwelen
Sp: Verspreid liggen enkele doornstruwelen. Het betreft hier uitgegroeide hagen met vooral Eenstijlige meidoorn en Sleedoorn; ook Hondsroos, Gewone iep, Vlier... kunnen er in voorkomen.

Sz: Bij de steenbakkerij van Hoeke is een klein wilgenstruweel tot ontwikkeling gekomen.

Bossen
Ru: De ondergroei van een kleine populierenaanplant, gelegen ten zuiden van het Zwin, heeft min of meer het karakter van een ruderaal Olmenbos. Men vindt er Vlier, Grote brandnetel, Fluitekruid en Maarts viooltje.

Puntvormige, lijnvormige en kunstmatige elementen
Kb: Bomenrijen van vnl. knotwilgen en populieren zijn vooral terug te vinden in de weilanden en op sommige dijken en wegen. Aangezien het weilandareaal vermindert naar het noorden toe, zullen daar minder bomenrijen te zien zijn.

Kh: Het gebied rond Lapscheure is vrij heggenrijk, hoewel er al veel verdwenen zijn. Het zijn vooral meidoornhagen.

Kj, Kl: Bij de boerderijen ligt er dikwijls een kleine hoogstamboomgaard. Er zijn enkele grotere boomgaarden gelegen ten zuidoosten van Knokke. Eén ervan werd omgeschakeld tot een laagstamboomgaard, maar wordt verwaarloosd.

Kn: In de weilanden kan men vaak veedrinkputten aantreffen, hoewel ze meer en meer vervangen worden door drinkpompen. In deze plasjes zijn de Waterranonkels tijdens hun bloei de opvallendste planten.

Ku: Ruderale vegetaties hebben zich ontwikkeld op de gestoorde gronden rond de nieuwe putten van Hoeke. Enkele kenmerkende soorten zijn Witte honingklaver, Boerenwormkruid, Jacobskruiskruid en Smeerwortel. Een minder algemene soort is Rode ogentroost.

Kd: De resterende dijken zijn ofwel in weiland gelegen en worden dus mee begraasd, ofwel werd er een weg op aangelegd. De dijkbermen zijn soms begroeid met een kruidenrijke vegetatie (zie Hu) die varieert naarmate de expositie van de dijk naar de zon, naarmate het beheer verschilt (maaien, niets doen, begrazen) en volgens de aard van het materiaal waaruit de dijk opgebouwd is. Soms komt er een bomenrij of struweel voor op zo'n dijk.

Ko: Te Westkapelle, dicht tegen de Nederlandse grens aan, vormt een groot stort een storend element in dit vlakke landschap.

3. Fauna-elementen

Avifauna
bwk_51_blauwborstDe rietkragen langs de kreken en kleiputten vormen een geschikt biotoop voor een aantal rietzangvogels: Kleine karekiet, Rietzanger, Blauwborst en Bosrietzanger. Ook op andere vogelsoorten oefenen de kreken een aantrekkingskracht uit. Een aantal minder algemene broedende watervogels zijn Slobeend, Zomertaling, Bergeend, Kuifeend en Dodaars. Deze laatste twee zijn eerder typisch voor de grotere en diepere wateroppervlakten van de kleiputten. Verder broedt de Bruine Kiekendief er op twee plaatsen en heeft er zich een kleine kolonie Kluten gevestigd langs de Hoekevaart.

De kreken, kleiputten en vochtige weilanden zijn ook belangrijk als doortrekgebied voor een aantal vogels. Enkele interessante doortrekkers zijn Kemphaan, verschillende Ganzensoorten, Zwarte ruiter, Sperwer...

In de winter vinden o.a. Blauwe reiger, Wintertaling, Wilde eend, Watersnip, Wulp, Goudplevier, Rietgors en enkele prooivogelsoorten er een uitstekende pleisterplaats.

Andere fauna
In het vochtig tot natte milieu van kreken, hooilanden en microreliëfweiden treffen we de Bruine en Groene kikker, de Gewone pad en de Kleine watersalamander aan. In enkele plasjes zijn er paaiplaatsen van de zeer zeldzame Boomkikker. Deze vindplaatsen sluiten aan bij die van de duinstreek en vormden een aaneengesloten areaal.


Conclusies

1. Evaluatie
Algemeen
De natuurwaarde van deze uitgesproken landbouwstreek is vnl. gelegen bij de kreken en de aangrenzende graslanden. Ook de bloemenrijke vegetaties op de talrijke dijken en langs sommige wegbermen brengen enige variatie in het vrij eentonige akkerland.

Karakteristieke gebieden
bwk_35_pijptorkruida. Dievegatkreek (Knokke)
bwk_27_lamsoorTen westen van het open, brakke water heeft zich een brede rietkraag ontwikkeld met o.a. Heelblaadjes, Watermunt, Pijptorkruid en op iets drogere plaatsen Rietorchis, Addertong, Vierzaadwikke, Melkkruid, Moeraswespenorchis en Harig wilgeroosje.
Ten zuidoosten van de kreek is er een rand waarop een schorrevegetatie groeit met Zeekraal, Zilte rus, Zilte schijnspurrie, Spiesbladmelde, Lamsoor en Kattedoorn. In de aangrenzende weilanden kan men ook nog halofiele soorten aantreffen. Langs de brakke kreek ten westen van de Dievegatkreek heeft er zich eveneens een rietkraag ontwikkeld.

b. Oude kleiputten ‘De Vrede’ (Knokke)
Ten oosten van de brakke kleiputten heeft er zich een rietland ontwikkeld. Dit rietland gaat over in zompig grasland met in de depressies een halofiele vegetatie. Volgende soorten kan men er aantreffen: Blaartrekkende boterbloem, Zulte, Zeezuring, Spiesbladmelde, Zilverschoon, Moerasandijvie... Langs de sloten zijn er rietkragen. Ten westen van één van de putten komt er een doornstruweel voor.

c. Hoekevaart (grens Knokke-Heist/Damme) (naar Vogelaers, 1985)
Dit is een kunstmatig afwateringskanaal dat in de 15de eeuw uitgegraven werd in de oude kreekbedding van de ‘Godsvliet’. Langs de beide oevers strekt er zich een prachtig rietland uit. Vooral het oostelijk gedeelte (dat als Reservaatgebied op het gewestplan aangeduid staat) is biologisch erg waardevol. De brede rietkraag bestaat vooral uit Riet, Kleine lisdodde, Zeebies en Ruwe bies. In de overgangszone met de aangrenzende weilanden is door de betreding van het vee een bultslenkpatroon ontstaan. Enkele typische soorten van deze grenssituatie zijn Pijptorkruid, Waterbies, Zompvergeet-mij-nietje, Moeraszoutgras, Aardbeiklaver, Zilverschoon... Op één bepaalde plaats heeft zich een interessante drijftilvegetatie, een zeer zeldzaam vegetatietype in de maritieme polders, ontwikkeld. Het is een verzuurd rietland met enkele typische soorten namelijk Smalle stekelvaren, Kamvaren en Veenmossen.

d. Lapscheuregat (Damme) (naar Deloof, 1983)
Verlande kreekrestant waarvan de rietkraag regelmatig gemaaid wordt. Er groeien dan ook planten die kenmerkend zijn voor een vochtig hooiland. Volgende soorten kan men er vinden: Poelruit, Pijptorkruid, Kleine ratelaar, Penningkruid, Koekoeksbloem, Veldlathyrus, Smeerwortel, Gele lis, Rietorchis en Vleeskleurige orchis.

bwk_37_hondsroose. De kleiputten van de steenbakkerij van Hoeke en Oud Fort St. Donaas + het Lievegeleed (Damme) (naar Vogelaers, 1985)
In deze vrij recente putten hebben zich al enkele mooie rietlanden en een wilgenstruweel ontwikkeld. Op het wateroppervlak kan men Drijvend fonteinkruid en Stijve waterranonkel aantreffen. Interessante soorten die langs de oevers voorkomen zijn Zeebies, Ruwe bies, Moeraszuring en Smalle lisdodde. Op de hopen dekaarde die verspreid over het terrein liggen, is er een ruderale vegetatie tot stand gekomen; enkele merkwaardige soorten zijn Dubbelkelk en Kaardebol. Verspreid komen ook enkele fraaie doornstruwelen voor met Eenstijlige meidoorn, Hondsroos en Heggerank. Langs het Lievegeleed bevindt zich een brede rietkraag met ondermeer Poelruit en Kleine ratelaar.

f. Zevengemeten, Flettersdam en Riet-geule (Damme) (naar Deloof, 1983)
Deze oude kreekrestanten zijn op een middensloot na, allemaal dichtgegroeid met een fraaie rietvegetatie. Plaatselijk werd de rietkraag gemaaid en ontstond een bloemenrijk Calthion met enkele zeldzame soorten als Grote ratelaar, Rietorchis en Vleeskleurige orchis.
In enkele percelen komen ook halofiele soorten voor waarvan de bijzonderste Moeraszoutgras, Stomp kweldergras, Zulte en Melkkruid zijn.

2. Bestemming en bedreiging
Bestemming
Het merendeel staat op het gewestplan ingetekend als (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied. De omgeving van de Dievegatkreek, de Vrede, de Hoekevaart, het oud fort St. Donaas, de Damse vaart, het Lievegeleed en de Flettersdam is natuurgebied (N of R). Er zijn enkele ontginningsgebieden met als nabestemming landbouw, natuurgebied of recreatiegebied.

Bedreiging
Doordat de kreekrestanten smalle stroken vormen in landbouwgebied worden ze uiteraard beïnvloed door de landbouwexploitatie. Zo vormen verontreiniging door meststoffen (afkomstig van de aangrenzende akker- en weilanden) en afval, waterstandsverlaging en omzetten van kreekgraslanden in bouwland ernstige bedreigingen.

3. Voorstellen voor aanleg en beheer (voor meer informatie verwijzen we naar R.I.N., 1979 en B.N.V.R., 1980)
De kreekrestanten en oude kleiputten die voor de landbouw geen waarde hebben, komen in aanmerking voor het oprichten van natuurreservaten. Hierbij moet wel kunnen gegarandeerd worden dat er geen ongewenste stoffen vanuit de omliggende landbouwzones binnendringen en dat het waterpeil geen sterke daling of grote schommelingen kent.

Afdrukken E-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.