headerbg bl
HomeNatuur en landschapNatuurBiologische WaarderingskaartDe Polders - Het Oudland en het Middelland - Conclusies

De Polders - Het Oudland en het Middelland - Conclusies

1. Evaluatie

Algemeen (naar Van Gompel J. & Vanhecke L. 1981 en Vanhecke L. 1983b)
Het poldergebied heeft, niettegenstaande het een cultuurlandschap is, een heel eigen karakter dankzij de specifieke ontstaanswijze en exploitatie. De nabijheid van de zee drukt een zilte stempel op de vegetatie.

bwk_51_zeekraalOndanks hun relatief geringe oppervlakte zijn de kustpolders rijk aan verschillende soorten, ondersoorten enz... van water- en moerasplanten. Men vindt er ook een relatief hoog aantal min of meer specifieke soorten (vb. Lidsteng, Waterpunge, Slanke waterbies, Stompbladig sterrekroos, Zannichellia, Ruwe bies en natuurlijk een aantal zilte soorten als Zeekraal, Schorrezoutgras...) of soorten die er algemener zijn in vgl. met andere streken (onder andere Slanke witte waterkers, Pastinaak, Gedoomd hoornblad...).

De uitgestrekte weilandcomplexen zijn door de variatie tussen nattere depressies en drogere, hoger gelegen gedeelten en de overgang brak/niet brak vrij soortenrijk. Ze zijn echter vooral belangrijk (niet alleen op nationaal vlak maar ook internationaal) als broed-, pleister- of overwinteringsplaats voor een aantal waardevolle weidevogels. De belangrijkste weidevogel- en overwinteringsgebieden werden op de kaarten schuin gearceerd.

Ook kleinere gebieden kunnen zeer interessant zijn, vooral op botanisch vlak. Ze zijn voor de landbouw dikwijls van weinig of geen belang. In tegenstelling tot de grotere complexen, die intensief geëxploiteerd worden, komen deze marginale gebieden eerder in aanmerking voor een eventueel reservaatstatuut. Voor de landbouwers zou het immers geen verschil in uitbatingswijze meebrengen. Voor de grotere complexen moet het echter ook mogelijk zijn om bv. in ruilverkavelingsprojecten, meer rekening te houden met voorstellen of randvoorwaarden vanuit het natuurbehoud. Het landschap tussen Zeebrugge en Brugge is al sterk veranderd door de uitbouw van de haven van Zeebrugge. Meer en meer poldergrond valt ten prooi aan de uitbouw van de achterhaven en de vestiging van industrieën.

Karakteristieke gebieden

a. De lage weiden van Ramskapelle

De gronden van dit weilandencomplex werden vroeger allemaal uitgeveend. Daardoor ontstonden weiden met een uitgesproken microreliëf. Langs en in de sloten vindt men onder andere Zwanebloem, Zannichellia, Sterrekroos en Lidsteng. Deze laatste vindt men ook in de depressies waar ook de Waterbies massaal kan staan. Praktisch overal komen er veedrinkputten voor waarin men naast de verschillende Waterranonkel-, Sterrekroos- en Fonteinkruidsoorten eveneens de al vermelde Lidsteng kan aantreffen.

In dit complex liggen er enkele vochtige hooilandjes met o.m. Koekoeksbloem, Poelruit, Moeraswalstro, Veldlathyrus, Kale jonker, Pijptorkruid, Gele lis en Zompvergeetmenietje.
Dit weilandcomplex is één van de belangrijkste watervogelgebieden ten noorden van Brugge, vooral als foerageergebied voor honderden eenden. Voor de Smient en de Wintertaling is het de overwinteringsplaats bij uitstek van de gehele regio. Ramskapelle is ook een secundaire pleisterplaats voor ganzen (vooral Kolganzen). Heel het gebied ten zuiden van Zeebrugge en tussen het Boudewijnkanaal, het Schipdonkkanaal en de weg Brugge-Knokke gelegen, is voorbestemd tot de uitbouw van de achterhaven van Zeebrugge. Dit unieke gebied is dus gedoemd te verdwijnen. In de jaren na de kartering (1979) is al opnieuw poldergrond verdwenen onder opspuitingen; het uitzicht van dit gebied is sinds 1979 dus sterk veranderd! Op de kaart werd de toestand van na 1979 weergegeven, daar de topografische kaart een recente uitgave is van 1983.

b. Gebied tussen Lissewege en Dudzele (aan weerszijden van het Boudewijnkanaal gelegen)

Weilandencomplex met microreliëf als gevolg van de vroegere uitvening of uitbrikking. Doordat er insijpeling van zout water is vanuit het Boudewijnkanaal, is dit gebied erg zilt. Er groeien dan ook halofiele planten in de depressies en langs de sloten. Enkele soorten zijn Zulte, Zeekraal, Spiesbladmelde, Zilte schijnspurrie, Melkkruid, Zilte rus en Schorrezoutgras. Op één plaats treft men massaal Zulte (in september vormt deze plant een paarse zee van bloemen) en Zeekraal aan naast soorten als Zilte rus, Spiesbladmelde, Gerande schijnspurrie, Zilte schijnspurrie en Strandkweek.

Er zijn ook enkele kleine hooilanden in dit gebied gelegen waarin eveneens halofiele soorten groeien.

c. Enkele weiden ten zuiden van Zeebruggebad en de Fonteintjes

bwk_24_de-fonteintjes

Deze gronden zijn slechts voor een klein 42 gedeelte uitgeveend. De weiden zijn erg reliëfrijk. Hier en daar komen er halofiele planten voor. In de plasjes en depressies komen volgende soorten voor: Aardbeiklaver, Lidsteng, Gerande schijnspurrie, Zilte rus, Zeebies, Kleine lisdodde en Pijptorkruid.

d. Weilandcomplex ‘De Speye’

Dit slotenrijk weilandencomplex is één van de belangrijkste overwinteringsgebieden van de Kleine rietgans. Dikwijls verblijft hier de totale Belgische overwinterende populatie. Er is een intense uitwisseling tussen Speye en Damme. In mindere mate overwinteren hier Kolganzen terwijl Riet- en Brandganzen wel eens worden waargenomen. Af en toe zijn er grote concentraties Watersnippen en Wintertalingen te zien.

e. Weidegebied rond Damme

Uitgestrekte weilandcomplexen. De weilanden hebben een uitgesproken microreliëf. In de depressies treft men typische soorten aan als Waterbies, Pijptorkruid, Tweerijige zegge, Zomprus, Lidrus. Er zijn nog enkele groeiplaatsen van Lidsteng. Dit gebied is internationaal belangrijk als de grootste ganzenpleisterplaats van het land. Kol- en Kleine rietganzen overwinteren hier in grote aantallen. Soms kan men er ook Rot-, Brand-, Riet- en Grauwe ganzen waarnemen.

f. De oude vestingen van Damme (naar Kuyken 1982, Danneels 1983 en Decleer 1983)

Dit kleine maar toch zeer belangwekkend gebied is een overblijfsel van de vroegere vestingen van Damme. Deze vestingen hadden een geometrische vorm namelijk de zeventiende-eeuwse zevenster; deze is nu nog altijd goed te herkennen.

Vegetatie
In de resterende grachten ten oosten van de Damse vaart zijn rietlanden tot ontwikkeling gekomen. Eén stuk echter is dichtgegroeid met een mooie vegetatie, vooral bestaande uit Pluimzegge, Scherpe zegge, Geverzegge, Tweerijige zegge, Blauw glidkruid, Dotterbloem en Gele waterkers. Er is ook opslag van Wilg, Ruwe berk en Zwarte els. Deze vegetatie is enigszins te vergelijken met de begroeiing die in de westelijke grachten tot stand gekomen is. Door natuurlijke processen is hier een merkwaardige vegetatie ontstaan. Heel interessant is het feit dat men hier de diverse successiestadia van een verlanding aantreft: kleine, ondiepe poelen worden omringd door indrukwekkende Pluimzeggepollen die plaatselijk massaal overgroeid worden door de zeldzame Moerasvaren en andere planten zoals Blauw glidkruid, Pinksterbloem, Wederik en Kale jonker. Als oeverplanten vindt men ook nog Valse ciperzegge, Kalmoes, Grote egelskop, Waterbies, Moerasvergeetmenietje en Watermunt. In het drijvende rietland werd recent het zeer zeldzame Blaasjeskruid ontdekt.

Op iets hogere delen kondigen Harig wilgeroosje, Leverkruid, Bitterzoet en Grote brandnetel verruiging aan; hier is er ook struikopslag van Ruwe Berk, Zwarte els, Wilg- en Sporkehout. Er heeft zich een merkwaardig moerasbos ontwikkeld, half drijvend op een meterdik onbegaanbaar veenpakket.

Fauna
Hoe klein dit gebied ook is, toch herbergt het een groot aantal diersoorten. Heel wat vogels broeden (onder andere minder algemene soorten als Waterral, Cetti's zanger, Snor, Kleine karekiet en Spotvogel), slapen (onder andere Houtduiven, Boerenzwaluwen en diverse Lijstersoorten) of overwinteren (onder andere Ransuilen) hier. Echte zeldzaamheden als Baardmannetje, Porseleinhoen en Purperreiger werden er ooit waargenomen. Talloze kleine knaagdieren maar ook grotere zoogdieren als Bunzing, Hermelijn en Wezel voelen zich hier thuis evenals een groot aantal waterslakjes, waterkevers en waterwantsen.

g. Fort van Beieren

Het oud Fort van Beieren werd begin 18de eeuw aangelegd. Het bestond uit een hoofdwal met vier bastions en een naar Brugge gerichte ravelijn (het eiland); in de gracht voor de nu nog gedeeltelijk bestaande hoofdwal lag een doorgaande verdedigingslijn waarvoor nog kleine ravelijnen aangelegd waren (Devliegher, 1970). De buitengracht is nu een smalle beek (Fortbeek) terwijl de hoofdwal bijna helemaal verland is met Rietland, Wilgenstruweel, Elzenbroekbos en Berkenbroekbos. Men kan de begroeiing gedeeltelijk vergelijken met de stadswallen van Damme. Ook hier kan men de verschillende successiestadia van een verlanding naast elkaar aantreffen.

Het Fort van Beieren is geklasseerd als beschermd monument.

h. Kanaalbermen van het Boudewijnkanaal

bwk_26_wondklaverDe bermen bestaan uit kalkrijk zand waarop zich duingrasland en duindoornstruweel gevestigd heeft. Vooral de vegetaties op de westelijke kanaalberm zijn goed ontwikkeld. Het voorkomen van enkele orchideeënsoorten als Gevlekte orchis, Rietorchis, Vleeskleurige orchis en de zeer zeldzame Bijenorchis is hier zeker te vermelden.

Tot voor kort kwamen er op de noordoostelijke berm eveneens fraaie vegetaties voor met onder andere zeer veel Muskuskaasjeskruid, Geelhartje, Geel walstro, Zeegroene zegge en Wondklaver. Deze berm is echter al gedeeltelijk afgegraven, dit in het kader van de werken aan de Zeebrugse achterhaven.

Het zuidoostelijk deel wordt ingenomen door ruderaal Olmenbos.

Het struweel en het bos bieden een broedplaats aan een aantal zangvogels en worden in de winter door Ransuilen als roestplaats gebruikt.

i. Polderbosje ‘De Blauwe Toren’

Soortenrijk nitrofiel Elzenbos met enkele voor de streek zeldzame soorten: Addertong, Boskortsteel, Heelkruid en Boszegge.

j. Kasteelpark ‘Ten Berghe’

Gedeeltelijk kasteelpark met enkele prachtige beuken- en eikendreven, gedeeltelijk vrij soortenrijk nitrofiel Elzenbos. De hakhoutlaag is goed ontwikkeld met onder andere Gewone es, Zomereik, Zwarte els, Vlier, Eenstijlige meidoorn, Tamme kastanje en Gewone iep.

2. Bestemming en bedreiging

Bestemming
Het overgrote deel staat op het gewestplan ingetekend als (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied; sommige delen werden als natuurgebied (N) aangeduid, wat echter geen enkele garantie biedt voor het in stand houden van de biologische rijkdom van deze streek. Enkele stukken zijn parkgebied. Het gehele gebied tussen het Boudewijnkanaal, het Leopoldkanaal, Zeebrugge en Dudzele is opgetekend als gebied voor milieubelastende industrieën (1), evenals een brede strook langs het Boudewijnkanaal vanaf Dudzele tot in Brugge.

(1) Gebieden voor milieubelastende industrieën: bestemd voor de vestiging van bedrijven die om economische of sociale redenen moeten worden afgezonderd, dit in tegenstelling met gebieden voor vervuilende industrieën bestemd voor vestiging van bedrijven die ter bescherming van het leefmilieu moeten worden afgezonderd). (Gewestplan Brugge-Oostkust).

Er zijn een paar gebieden voor de vestiging van kleine en middelgrote ondernemingen.
Verspreid liggen er ook enkele ontginningsgebieden met als nabestemming (dag-) recreatie of landbouw. Bij de meeste is de ontginning al stopgezet. Ook zijn er enkele gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen (onder andere nieuwe begraafplaats en nieuw ziekenhuis).

Bedreiging
In de laatste jaren is het op natuurgebied in de polders sterk achteruitgegaan. Deze aftakeling wordt door verschillende factoren veroorzaakt.

Het verdwijnen van landbouwgrond ten gunste van industrie, bebouwing en recreatie en de met zich meebrengende infrastructuurwerken, is er één van. De storende invloed die deze elementen, eenmaal gevestigd, uitoefenen op het milieu is zeker niet gering. Dit wordt nog in de hand gewerkt door de openheid van het landschap en het gebrek aan reliëf in het gebied. De grootste industrie-uitbreiding op dit kaartblad wordt veroorzaakt door de uitbouw van de achterhaven van Zeebrugge. Daarmee verdwijnt (en is al gedeeltelijk verdwenen) één van de interessantste poldergebieden van de kust namelijk het weilandencomplex van Ramskapelle.

Een ander probleem is de intensivering van de landbouw wat het verdwijnen van waterrijke gronden en het opvoeren van de bemesting met zich meebrengt. Het is vooral in de ruilverkavelde gebieden dat er een sterke biologische verarming tot stand komt. In zo'n gebied worden immers een gedeelte van de sloten uitgediept, verbreed en de oevers met beton of andere inerte materialen verstevigd. De andere worden gedempt, evenals de veedrinkputten en andere ondiepe laagten. Dit alles brengt met zich mee dat op die grote weilandcomplexen een sterke bemaling kan toegepast worden. Elk stuk wordt daardoor gemakkelijker toegankelijk en kan intensiever bewerkt worden (hogere bemesting, scheuren en terug inzaaien van graslanden, omzetten tot akkers).

Nog een probleem is de overbejaging (meestal door buitenlandse jagers) dat een nadelige invloed heeft op de fauna.

3. Voorstellen voor aanleg en beheer

(Voor meer informatie verwijzen we naar R.I.N., 1979 en B.N.V.R., 1980)
Zoals al vermeld in het vorige punt, is de situatie niet zo rooskleurig voor de natuurlijke elementen in de polders. Zelfs voor de enkele, kleinere gebieden die op het gewestplan als natuurgebied werden aangeduid, kunnen er geen garanties geboden worden voor het behoud van hun biologische waarde (vb. de ruilverkaveling van de Moeren van Meetkerke (Kaartblad 12)) ondanks hun bestemming als natuurgebied. Ook de rangschikking van landschappen in sommige gebieden gaf tot nu toe onvoldoende bescherming. Om toch nog een aantal gebieden te vrijwaren van verdere verarming, biedt het oprichten van verscheidene weidereservaten een oplossing.

  • het beheer van graslanden kan, naargelang het vegetatietype, bestaan uit één- of tweejaarlijkse maaibeurten, extensieve begrazing en het achterwege laten van bemesting.
  • het beheer van sloten moet gericht zijn op het behoud van de watervoerende functie en van de biologische kwaliteiten. Zo moeten ondermeer de werkzaamheden in het broedseizoen beperkt zijn, water- en oevervegetatie moeten zoveel mogelijk in de winter verwijderd worden. Het onderhoud moet met natuurtechnische middelen gebeuren; hierbij moet gezorgd worden voor variatie in tijd, afmeting, stroming en voedselrijkdom. Het gebruik van de klepelmaaier en herbiciden is volledig af te raden. Wanneer er toch mechanisch gereinigd wordt, dan enkel vanaf één oever en hoogstens eenmaal om de drievijf jaar. Waar de belendende vegetatie te kwetsbaar is moet onderhoud door mankracht gebeuren.
  • heggen en bomenrijen moeten behouden blijven; de vroegere beheersvormen moeten zoveel mogelijk terug toegepast worden (o.m. knotten, snoeien...). In sommige gevallen, indien de situatie dit toestaat, is het in botanisch en faunistisch opzicht interessanter de hagen te laten verwilderen.
  • het beheer van wegbermen bestaat, naast het afweren van nivellerende invloeden (zoals overbemesting), vooral uit een extensief maaibeheer (met afvoer van het hooi) of indien mogelijk begrazing.

Volgens het bermbesluit van 1984 (geldig voor bermen langs wegen, spoorwegen en watergangen) is het gebruik van biociden op bermen verboden. Dit besluit zegt tevens dat het maaisel dient verwijderd te worden binnen de tien dagen na het maaien.

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.