headerbg bl

De Oostenrijkse periode

A. Vrede en welvaart

Na een "tijdperk van anderhalve eeuw oorlogen heerste er weer vrede over de Zwinstreek. Het Vrije behield echter de kustwacht omdat een nieuw soort gevaar opdook. Af en toe verscheen een handelsschip uit tropische landen, waarvan de bemanning aan een besmettelijke ziekte leed. Het Vrije riep de “souvereinsgasten” op om te verhinderen dat besmette vaartuigen aanlandden. Ondertussen werd de veestapel getroffen door een of andere ziekte.

De vermelde feiten beletten niet dat de landbouw en de handel vanaf 1715 goed op dreef kwamen. Het aantal neringdoenden en ambachtslieden nam toe; in een kleinere parochie werkte een molenaar, een smid, een wagenmaker. In grotere parochies twee of drie molens (molenwerkers), smlssen (hoefsmeden), wagenmakerijen. Daarnaast vond men overal gareelmakers, timmerlieden, kleermakers, schoenmakers, metsers, strodekkers, kuipers, glazenmakers, brouwers, winkeliers, herbergiers. Sommige dorpen beschikten over een chirurgien-barbier (geneesheer); enkele personen legden zich toe op vlas roten en (thuis) zwingelen; maar de meeste parochies telden ca. 10 % "aerme dischghenooten".

De betrekkelijke welvaart werd verstoord door de Oostenrijkse Successieoorlog tussen Frankrijk enerzijds, en Oostenrijk en Engeland anderzijds (KZ 269, Dudz SL 252). In 1744 vielen de Fransen binnen. In juli 1745 betrad Lodewijk XV de stad Brugge. De Franse troepen eisten vervoer, foerage, en brandhout. In 1747 bezetten ze het Noordvrije waar ze het Izabellafort en Damme bezetten. Van daaruit veroverden ze Sluis en Zeeuws-Vlaanderen. Kort daarop moesten ze zich terugtrekken; op 23 oktober stonden ze de vrede van Aken toe.

Na de Franse bezetting die een viertal jaren geduurd had, deed het Vrije in het voorjaar van 1748 alle parochies een volkstelling houden. Die tellingen boeken de namen van de gezinshoofden. We vernemen de grootte van de landbouwbedrijven en van de hoevekes van de “cortsitters"; de aard van de ambachten en de neringen; het aantal arme lieden, de oppervlakte van de gebruikte grond in de parochie; het bevolkingscijfer. J. De Smet meldt de volgende totalen: Dudzele 981, Lisseweae 74, Westkapelle 657, Oostkerke ca. 525, Koolkerke 396, Knokke 346, Heist 301, Ramskapelle 286.

Voor de 18de eeuw bestond er in de parochies van het platteland geen enkel verhard wegdek, behalve in de Dorpsstraat (= St.-Lenaartstraat) van Dudzele (Dudz SL 259). Deze was al in de (1° helft van de) 16de eeuw met kasseien belegd. De Oostenrijkse overheid deed de steden door steenwegen met elkaar verbinden; deze werden recht door het landschap getrokken. !n 1723 heeft men de Blankenbergse Steenweg aangelegd. De watering Eiesluis-Reigaarsvliet heeft in 1760, met de steun van het Vrije, de Dudzeelse Heerweg rechtgetrokken en geplaveid en met Westkapelle verbonden (WR 198). Vervolgens werden kasseiwegen aangelegd die Lissewege, Ramskapelle en Heist met de Dudzeelse Steenweg verbonden. Dank zij de vemelde steenwegen konden de boeren hun produkten vlugger naar de markten van Brugge voeren en gemakkelijker goederen uit die stad betrekken.

In de 18de eeuw onderhield het Vrije de kustwacht (souvereinsgasten) tegen de besmette schepen (KZ 268) en stelde langs de Nederlandse grens een kordon wachtposten die moesten beletten dat ziek vee uit Zeeuws-Vlaanderen binnenkwam. De wachters keken ook uit naar deserteurs, die poogden over de grens te ontsnappen; daarna moest men in de tweede helft van de 18de eeuw een plaag van “dulle honden” bestrijden. Het Izabellafort en de Cantelmolinie werden (definitief opgegeven; krachtens het akkoord van 1718 legerden de Nederlanders soldaten in het St.-Donaas- en het St.-Paulusfort.

Na de Tachtigjarige Oorlog begonnen de gelanden op de oostkant van het Zwin de dijken van enkele polders te dichten, en overstroomde stroken langs het Lapscheurse Gat terug te winnen; ca. 1750 was de herbedijking zover gevorderd, dat de waterschappen op beide zijden van het Zwin samenwerkten om het Pas te Sluis af te dammen, en daar een gemeenschappelijk uitwaterinspunt in te richten. De Passluis werd in 1755 gebouwd (WR 185); daarmee werd tegelijk de Zoute Vaart afgesneden (Zoete vaart was al in 1603 door St.-Donaasfort).

Na de Tachtigjarige Oorlog was de stad Blankenberge in staat om de zeevisserii weer op gang te brengen; maar omwille van de armoedige toestand van hun dorpskom konden de Heistenaars vooralsnog alleen de strandvisserij beoefenen; eerst ca. 1750 beschikten ze weer over middelen om met schuiten in zee te steken; in 1760 bezaten ze al 3 sloepen (HE 192); een oktrooi uit 1763 erkende Heist als een vrije visserselaats; in 1791 was het aantal schuiten opgelopen tot 10; daarop voeren toen 29 matrozen.

In 1780 volgde Jozef II zijn moeder Maria-Teresia op. De Keizer herstelde de grens zoals die in 1664 vastgelegd was en nu nog bestaat (KZ 272). In 1783 verjoeg hij de Nederlandse wachtposten uit het Paulus- en het Donaasfort, en liet hij die forten ontmantelen; hij deed grenspalen planten op de lijn van 1664. Jozef II wilde al het overtollige water (afwatering!) van de Zwinstreek naar één punt richten.Daartoe bouwde hij in 1784 een grote sluis op het Hazegras (KZ 275) (deels op Teresiafort). Hij deed deze beschermen door middel van het Hazegrasfort. Hij trok de steenweg van Westkapelle door tot het nieuwe fort.

B. De tweede fase van de inpoldering

De grens yan het vasteland op de linkeroever van het Zwin bestond ca. 1400 uit de dijk van de Oudemaars-, de Vardenaars- en de Hoge Polder, de 84 gemeten, de Vageviers-, de Noord- en de Maneschijnpolder, de Brugse- en de Robbemoreelpolder; de bedoelde dijklijn werd grotendeels vernield dobr de stormvloed van 19 november 1404 (Elisabetvloed) (KZ 41, HE 36). De getroffen wateringen hebben, onder de leiding van Graaf Jan Zonder Vrees, de zeewering in 1405 weer opgebouwd; deze heette voortaan de Graafjansdijk. Buiten die dijklijn groeide de zeeoever gedurig aan (West-Wulpen weggespoeld). Op dit breder wordende strand zette de vloed zand af, dat door de wind tot duinenrijen samengeblazen werd. De duinvorming begon ter hoogte van Heist en vorderde langs Knokke naar het Hazegras (WR 40, HE 39).

In de 15de eeuw overdekte het duinenzand al een strook van het ingepolderde land tussen Heist (de Grote Panne) en Knokke; de duinengordel won breedte en hoogte op de Hazegrasschorren. Tussen het Hazegras en Kadzand bezonk een lange bank (de Grote Plaat) in de bedding van het Zwin. Ter hoogte van het Pas tussen Mude en Suis werd de Potteriepolder gewonnen. Daar werd Ca. 1500 de aanlegplaats Nieuw Mude gevestigd en in 1565 het sas van de Verse Vaart gebouwd (WR 83). Maar de Tachtigjarige Oorlog belette dat men verder land won in de sektor tegenover de Plaat en in de Hazegrasschorren.

Men maakte van het Twaalfjarig Bestand gebruik om tussen Nieuw Mude en de monding van de Reigaarsvliet een paar polders te winnen (Godefroid- en Goeverneurpolder) (KZ 97). Vervolgens ontstond de (Oude) Hzegraspolder (KZ 96) wegens het feit dat in 1627 de Paulusdijk opgeworpen werd. In de 17de en de 18de eeuw groeide de westoever van de Zwinmonding vlug aan. Op die aanwerpen vormde zich een lang en breed landschap, dat bestond uit rijen duinen en pannnen. In de lage vochtige kommen vestigden zich meer en meer personen, die leefden van wat landbouw, strandvisserij en wild.

De Plaat won almaar lengte en breedte; de Hazegrasschorren vorderden naar de Paardenmarkt toe; een uitgestrekt werpland was rijp voor de bedijking (KZ 47). Die aanwerp was in 1426 in eeuwige erfelijke cijns gegeven aan Jan de Baenst. In de 18de eeuw behoorden 3/8 aan de Prins van Croy en 1/8 aan Charles Walwein. In het voorjaar kregen landmeter Lippens (uit Moerbeke) (KZ 118) en zijn neven, 4/8 ln hun bezit; de gezamelijke rechthebbenden besloten een groot deel van het Hazegras in te polderen (intensief uitbaten). In de zomer van 1784 bouwde Lippens de dijk van de Nieuwe Hazegraspolder. Het gewonnen land werd verkaveld en ontgonnen.

Lippens en Debrock wonnen in het voorjaar van 1787 de Kommandeursplaat (KZ 125) aan de oostzijde van het Hazegrasfort; vervolgens pakten Lippens en zijn deelgenoten de Zoute Schorre naast het Paulusfort aan. Samen bouwden ze de Zoute Dijk. Ze verkavelden de Zoute Polder. In de volgende decennia slibde de monding van het Zwin nagenoeg dicht. Eerst werden de Kleinpaspolder (KZ 133) en de Zwinpolder (Zwin afgedamd) gewonnen; daarna wilden de ge- landen van het Hazegras de rest van de monding bedijken; maar de Belgische staat legde beslag op deze aanwas en liet het Zwin afdammen door middel van de Internationale Dijk. Zo ontstond de Willem-Leopold-polder (KZ 138). De erven Lippens en hun deelgenoten beriepen zich op de oorkonde van 1426, en konden in 1905 toch de bewuste polder in hun bezit krijgen.

| inhoudstafel |

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.