headerbg bl
HomeGeschiedenisKnokke-HeistGeschiedenis Knokke-Heist

Knokke-Heist

Geschiedenis Knokke-Heist - Fons Theerens

In Geschiedenis van Knokke-Heist schetst Fons Theerens op een minutieuze wijze de geschiedenis van de huidige badstad aan de Belgische Oostkust. In de uitgebreide tekst (in 1991 opgemaakt voor de gidsencursus Knokke-Heist) komen alle aspecten van deze geschiedenis uitvoerig aan bod. In de hoofdstukken zorgen cijfermateriaal en voorbeelden voor een duidelijk beeld.

De tekst kan zowel als basismateriaal voor verder onderzoek als een introductie worden gehanteerd. Een uitgebreide bibliografie sluit deze tekst af. Gelieve bij het gebruik van (delen van) deze tekst rekening te houden met het auteursrecht en de auteur uitdrukkelijk als bron te vermelden.

Inhoudstafel (klik op de titels om de teksten te raadplegen)

Grenzen van Knokke-Heist
Dijken en inpolderingen
Afwatering en waterschappen

Feodale en bestuurlijke organisatie
Bevolking
Landbouw
Visserij
Toerisme

Ontstaan van de parochies
Kerkelijke organisatie
De Calvinistische periode (1575-1584)
Parochiaal en religieus leven

Militaire geschiedenis
Vroegste periode | De strijd van het graafschap Vlaanderen tegen de Franse koning
De Honderdjarige Oorlog | De opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk
De oorlogen onder Keizer Karel | De Godsdienstoorlogen en de Tachtigjarige Oorlog
De Franse Oorlogen | De Spaanse en de Oostenrijkse Successieoorlog
De Franse Periode | De Belgische Onafhankelijkheid
De Eerste Wereldoorlog | De Tweede Wereldoorlog

Bibliografie

Grenzen van Knokke-Heist >>

Afdrukken E-mail

Grenzen van Knokke-Heist

De grenzen van Knokke-Heist komen voor het grootste deel overeen met de , die op 19 maart 1971, na een aantal fusieperikelen, fusioneerden. De grenzen van de gemeenten waren op hun beurt gebaseerd op de eeuwenoude parochiegrenzen, die duidelijk waren vastgelegd omdat ze van groot belang waren voor het innen van de tienden. Zo had het kapittel van Sint-Donaas het patronaat van de oude parochies Uitkerke (1089) en Dudzele (1089). Het patronaatsrecht van Lissewege (1089) hoorde aan de Sint-Bertinusabdij in Lissewege en de Sint-Kwintensabdij bij Vermandois had het patronaatsrecht van de parochie Oostkerke (1089).

De bezitter van de patronaatsrechten van de moederparochie verkreeg automatisch dezelfde rechten van de dochterparochies. Wanneer in 1110 voor het eerst 4 hulpkerken (kapel op Wulpen, kapel van Lapscheure, kapel van Moerkerke en kapel van Waas – latere Westkapelle) worden opgericht in de naar het oosten en noorden uitgebreide parochie van Oostkerke, dan verkrijgt de Sint-Kwintensabdij ook het patronaatsrecht over die kapellen waaruit later een eigen parochie zal ontstaan (vb. Westkapelle 1235).

Na de bouw van de Greveningedijk (ca 1170) ontstond in het oosten van de nieuwe polder een kleine vissersnederzetting “mude”. In 1213 wordt de hulpkapel van Sint-Anna-ter-Muiden vermeld. De nederzetting verkreeg in 1242 stadsrechten en een beperkt grondgebied. Het kleine stadje lag op het grondgebied van de parochie Westkapelle, waarvan het zich in 1324 definitief zou afscheiden als onafhankelijke parochie..

Na de indijking van de Oudemaars- en de Vardenaarspolder was het grondgebied van de parochie Lissewege zeer uitgebreid. Daarom werd de hulpkapel op de Rugge, verheven tot parochiekerk van de nieuwe parochie Koudekerke (nog voor 1200). Wanneer het grondgebied verder oostwaarts aangroeit wordt in 1227 een hulpkapel bij Knokke gebouwd. Die kapel werd, na de inpoldering van de Volkaartsgote (1250) in 1253 de kerk van de nieuwe parochie van Knokke. Aangezien zowel de parochies Koudekerke (Heist) als Knokke uit Lissewege voortkomen, krijgt de St.-Bertinsabij uit St.-Omaars het patronaatsrecht.

De grens tussen de parochies Knokke en Heist vertrok in het noorden een 200 meter ten oosten van Windgat (Pannedijk), bij een stukje grond dat het Preekstukje werd genoemd (NW van Logenhoek) en volgde een 300 meter de Processieweg. De beide toponiemen verwijzen naar de processies, zowel van Heist als van Knokke, die daar voorbijkwamen. Daarna liep de grens langs de Knokse Ader en Knokse Watergang om via een stuk rechte weg (Nieuwstraat) de Kalvekeetdijk te bereiken. Die dijk vormde een 400 meter (tot voorbij Veldegoed) de grens tussen beide parochies.

Vanaf Veldegoed vormt de Kalvekeetdijk over enkele 100 meter de grens tussen de parochies van Knokke en de parochie Westkapelle, waar de grens noordelijk loopt tot de latere Isabellavaart en van daaruit in een boog om “Driewege” (Smedenstraat, Kragendijk, Knokse Dijk). Daarna worden de Knokse Watering en de Isabellavaart in oostelijke richting gevolgd.

Vanaf de Keuvelwatergang liep de grens recht oostwaarts verder tot de linkeroever van de Reigaarsvliet die een stuk de grens met de parochie van Sint-Anna-ter-Muiden. Het Zwin was de oostgrens van de parochie Knokke en vormde later (vanaf eind 16de eeuw) lange tijd een stuk van de staatsgrens.

In zuidelijke richting vormde de Reigaarsvliet de grens tussen de parochies Sint-Anna-ter-Muiden en Westkapelle. Vanaf het kruispunt Isabellavaart/Legervaart liep de grens langs de Isabellavaart zuidoostwaarts tot de Vuile Vaart die op zijn beurt de grens vormde tot voorbij de Brolosedijk (omgeving Nachtegale). De zuidgrens van Westkapelle met Hoeke, volgde de Scheidingsader die ook een stuk de grens met Oostkerke was. In het verlengde van de Scheidingsader liep de Grensader tussen Westkapelle en Ramskapelle. Noordelijk vormde een tweede Scheidingsader en de Kijfader de grens tussen Ramskapelle en Heist. De grens tussen Heist en Lissewege werd voor een stuk gevormd door de West-Ede.

De uitgeschreven grenzen tussen de parochies bleven enkele eeuwen in gebruik. De noordelijke grens (zee) evolueerde echter mee met de voortdurende aanwas. Ook de oostgrens kende enkele wijzigingen

De grootste wijzigingen deden zich in de 17de eeuw voor bij de vastlegging van de staatsgrens in 1664 (in opvolging van het Verdrag van Westfalen). De parochie Sint-Anna-ter-Muiden werd in twee gedeeld. Het oostelijke deel sloot aan bij Sluis en het westelijk bij de parochie Westkapelle. Ten westen van de toren van Sint-Anna-ter-Muiden werd een punt op 80 roeden (ca 325 m) vastgesteld. Vanuit dat punt werd een grenslijn recht naar het Lapscheurse Gat getrokken en in het noorden recht naar het Boerenverdriet en het Sint-Annafort en van daaruit naar een punt langs de geul van het Zwin die terug de grens werd.

Na de Spaanse Successieoorlog wordt bij het Barrière-tractaat (1715) een nieuwe staatsgrens vastgelegd. Die vertrok vanaf de zee tussen Blankenberge en Heist, passeerde de westelijke hoek van het kerkhof in Koudekerke, en liep recht naar het knooppunt Hoekevaart/Oud Zwin. Daarachter liep de grens over het Sint-Jobsfort naar Middelburg om daar aan te sluiten bij de grens van 1664. Een groot stuk van Heist, Ramskapelle en Westkapelle en heel Knokke hoorden dan bij de Verenigde Provinciën. De Noordelijke Nederlanden wilden een groter voorland voor Sluis. Met de nieuwe grens kregen zij de belangrijkste forten en sluizen (inundaties) in handen.

Knokke en een deel van Heist en Westkapelle zijn bij de Noordelijke Nederlanden gevoegd

Na groot protest van het Brugse Vrije, werd de grens in 1718 aangepast. De Verenigde Provinciën behielden het Paulusfort van waaruit de grens dwars door de (Oude) Hazegraspolder werd getrokken tot het knooppunt Graaf Jansdijk/Krommedijk (Vijfhuizen). Van daaruit volgde men de Isabellavaart tot aan de Cantelmolinie.

Langs de linie ging de grens verder tot aan de Zwarte Sluis en over het Sint-Jobsfort naar het Lapscheurse Gat. Zo hielden de Verenigde Provinciën nog enkele forten (Paulusfort, Isabellafort en Sint-Donaafort) en nog een stukje van Knokke. Jozef II aanvaardde de grens van 1718 niet. In 1783 liet hij het Paulus- en Sint-Donaasfort bezetten en onmiddellijk afbreken. In de Vrede van Fontainebleau aanvaarden de Noord-Nederlanders opnieuw de grens van 1664. Bij de Belgische Onafhankelijkheid vielen enkele schermutselingen voor zonder dat de grens werd gewijzigd.

Grenspaal 362

In 1843 werden de grenspalen geplaatst tussen Nederland en België. Sedertdien worden de grenspalen jaarlijks gecontroleerd. Het is de bedoeling dat men van de ene grenspaal de volgende paal met het blote oog kan zien. In het natuurreservaat het Zwin vindt men een drietal grenspalen (duidelijk zichtbaar vanaf de Internationale Dijk), waarvan de meest noordelijke voor problemen zorgde. Die paal stond oorspronkelijk midden in de Zwinmonding. Vermits die monding steeds opschuift naar het oosten (dijk van Cadzand) om daarna kunstmatig terug op de oorspronkelijke plaats te worden gebracht, stond de grenspaal in de monding voortdurend bloot aan ontzanding zodat die steeds opnieuw wegzonk. Voor enkele jaren werd een oplossing gevonden door de grenspaal te plaatsen op de dijk van Cadzand met de verwijzing erbij dat de paal eigenlijk een honderdtal meter oostwaarts moet staan.

Bij de grensovergang in het Retranchement kan men drie grenspalen kort bij elkaar zien staan. Die drie palen worden dan ook de "Drieling genoemd".

“Drieling” bij Retranchement

Op 19 september 1900 keurde de gemeenteraad van Heist een grenswijziging goed. Door de bouw van de Zeebrugse haven (op het grondgebied van Heist/Lissewege) wilde de overheid de hele haven bij Brugge voegen. Heist verloor dan ook zijn gebied ten oosten van het Schipdonkkanaal. Ter compensatie verkreeg Heist een nieuw gebied in het oosten aangezien de grens met Knokke verschoof van de "Processieweg" (Logenhoek) naar de latere Meerlaan. In dat gebied zou enkele jaren later Duinbergen ontstaan.

Bij de fusie van 19 maart 1971 werden enkele grenscorrecties doorgevoerd zodat de volgende gemeentegrens van Knokke-Heist ontstond :

noorden: zee
westen: staatsgrens
zuiden: Dudzele Straat (2,5 km) ; zuidgrens van het vroegere Westkapelle over 6km en Damse Vaart (700 meter)
oosten: Leopoldkanaal

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mail

Dijken en inpolderingen

Over de bewoning en landwinning van het grondgebied van het huidige Knokke-Heist voor het verschijnen van de vroegste geschreven bronnen, is veel hypothetisch. De hypothese nemen dikwijls bewezen theorieën over van andere kuststreken en -gemeenten en steunen hoofdzakelijk op geologische/geografische bevindingen en archeologische ontdekkingen. Een duidelijk beeld van de vroegste inwoners schetsen, kan dan ook slechts door een interdisciplinair onderzoek.

De archeologische opgravingen in Knokke-Heist zijn vrij schaars. Enkel in het centrum van Heist werd op enkele plaatsen systematische opgravingen gedaan die vooral materiaal leverden m.b.t. de laatmiddeleeuwse geschiedenis van Heis(t). Voor het overige zijn we aangewezen op eerder toevallige, en daardoor niet altijd wetenschappelijke, vondsten. De archeologische vondsten uit de vroegste periode zijn beperkt omdat de Zinkval in de vroege middeleeuwen een groot stuk van het huidige Knokke uitschuurde.

In de ijstijden was de huidige Noordzee een deel van het vasteland. Het gebied vormde een uitgebreide moerassige en begroeide vlakte waar o.a. mammoeten leefden. Zeer geregeld halen de vissers nog mammoettanden en –beenderen op (cf. Museum Sincfala). Of de prehistorische mens ook aanwezig was in onze streek is moeilijker te achterhalen. De vondst van een bewerkte silexsteen in de omgeving van Dudzele is nog geen sluitend bewijs.

Opgeviste mammoetbeenderen en -tanden (Museum Sincfala)

Vanaf het einde van de ijstijden steeg de zeespiegel door het afsmelten van de ijskappen. Tegen de Romeinse Tijd bestond de huidige Zwinstreek uit een uitgestrekt veenmoeras waarin enkele heuveltjes waren gevormd en dat tegen de zee was beschermd door een duinengordel. In het gebied vond men vele geulen en kreken die toelieten dat het water uit de Zandstreek werd afgevoerd naar de zee. Enkele kreken bereikten zelfs de rand van het huidige Brugge waar het water via de Reie afvloeide.

De Gallo-Romeinse aanwezigheid werd lange tijd afgeleid uit enkele archeologische vondsten die werden ontdekt bij de bouw van de haven (zoutziederij) en achterhaven (schipje van Brugge cf. maquette in Museum Sincfala). De laatste decennia werden ook een aantal Romeinse sporen aangetroffen in Dudzele, wat op een duidelijke Gallo-Romeinse aanwezigheid in onze streek wijst. De Gallo-Romeinse vondsten in Knokke-Heist beperkten zich (voorlopig) tot een Gallo-Romeinse scherf die op het strand van Duinbergen werd gevonden en eenzelfde soort scherf gevonden in het gebied ten westen van de kerk van Ramskapelle.

Romeinse boot van Brugge (Museum Sincfala)

Vanaf de 3de eeuw brak de zee geregeld door en overstroomde het lage gebied ten noorden van de Zandstreek (verlagen van grond door Romeinse drainage, uitvening ? verwaarlozing van zeebescherming door Germaanse dreiging ?...)

Vanaf de 7de eeuw worden de gronden opnieuw droger (licht gestegen door sedimentatie) en wordt het gebied doorsneden door enkele grote getijdengeulen waaronder de Zinkval (Sincfala) die een groot deel van het huidige Westkapelle, Knokke en Heist overstroomt.

De droge schorrengronden werden gebruikt als schapenweiden. Een vroege vermelding hiervan vinden we in een schenkingsakte uit 737 van de Sint-Pietersabdij uit Gent : “Ambrico schonk voor het onderhoud van de broeders in het distrikt Aardenburg (pagus Rodanensis), op de plaats genoemd ‘Greveninge’ een weide die in de zomer 30 schapen kan voeden en een lijfeigene die Berthlende wordt genoemd”. Die schapen waren afkomstig van hogergelegen hoeven uit de Zandstreek waar men het belang van de inpoldering van de rijpe schorren inzag.

Ca 960 ligt het gebied ten noorden van Brugge er vrij droog bij. Vanuit Brugge wordt de Blankenbergse Dijk of Gentele recht naar het noorden (zee) gebouwd (vanuit Vlamingdam, over Sint-Pieters-op-de-Dijk, Sint-Jan-op-de-Dijk, Zuienkerke, naar Blankenberge). Vanuit Oudenburg vertrekt een tweede dijk (Zidelinge) recht op zee (bij De Haan). Daarna worden de uiteinden van die twee dijken verbonden met de Evendijk. Hierdoor wordt een eerste groot stuk schorre in het noorden ingepolderd.

Ongeveer in dezelfde periode worden gronden ten zuiden van de Zinkval beschermd door de Branddijk. In latere eeuwen zullen steeds nieuwe dijken worden aangelegd om de rechteroever van het Zwin (als opvolger van de Zinkval) in te polderen (die dijken vormen ongeveer een lijn van Damme naar Sluis). Door de bouw van de Gentele en de Branddijk, ligt nog enkel een groot stuk schorrengebied ten noordoosten van Brugge open. Rijke boeren en leenheren verkregen van de Graaf van Vlaanderen (als wettelijke eigenaar van buitendijkse gronden) de toelating om die gronden in te dijken.

Van uit de Gentele, ten noorden van Uitkerke, bouwde men ca 1070 een tweede Evendijk in oostelijke richting. Die dijk loopt door het huidige Heist (Marktstraat, Westkapellestraat) in zuidoostelijke richting van Westkapelle naar Schapenbrugge waar de dijk naar het zuiden loopt om bij Hoeke aan te sluiten bij de Krinkeldijk die de linkeroever van het Zwin zal beschermen tot Damme (= defensieve dijkengordel).

Het eerste stuk van die bewuste dijk wordt Evendijk genoemd (evendijk is soort soortnaam). Onmiddellijk voorbij Heist kreeg de dijk de naam van Zomerdijk, daarna Kalveketedijk. Voorbij Schapenbrugge spreekt van men de Brolosedijk (genoemd naar een persoon/pachter) of Oostdijk. Het laatste stuk krijgt de naam Krinkeldijk omdat die dijk de kronkelende Zwinoever volgde. Hoeke ontstaat in de “hoek” Brolosedijk/Krinkeldijk. Binnen het ingepolderde gebied lagen een aantal verheffingen in het landschap : de Rugge (Koudekercke, Heist), Ramskapelle (dorp), Westkapelle (dorp) en Ten Doele (tussen Westkapelle en Oostkerke). Kort achter of bij de dijk kwamen volgende hoeven (van oost naar west) Veldegoed (carrosserie Lierman ; verdwenen), Hof ten Poele (Walletje), Hof ter Kalvekete (Sluisstraat) en Hof van Reigaarsvliet (Marouxdreef, verdwenen). Iets meer landinwaarts stonden de Duivekete (Speelmansweg), Rode Poort (Speelmansweg), Groot Pronkenhof (Fonteinestraat) en Hof ter Zale (Oostkerkestraat, hotel). Deze hofsteden werden gebouwd door leenhoven die reeds een ander leenhof bezaten of waren nieuwe leengoederen die door de graaf werden gesticht. Vanaf 1089 worden de eerste parochies vermeld in het recent ingedijkte gebied : Uitkerke, Oostkerke, Lissewege en Dudzele.

Krinkeldijk

Deze eerste dijkengordel in het noordoosten van Brugge was een defensieve dijk, d.w.z. het was niet de bedoeling om op een actieve manier grond te winnen door de zee actief tegen te houden, maar men wilde wel het schorregebied dat reeds enige tijd niet meer door de zee was overspoeld beschermen tegen een mogelijke nieuwe overstroming door bv. een stormvloed. Ook de latere dijken zijn defensieve dijken die reeds drooggekomen schorren wilden beschermen.

Na de eerste grote indijking slibde het schorregebied verder dicht. De monding van de Zinkval verschoof verder oostwaarts (normaal verschijnsel aan Vlaamse kust, cf. huidig Zwinreservaat) zodat een nieuwe rijpe schorre ontstond. In de 12de eeuw spoelde een groot stuk van de Brolozendijk ten zuiden van het Hof van Reigaarsvliet weg (dijkbreuk door storm ?) zodat de ingepolderde vlakte aan de oostzijde niet langer beschermd was tegen de zee. Bewoners en eigenaars vroeger dan toelating aan de graaf om een nieuwe dijk te bouwen. Deze nieuwe dijk, de Greveningedijk, moest niet alleen een nieuwe oostelijke bescherming bieden maar zou ook een groot stuk inpolderen (ca 1150-1170). De Greveningedijk vertrekt (bij het latere Schapenbrugge) uit de Brolozendijk en loopt ca 2 km in oostelijke richting. Aan de Neder Heerweg draait de dijk zuidwaarts, passeert voorbij de kern van Sint-Anna-ter-Muiden (dat wordt ingedijkt) om dan de noorddijk van het Zwin te vormen tot bij de wijk Nachtegaal en bij Hoeke aan te sluiten op de Krinkeldijk. De nieuw gevormde Greveningepolder vormt een vooruitgeschoven gebied in de schorre van de Zinkvalmonding. In het uiterste oosten ervan ontstaat nog voor 1200 het vissersdorpje “Mude” dat vanaf 1213, na de bouw van een kapel, Sint-Anna-ter-Muiden wordt genoemd en vanaf 1242 stadsrechten kreeg.

Greveningedijk

Ook in het noorden van het gebied liggen rijpe schorren klaar om te worden ingedijkt. Vanaf 1170 bouwde men de Zeedijk die ten noorden van de Evendijk (over huidige strand) liep over het grondgebied van Uitkerke, Lissewege en Heist. In Heist werd de Zeedijk met de Kalveketedijk verbonden door de Pannendijk. Vanuit Heist liep de Zeedijk vanaf ca 1170 verder tot de aanwassen Scharpoord en Knokke.

Dit deel kreeg de naam “Groenedijk”. Die Groenedijk sloot vanaf 1190 in Knokke aan op de nieuw gebouwde Kragendijk die op zijn beurt verbonden was met de Kalvekeetdijk. Die nieuwe dijklijn polderde een groot gebied in dat in Heist de “Oudemaarspolder” (persoonsnaam) en in Knokke/Westkapelle de “Vardenaarspolder” (persoonsnaam).

Door deze uitbreiding was het grondgebied van de moederparochie Lissewege zeer uitgestrekt geworden. Daarom werd vanaf 1200 Koudekerke een zelfstandige parochie. Even later werd de parochie Westkapelle (1235) (waartoe ook Sint-Anna-ter-Muiden hoorde) afgescheiden van de parochie Oostkerke. Door de meer noordelijke Zeedijk in Heist kwamen de vissers van Koudekerke te ver van de zee (en hun schuiten) te wonen. Ze verhuisden dan ook van Koudekerke (Zuiddorp) naar Heis(t) (Noorddorp) (tussen huidige Heistlaan, Kerkstraat, Kursaalstraat en de zee).

Vanuit het huidige "Driewege" (schuttersplein Knokke) werd de Keuveldijk (ca. 1220) aangelegd. Die dijk liep (nog altijd gedeeltelijk zichtbaar) achter de Jan Devischstraat (die lange tijd Kalfstraat werd genoemd en die in ca. 1700 werd aangelegd op Driewege met de Graaf Jansdijk te verbinden) en achter het Ziekenhuis, met een wijde boog (huidige Kalfstraat vanaf de hoeve de Grote Keuvel) tot aan de Kalveketedijk Een tiental jaar later volgde de Monnikendijk (ca. 1230). Die vertrok vanuit de noordelijke bocht van de Keuveldijk en ging in de een wijde boog noordoostwaarts om bij Schapenbrug aan te sluiten bij de Kalveketedijk. De nieuw gewonnen Monnikenpolder werd doorsneden door de Monnikenweg (die aansloot op de Groeneweg).

De oostelijke uitbreiding van Knokke ging steeds verder. Ca 1240 werd de Hoge Polder (Volkaartsgote), met tegen het dorp de Papenpolder (eigendom van de pastorie) ingedijkt. In het Kalf kwam de Vauxelleshoeve en in het oosten de Hoeve de Kleine Keuvel. Daarna volgden nog op de linkeroever van de Reigaarsvliet de Butspolder (ca 1255) en de Vagenierspolder (ca 1280).

Kleine Keuvelhoeve

Ook de rechteroever van de Reigaarsvliet waste voortdurend aan zodat ook hier een aantal kleine polders konden worden gewonnen. Tussen de oudere Greveningepolder (1170) en de Reigaarsvliet werden 7 kleine polders gewonnen in ca 100 jaar. In de zuidoostelijke hoek van de schorre kwam eerst de Baespolder (1) die vertrok en terug aansloot bij de Greveningedijk. Daarna volgde (ca 1 km) langs de Greveningedijk de langwerpige, maar smalle Schellebank (2). Een derde polder bleef naamloos en wordt daarom de “Polder van 177 Gemet” (3) (ca 1200) genoemd. Die nieuwe dijk loopt een eind langs de rechteroever van de Reigaarsvliet en sluit de gronden te noorden van de Schellebank in.

Zover gekomen vormden de Greveningedijk en de dijk van de Polder van 177 Gemet de linkeroever van het Zwin in de omgeving van Sint-Anna-ter-Muiden. De binnenbocht van het Zwin was sterk aangeslibd en vormde een rijpe schorre die de Brixuspolder (4) werd genoemd. Tussen de Brixuspolder en de monding van de Reigaarsvliet bleef een groot stuk schorre over. Die grond werd in drie fasen ingedijkt : de polder van 94 gemet (5), de Tantspolder (6) en de Noordpolder (7) (1296). Die laatste werd beschermd door de Dikke Dijk die enkele eeuwen de noordoostelijke zeedijk zou blijven.

Ondertussen liepen ook de inpolderingwerken verder op de linkeroever van het Zwin, ten zuiden van Sint-Anna-ter-Muiden. De indijking van de Maneschijnspolder (door zekere Maene), de Zoutepannepolder, de Brugse Polder en de Robbe Moreelpolder was ten laatste tegen 1324 klaar.

In het oosten van de parochie Westkapelle groeide het vissersdorp Sint-Anna-ter-Muiden verder aan. Het had reeds in 1242 stadsrechten verkregen. In de tweede helft van de 13de eeuw werd het een zelfstandige parochie.

Vanaf 1285 wordt de vooruitgeschoven Zeedijk in Heis(t) herhaaldelijk door de zee bedreigd. Het Brugse Vrije verplicht de inwoners van het gebied tussen Blankenberge en Heist om een “inlaghe” of “insete” (inlaagdijk) te bouwen. Die inlaagdijk werd ca 1290 een honderdtal meter landinwaarts (vanuit vooruitgeschoven Zeedijk) gelegd en sloot bij Windgat aan op de Groene Dijk. Hierdoor ging een strook grond van het vissersdorp Heist verloren.

De noordelijke dijkenlijn zag er in 1324 dan als volgt uit:

* tussen Heist en monding van de Reigaarsvliet : Inlaagdijk, Groenedijk, dijken van Hoge Polder, Butspolder en Vagenierspolder
* ussen Reigaarsvliet en Het Zwin : dijken van Noordpolder, Maneschijn
De besproken dijkengordel zou een eeuw de zeewering in het noordoosten van Brugge voorstellen. De dijken werden jaarlijks geïnspecteerd en hersteld waar het nodig was. Ondertussen schoof de monding van het Zwin op natuurlijke wijze oostwaarts. Daardoor daalde de invloed van de getijden op het strand van Heist waar vanaf 1300 kleine duinen ontstonden ten westen van Windgat. Die duinen groeiden in de 14de eeuw voortdurend aan en vormden een kleine bescherming voor de dijken tegen de zee. De kustbewoners beseften deze positieve evolutie en beplantten de jonge duinen om zo de verstuiving tegen te gaan.

Wanneer door grote stormen in de winter 1375/76 en 1376/77 het westpunt van het eiland Wulpen/Cadzand wegspoelde, kon het Zwin ongehinderd verder opschuiven naar het oosten waardoor de duinvorming in de sector Heist-Knokke nog sneller kon gebeuren.

De nieuwe duinen trokken ongewenste bezoekers aan, nl. konijnen. De konijnen uit de duinen vielen onder het jachtrecht van de graaf waardoor door de inwoners van Knokke en Heist in principe niet op hen mochten worden gejaagd. De konijnen konden zich dan ook vlug vermenigvuldigen. Zij graafden talrijke holen in de dijken die daardoor erg verzwakt werden. In 1395 meldde de baljuw van Brugge na zijn inspectiebezoek aan Heis(t) : “de dike ende de dunen die zeere te broken waren van den zee ende doorlopen vanden coninen”. In 1398 gaf Filips de Stoute een oorkonde uit om de konijnen verder te verdelgen. Hij stelde dat “de konijnen van onze warande zich opnieuw zo vermenigvuldigd hadden en zich zozeer over de gronden buiten de duinen verspreidden, omdat de duinenwachters geen toezicht hadden gehouden, zoals ze voordien gewoonlijk deden, dat de konijnen zoveel schade veroorzaakten in de vruchten van de boeren die bij de duinen woonden, dat deze personen geen voordeel uit hun veldvruchten trokken, en tengevolge daarvan gedoemd waren hun bedrijf te laten gaan en tot armoede te vervallen, dat de konijnen zo erg de zeedijken beschadigden door er holen in te graven en ze op vele plaatsen te doorboren dat het weldra zo er zou komen, dat het zeewater door deze gaten liep en de dijken deed instorten waardoor de aanpalende streek zou overstroomd geraken”. Ook hielden de konijnen zich herhaaldelijk op in de velden achter de dijken, waar zij tot groot nadeel van de lokale bevolking de veldgewassen opaten. De Heistenaren en Knokkenaren vroegen herhaaldelijk toelating aan de graaf om de konijnen te verdelgen. Ook in de volgende eeuwen was er dikwijls sprake van een konijnenplaag.

De duinen vorderden in de 14de eeuw van Heist naar Knokke. Het zand overstoof de Groene Dijk en bij Windgat werd het begin van een “panne” gevormd (laagte tussen Groenedijk en duinengordel). Op het einde van die eeuw was het strand tussen Heist en Knokke ca 200 meter breed. Tegen 1397 was de Groene Dijk zo goed als helemaal verdwenen. Ook het vissersgehucht Schaarte verdween in die periode onder het zand.

In het begin van de 15de eeuw volgden de stormen elkaar op. De belangrijkste was de zgn. Sint-Elisabethsvloed van 19 november 1404 waardoor grote stukken van de weerdijken werden vernietigd. Onmiddellijk startte het Brugse Vrije een grote reddingsactie. Alle beschikbare mankracht werd naar de dijken gestuurd om de bressen te dichten. De Elisabethsvloed had een enorme schade aangericht. Over heel de kuststrook werd aan een groot plan gewerkt. Tussen Blankenberge en Heist kwam een nieuwe inlaagdijk en in de noordwesthoek (Logenhoek) van de bedreigde Vardenaarspolder bouwde men een kleine inlaagdijk (Pastuurdijk). Tussen Heist en Knokke bleken de duinen reeds sterk genoeg om als zeewering te dienen.

Vanaf Knokke-dorp tot aan Vijfhuizen waren de opeenvolgende dijken zwaar beschadigd. Alle verantwoordelijken besloten om samen te werken voor de bouw van een grote dijk die reeds klaar was tegen de winter 1405-1406. Het Brugse Vrije inspecteerde “de hoochte ende de dicte vanden nieuwen zeedike lighende tusschen de kerke van Cnocke ende den polre vanden Vaghernie, te westene of de voorseide zeedyc also dicke ende also hooghte belopen was met erde, als hi besteid was onde de voorwaerde verclaerde, welken dyc wel ende soffisantelike bevonden was volmaect na den inhoudende van der voorwaerde”.

Niet alleen in de Zwinstreek maar ook nog verder langs de Vlaamse kust en zuidelijker over de Zwinmonding, tot aan Maldegem, werden dijken hersteld en herbouwd. Aangezien in die periode Jan zonder Vrees (1404-1419) Graaf van Vlaanderen was, werd de (ver)nieuwde dijkengordel over heel haar lengte Graaf Jansdijk genoemd. De Graaf Jansdijk bleef de volgende eeuwen de zeedijk. De actieve inpoldering was voorlopig ten einde. De duinvorming schreed echter verder en in ca 1600 bereikten de duinen het noorden van het Kalf (Kalfduinen).

Graaf Jansdijk

Ten oosten van Heist had zich op het verbrede strand een tweede rij duinen ontwikkeld. Rond 1600 had die tweede duinenrij de omgeving van de Oosthoek bereikt. Tussen die twee duinenruggen kreeg men in Heist de Grote Panne (omgeving Directeur-Generaal Willemspark) en in Knokke de Brabantse Panne (vanaf Watertoren tot en met het zuidelijk deel golfterrein). Ten zuiden van de tweede duinengordel ontwikkelde zich een kleine maar zeer hoge duinenrij (vanaf Monument gesneuvelden over noordelijk deel van de golf en het Koningsbos naar Zevenkote) die men de Blinckaertduinen noemt (met tussen de rijen duinen de Blinckaertpanne) omdat ze lange tijd onbegroeid bleven.

In de huidige omgeving van het huidige Duinbergen was een zeebank uit zee opgedoken. Die zandplaat ontwikkelde zich in noordoostelijke richting (richting huidige zeedijk) tot omgeving Groenplein en waste zeer snel aan. Op het nieuwe strand kwamen reeds vroeg kleine duinen voor. Tussen deze derde duinenrij en de tweede lag een groot schorrengebied waardoor de Zoutekreek (getijdengeul) liep.

Onder invloed van de Godsdienstoorlogen van het einde van de 16de eeuw en de eerste helft van de 17de eeuw, veranderde het dijkenpatroon in het oosten van Knokke voor een deel. Tussen 1609 en 1621 (Twaalfjarig Bestand) werd voor de Noordpolder een langgerekt stuk ingedijkt dat uit verschillende polders bestond (van N naar Z) : Godefrootpolder, Burkelpolder en Gouverneurpolder. Aan het noordeinde van de nieuw gewonnen gronden bouwde men het Sint-Isabellafort (1622). De Reigaarsvliet vanaf Schapenbrugge tot aan de monding werd rechtgetrokken en kreeg de naam “Legervaart”. Tegen de oever van het Zwin, op de schorre, bouwde men het Sint-Theresiafort.

Om de noordzijde tegen een mogelijk vijandelijke landing te beschermen bouwde men op de laatste noordoostelijk duinen van de tweede duinengordel het Sint-Paulusfort (Oosthoek ; 1627), aan de rand van de Zoute Kreek. Het nieuwe fort werd op bevel van de graaf van Fontaine, bevelhebber van de Spaanse troepen, met een kanaal verbonden met het Sint-Isabellafort. De uitgedolven dijk werd aan de zeekant opgeworpen en ging onbedoeld de Paulusdijk vormen.

Hazegras- of Paulusdijk

De achterblijvende gronden van de (Oude) Hazegraspolder werden zo ingedijkt. Halverwege de Paulusdijk bouwde men dan nog het kleine Sint-Bernardusfort (nu Waterzuivering). Na het Verdrag van Westfalen verviel het Sint-Isabellafort. Daarom bouwde men ca 1650 een verbindingsdijk van de Graaf Jansdijk naar de Paulusdijk dwars door het Sint-Isabellafort. In 1679 werd het fort dan geplaneerd.

Na 1718 liep de grens met de Noordelijke Nederlanden langs het Sint-Paulus- en het Sint-Isabellafort die beiden bij de Noordelijke Nederlanden behoorden. Die lieten het Sint-Isabellafort verder slechten. Het fort werd dan ook een zwakke schakel in de zeewering. In de winter van 1720/21 volgde dan ook een dijkbreuk waardoor het water tot de Vauxelleshoeve stroomde. De inspecteur van het Brugse Vrije getuigde dan : “op den zeedyck aen het fort van Isabella, alwaer bevonden hebbende, dat door die van Sluys de glessie vande conterschape van het selve fort (die voor dezen ghedient heeft voor zeedyck) gans plat gheplaneert is, ende ghebrocht is tot zaeylandt, waer door in dezen laetste storme ende hooghe vloeden het zeewaeter in vele diversche plaetsen daer over is gheloopen ende putten syn ghespoelt”.

Op 17 februari 1736 werd de Vlaamse kust opnieuw getroffen door een zware storm. Opnieuw rapporteert men : “dat omtrent het fot van Ste-Pauwel ende eenighe andere plaetsen, door het grote tempeest, de zee was doorbrooken, ende het schorre Haesegras ende eenighe andere landen dan dorre waere beschaedight”. Konijnen werden aangewezen als schuldigen voor de verzwakte dijken : “de groote schaede ende ruine die veroorsaecht wiert in de dycken omtrent het fort van ste Isabelle door de pijpen vande conijnen die aldaer in groote quantiteyt bevonden worden”. De dijken werden na elke stormschade terug hersteld.

De grote schorre die zich uitstrekte van de Sint-Paulusdijk (Hazegrasstraat) was in 1700 reeds rijp voor inpoldering. In de 18de eeuw werden dan ook verscheidene plannen gemaakt om die gronden in te dijken. In het gebied liepen twee kreken, de Hazegraskreek en de Schaperijkreek. In de monding van het Zwin dook de Paardemarkt op en in de 18de eeuw verschenen de eerste duinen op die vlakte. Ook vanuit de derde duinenrij scheidde zich een nieuwe duinengordel af (van Albertplein tot Lekkerbek). In 1755 reikte die laatste duinengordel even ver als de derde duinenrij.

De aanleiding tot de inpoldering van de Nieuwe Hazegraspolder is opnieuw militair. De streek waterde sedert 1755 uit langs de Passluis die in Noord-Nederlandse handen was. Jozef II overwoog de bouw van een nieuwe sluis (Hazegrassluis) op Oostenrijks grondgebied. Om de plannen voor die sluis te maken stelde hij in 1784 Philippe-François Lippens uit Moerbeke-Waas aan. Die merkte onmiddellijk de rijpe Hazegrasschorre op en sloot een vennootschap met zijn neven Pieter Debock en Bruno D’hert om de schorren aan te kopen en in te polderen. Een maand later reeds begonnen de werken aan de nieuwe zeedijk die ten oosten van het Sint-Paulusfort vertrok. Voor de oever van het Zwin draaide de dijk zuidwaarts tot bij het Hazegrasfort (± vroegere vooruitgeschoven Theresiafort).

In 142 werkdagen slaagde men er in de ca 5 km lange dijk met ongeveer 300 werklieden te bouwen. Begin oktober 1784 was de nieuwe Hazegraspolder ingedijkt. De nieuwe Hazegraspolder werd in 8 kavels loodrecht op de Paulusdijk, verdeeld. Die kavels werden per loting verdeeld onder de eigenaars. Philippe-François Lippens zag in 1785 nog andere inpolderingmogelijkheden. Ten zuiden van het Hazegrasfort op de rechteroever van het Zwin was de Kommandeursplaat rijp. Lippens en Debrock kochten eerste deze schorre op om die in 1787 in te polderen. In dezelfde periode kreeg hij de Zoute Schorre in erfpacht. In 1787 werd de Zoutedijk aangelegd. Deze kleine dijk verbond de dijk van de Nieuwe Hazegraspolder met de derde duinenrij. De Zoute Kreek werd vervangen door de Zoute Vaart. Om de bewoners van achter de Graafjansdijk toe te laten met hun vee naar de nieuwe noordelijke schorre te trekken werd een weg dwars door het gebied getrokken (huidige Konijnendreef – Blinkaartlaan - Bosdreef tot Kalf). De nieuwe Zoute Polder werd in 8 kavels verdeeld die op hun beurt onder de eigenaars werden verloot.

In 1805 kwam Napoleon op inspectie langs de Vlaamse kust. Bij zijn overtocht over de Zwinmonding schonk hij alle eilanden in de Zwinmonding aan zijn Generaal Vandamme. Vandamme en zijn erfgenamen zouden de gronden tot 52 jaar na de indijking in concessie houden. De belangrijkste eilanden van de Zandplaat (vroegere Paardemarkt), en de Zeehondenplaat, restanten in de Zwinmonding van het eiland Wulpen/Cadzand. Iets zuidelijker in het Zwin lag de Grote Plaat, waardoor het Zwin twee vertakkingen kreeg (de westelijke geul werd Dievengat genoemd).

Vanuit Cadzand liet men de oostelijke geul zo vlug mogelijk verzanden door de beide uiteinden van de geul af te dammen (1828-1835). Ook zuidelijker (vanaf Sluis) begon de Zwingeul meer en meer dicht te slibben. Enkel het Dievengat hield nog enige tijd stand door de schuurkracht van het afvoerwater uit de Hazegrassluis.

De Nederlanders konden hun overtollig water niet meer afvoeren door de Passluis (bij Sluis) en verkregen het akkoord van België om de afvoer langs de Hazegrassluis te laten gebeuren. Vanaf 1857 werd het water uit de Zwinstreek afgeleid naar het Leopoldkanaal en waren de Nederlanders verplicht om een eigen sluis te bouwen. Theoretisch stond niets meer de afdamming van het Zwin in de weg. Praktische problemen waren : de eilanden in het Zwin behoorden aan de erfgenamen Vandamme en waren die wel akkoord ? Het gebied strekte zich uit over Nederland en België zodat een internationaal akkoord (o.a. over de verdeling van de kosten) noodzakelijk was.

Zowel Nederland en België gingen in 1870 de schorre in de Zwinmonding als Staatseigendom beschouwen en kwamen akkoord voor de inpoldering van de Zwinmonding met de Internationale Dijk waardoor de Willem-Leopoldpolder, genoemd naar de beide koningen, zou ontstaan. De dijk vertrok op het meest noordelijke punt van de Hazegrasdijkpolder en liep recht oostwaarts tot de Nederlandse dijk op de oostoever van het Zwin. Door de dijk werden de Grote Plaat en het zuiden van de Zeehondenplaat ingedijkt. Ten noorden van de lijn Zoutedijk - Hazegraspolderdijk en Internationale Dijk lag een groot gebied (huidige Zwinbosjes, Natuurreservaat en Kleine Vlakte) dat enkel door een verdergevorderde duinenrij werd beschermd.

Internationale Dijk

De indijking van de Willem-Leopoldpolder betekende de laatste grote inpoldering. Het opkomend toerisme, de grotere technische mogelijkheden en de noodzaak om de dijken te onderhouden, zorgden er voor dat vanaf de tweede helft van de 19de eeuw een stenen dijk werd gebouwd, eerst in Heist en enkele decennia later in Knokke. In 1852 bouwde men tegen het door de zee bedreigde Sas van Heist (Leopoldkanaal) een eerste stenen versterking die in 1855 ca 250 oostwaarts werd verlengd.

Tussen 1855 en 1870 trok men de stenen dijk van Heist door tot voor het Kursaal (Heldenplein). Daardoor werden de Heistse schuiten verplicht om in het oosten van het dorp te stranden. De vissersbevolking verhuisde toen “langs den oostkant waar het hun veel gemakkelijker en voordeliger valt zich, benevens de visscherij, met den landbouw en het kweeken van varkens, konijnen, enz... onledig te houden, hetgeen in ’t dorp niet meer mogelijk is”. De volgende jaren werd de stenen dijk verder oostwaarts (richting van nieuwe Duinbergen) doorgetrokken. In 1907 had Duinbergen dan ook zijn stenen zeedijk.

In Knokke werd het eerste stuk (200 m vanaf huidige Lichttorenplein naar huidige Van Bunnenplein, vroegst bebouwde stuk zeedijk) van de stenen zeedijk pas in 1899 aanbesteed. De volgende jaren werd de dijk dan uitgebreid. In juli 1908 werd de eerste steen gelegd voor de zeedijk van het Zoute. Die dijk bereikte in 1912 reeds de Lekkerbek. Het verlengde van de dijk tot de Zwinduinen werd in verschillende stukken gebouwd en was klaar in 1938.

Westwaarts werd de dijk van het Albertstrand in 1922 aangelegd. Tijdens de werken werd een deel van de dijk in aanbouw door een storm vernield. Dat zette er de initiatiefnemers toe aan om de dijk daar een honderdtal meter landinwaarts te leggen waardoor het huidige Albertstrand ontstond.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mail

Afwatering en waterschappen

Na de bouw van een dijk moest de pas gewonnen polder worden ingericht. De eigenaars bouwden er hoeven, wegen werden aangelegd, de afwatering moest worden voorzien, ...

De oudste wegen zijn de “schapenwegels” die werden gebruikt op met een kudde schapen door de schorre te trekken. Deze wegen lopen dikwijls zeer kronkelend (cf. Zes Bochten) omdat zij hun loop over hogere gronden zochten. Daarnaast legde de watering ook eigen wegen aan en werden de dijken als weg gebruikt. De waterschap moest bruggen bouwen over de vroegere kreken en de watergangen. De afwatering naar zee stelde steeds een apart probleem.

In de gebouwde dijken werden zo weinig mogelijk doorstoken (in de vorm van een sluis) voorzien omdat die doorsteekplaatsen steeds een zwak punt in de dijk betekenden. Bij zware storm kwamen de meeste breuken voor in de omgeving van een sluis. Vele sluizen werden dan ook niet onmiddellijk in de voorste zeewering geplaatst maar wel in het afvoerkanaal enkele 100 meter achter die dijk (cf. Kwintensluis, Eiesluis). De oevers van het kanaal tot aan de sluisvliet (afvoerkreek door schorrengebied cf. Reigaarsvliet) werden dan wel versterkt met dijkjes.

De afgedamde schorrenkreken vormden dikwijls de basis voor het afwateringsnetwerk. Die kreken werden verdiept tot watergangen en met kanaaltjes met elkaar verbonden, zodat alle water langs één punt kon afvloeien.

De "watering" of "waterschap" had bijgevolg een belangrijke taak, nl. het onderhoud van wegen-, dijk- en waterinfrastructuur. De kosten hiervoor werden gedragen door de “gelanden”, de eigenaars van de ingepolderde grond. Die organiseerden zich in een vereniging, nl. de watering of waterschap, o.l.v. een door henzelf verkozen ‘dijkgraaf’, meestal de rijkste of belangrijkste “gelande”. Die is voorzitter van een bestuur dat bepaalt welke werken zullen worden uitgevoerd en hoeveel “geschot” leden moeten betalen. Het “geschot” is een soort belasting of deelname aan de kosten die de waterschap maakt. Die kosten per eigenaar worden berekend op basis van het aantal gemeten grond iemand heeft.

Om het “geschot” per persoon te kunnen bepalen was een goed bijgehouden eigendomsregister nodig. Zo’n eigendomsregister van een waterschap noemt men een “ommeloper”. Hierin worden alle percelen grond binnen een waterschap nauwkeurig beschreven : oppervlakte, grenzen, eigenaar, eventuele gebouwen... Na een aantal jaar moesten de registers vernieuwd worden vb. veel wijzigingen bij eigenaars, na veranderingen van percelen... De opeenvolgende “ommelopers” van een waterschap zijn dan ook een zeer belangrijke historische bron om de evolutie van een bepaald gebied na te gaan. Zij vormen als het ware het oudste kadaster. De controle op de goede werking van een waterschap in de Zwinstreek gebeurde door het Brugse Vrije. Zeer geregeld werden ambtenaren op pad gestuurd om de dijken te inspecteren.

De waterschappen zijn reeds zeer oud (bijna zo oud als de dijken). Een vroegste waterschap in de Zwinstreek werd wellicht gevormd door de gelanden van het gebied dat te noorden van Brugge werd ingedijkt (ca 950) door de Zidelinge, Evendijk en Gentele. Die watering werd later de Oostwatering genoemd en diende als voorbeeld voor de Westwatering (watering ten westen van de Gentele).

Die Westwatering stond in voor het onderhoud, bescherming en afwatering van het gebied dat werd ingedijkt door de dijkengordel Evendijk – Zomerdijk – Kalvekeetdijk – Brolozendijk (of Oostdijk) – Krinkeldijk (ca 1050). De belangrijkste voordijkse kreken in dat gebied waren de latere Ede (voor de Evendijk), de latere Knokse Ader en de delta van de Reigaarsvliet (voor de Zomerdijk/Kalvekeetdijk), de latere Vuile Vaart (voor de Brolozendijk).

De afwatering van de nieuwe polders verliep eerst via de Monnikerede (Oostkerke) die met een sluis verbonden was met de Scheure/Zwin. Het gebied werd doorkruist door een aantal afgesneden kreken als de Zuidwatergang, Kromwater... Vanuit Sint-Pieters-op-de-Dijk, Koolkerke, Dudzele over Oostkerke liep een nieuw gegraven afwateringskanaal, nl. de Ronsaerdader, die aansloot op de Zuidwatergang en het Krom Water. Op het Krom Water kwam ca 1100 op ca 600 meter achter de Brolozendijk een nieuwe sluis, nl. de Kwintinsluis, die met een afwateringskanaal verbonden was met de voordijkse sluisvliet die steeds meer werd uitgeschuurd (werd later Reigaarsvliet genoemd). Deze sluisvliet kwam bij de dijken in de omgeving van Schapenbrug.

Langs de Kwintinsluis in het Kromwater werd het water van de hele streek afgevoerd. Het grondgebied van Westkapelle en Ramskapelle werd ontwaterd via de Noord- en Zuidwatergang (vroegere kreken) die in verbinding stonden met het Krom Water. Het water uit Lissewege en Uitkerke bereikte de Noordwatergang via de Kemelader en het water uit Heist werd aangevoerd via de Kijfader.

Ca 1130 zocht Brugge reeds naar een nieuwe vaarweg om de zee te bereiken. Men volgde ca 4 km de Reie van waaruit een kanaal werd gegeven (later Oud Zwin genoemd) naar Pijlyser Dam (later Peereboom in Oostkerke genoemd) en van daaruit sloot men aan op de Monnikerede die uitmondde (met een sluis) in de Scheure/Zwin. Die waterweg liep tussen twee dijkjes en het water werd kunstmatig hoog gehouden om de scheepvaart te bevorderen. Hierdoor werden een aantal aders doorsneden die enkel langs het Oude Zwin konden afvloeien.

Een vijftigtal jaar later (ca 1180) koos Brugge voor een nieuwe vaarweg. Men kanaliseerde de Reie (Nieuwe Reie genoemd) tot de plaats waar Damme ontstond. Daar sloot men aan op de Scheure/Zwin. In de driehoek Nieuwe Reie, Oud Zwin, Monnikerede werd de nieuwe Watering van Romboutswerve ingericht. In het zuiden daarvan organiseerde men de Kerkwatering van Oostkerke en de Watering van sheer Bazelishoek.

De Monnikendijk (ca 1225) kwam vanuit de Keuveldijk tot aan de oever van de voordijkse schorrekreek de Reigaarsvliet. Tegen de oever bouwde men de hoeve “Palinghuis” met daarnaast een nieuwe sluis op de Reigaarsvliet. Hierna werd de oorspronkelijke Oostwatering opnieuw gedeeld. In het oosten van de Reigaarsvliet ontstond de Watering van Reigaarsvliet en in het westen ervan de Watering van Greveninge.

In de 13de eeuw werd het Oud Zwin vanaf Pylyzers Dam met een kanaal verbonden tot de oude Kwintinsluis (afwatering via Monnikerede werd afgeschaft). Dat kanaal werd ook “Oud Zwin” genoemd en verbond Brugge met de Reigaarsvliet.

Vanaf halfweg de 13de eeuw wordt meer en meer de naam “Zwin” gebruikt i.p.v. “Zinkval”. Vanaf ca 1300 wordt de hele vaarweg vanaf de monding tot in Damme “Zwin” genoemd.

De Greveningepolder (rechteroever van Reigaarsvliet) was ca 1170 ingepolderd. De belangrijkste watergang was de vroegere Greveningekreek die later de Vuile Vaart zou worden. De vaart werd door een kanaal in verbinding gesteld met een sluis in de Greveningedijk (bij huidige wijk Nachtegale) die de sluis van de Watering van Greveninge werd.

image001

In het begin van de 15de eeuw geraakte het Oud Zwin verwaarloosd en aangeslibd. Ook moesten de sluisdeuren worden vernieuwd. Daarop besloot men de bovenloop van het Oud Zwin te verleggen. Vanaf de terp Ten Doele (tussen Oostkerke en Westkapele) werd een nieuwe vaart (Hoekevaart) gegraven naar een nieuwe sluis bij Calchoven (Hoekesluis) in het Zwin (iets ten zuiden van latere Frederiksfort). D sluis bij de Reigaarsvliet wordt nog verder gebruikt door Volkaartsgote en een deel van Reigaarsvliet. De Reigaarsvliet wordt in 1422 helemaal afgedamd zodat de Watering wel verplicht is om langs de Hoeke Sluis af te wateren.

image002

Na de bouw van de Kragendijk (ca 1200), de Keuveldijk (ca 1220) en de Monnikendijk (ca 1230) vormden de eigenaars afzonderlijke en onafhankelijke waterschappen. Na 1255 sluiten zij aan bij de Watering van Volkaartsgote. Die watering was gevormd door de gelanden van de Hoge Polder (ca 1240). Zij hadden geen eigen sluis, maar hadden een akkoord met de Watering van Reigaarsvliet dat het water van de Hoge Polder, mits betaling, langs Reigaarsvliet mocht afvloeien. De belangrijkste watergang in de polder was de Keuvelwatergang. Om het water door de Monnikendijk naar Reigaarsvliet te brengen, werd een afwateringsbuis (of “Gote”) door de Monnikendijk gestoken.

Ca 600 meter ten noorden van de Rugge (Koudekerke) werd ca 1170 een nieuwe Zeedijk gebouwd die de Evendijk verving. De nieuwe Zeedijk doorsneed de strandgeulen de Ede (met zijn vertakkingen als West-Ede en de Oost-Ede) en de Polderader. In de Zeedijk werd de Eiesluis (ca 700 meter ten westen van dorp van Heist) gebouwd en in de achterliggende Evendijk de Boudens Meitins Sluis (West-Ede) en de Koppensluis (Oost-Ede).

Na het graven van de Lisseweegse Watergang (Zwankendamme – Brugge ; langs Ter Doest), die als vaarweg werd gebruikt, werd de Watering van de Eiesluis gevormd. Wanneer ca 1300 een inlaagdijk wordt gebouwd en de oorspronkelijke zeedijk wordt verwaarloosd, komt de Eiesluis op het zeefront te liggen waardoor de sluis kwetsbaarder wordt. De belangrijkste aanvoerader is de Lange Watergang die het water afvoert uit het gebied tussen de Gentele en Lissewege.

In 1546-1548 is de stad Brugge weeral op zoek naar een nieuwe vaarweg naar zee. Om de monding van het Zwin uit te schuren sluit men het Zwarte Gat (oostelijke doorgang van Zwin naast eiland Cadzand) en graaft men een afwateringskanaal vanuit Oostburg. De operatie heeft echter weinig succes.

Daarop besluit men tussen Damme en Sluis een dubbel kanaal te graven en het Zwin recht te trekken. Tussen hogere dijken, om het waterpeil hoog te houden, graaft men de Verse (of Zoete) Vaart (westen) en daarnaast de Zoute Vaart (oost). Hierdoor wordt de Hoekesluis in het vroegere Zwin onbruikbaar.

De Hoekevaart werd daarop in een grote boog verlegd naar een nieuwe sluis die noordelijker werd gebouwd in de Verse Vaart (ten noorden van latere St.-Donaas) Vanaf 1583 werd terug de oude Hoeke Sluis gebruikt. Het graven van de twee kanalen bracht nog geen oplossing. Daarop maakt Brugge plannen voor een “Nieuw Gedelf”, nl. het uitdiepen van het Oud Zwin (wordt dan ook Koolkerkse Vaart genoemd) tot Pylyser Dam en de Monnikerede tot de Verse Vaart (1564/1565).

image003

Langs de nieuwe vaarweg kwamen enkele zeeschepen tot in Brugge. De oorlogsomstandigheden van het eind van de 16de eeuw verhinderden een blijvend gebruik van het Nieuwe Gedelf. In 1580-1590 bouwde men in de omgeving van het vroegere Zwin een drietal forten die ook de waterwegen en sluizen moesten beschermen : het Sint-Jobsfort op de sluis van Zuid over de Lieve, het Sint-Donaasfort op de Verse Vaart, het Sint-Frederiksfort op een nieuwe sluis (1590) van de Watering van Reigaarsvliet.

Deze laatste sluis ging maar enkele decennia mee. In 1617-1618 bouwde men, naast het half verlaten Sint-Frederiksfort, de Zwarte Sluis. Van die sluis maakten zes waterschappen gebruik : Greveninge, Bazelishoek, Kerkwatering Oostkerke, Romboutswerve, Vokaartsgote, Reigaarsvliet.

Op het eind van het Twaalfjarig Bestand (1621) werd een nieuwe verdedigingslinie gebouwd. In de vroegere bedding van de Reigaarsvliet werd de Legervaart gegraven met op het uiteinde het Isabellafort met daarbij de Isabellasluis als nieuwe sluis voor een deel van de Wateringen van Reigaarsvliet en Volkaartsgote.

Ondertussen had de Eiesluis reeds vele problemen gekend met de zandverstuiving. In 1442-1443 bouwde men achter de Eiesluis een tweede sluis (Verse Sluis) als bescherming. Vanaf 1517 had de Watering van Eiesluis een akkoord met de Watering van Blankenberge om een deel van het water langs de sluis van Blankenberge af te voeren. De achterliggende Verse Sluis moest in 1620 en 1634 herbouwd en vernieuwd worden. Toch bleef het gebruik van het sluizencomplex problematisch omdat de sluizen dikwijls “vervloghen”. Het overtollige water werd verder afgevoerd naar Blankenberge door drie buizen in de Blankenbergse Dijk (Gentele). Jaarlijks moesten de sluizen van de Eiesluis worden geruimd. De Eiesluis zelf was slechts een buis onder de duinen.

De Waterschap bleef dan ook naar een oplossing zoeken. In 1649 meldt men ; “ghedaen delfen ende verdypen de gheleeden, omme beter te doen suveren de waters vande landen vande prochien van Uytkercke, Seuwenkercke ende omligghende ghewesten”. Toch bleef het water in de winter op de akkers en weiden staan. De definitieve oplossing bleef uit omdat de Watering van Blankenberge niet wou meewerken.

Het volgend jaar werd gedacht om het water van de Watering van de Eiesluis te laten afvloeien langs de Isabellasluis. Op 5 augustus 1655 besloot men tot “het begonnen delven van een nieuwe sluisvliet, begonnende vande Boomhegsche sluise ligghende inden Evendijk, west vanden dorpe van Heyst, suutwest iegens over de sluuse, streckende vandaer oostwaéerts naers de sluuse van syze Magesteyt, ligghende west bij het fot Ste Isabellae, als de sleve sluusvliet sal gheel volmact wesen den somer sessenvichtich”.

Het water werd afgeleid vanaf de Boudin Meitins Sluis zuidoostwaarts tot de Kijfader die over een lengte van 600 meter werd rechtgetrokken tot de Markvliet en van daar naar de Knokse Watergang en verder tot de Isabellasluis. De Isabellavaart was klaar tegen 1657. Daarna werd de Eiesluis buiten gesteld. De Watering van de Eiesluis kocht de sluis in 1660. Het fort werd in 1679 geplaneerd. In de Spaanse Successieoorlog vernielden terugtrekkende Fransen in 1704 de Isabellasluis. Aangezien de Zwarte Sluis (Hoeke) aan het dichtslibben was, besloot men bij het fort Sint-Donaas een nieuwe sluis te bouwen. Die sluis die men in 1705 bouwde, voldeed echter niet.

Door tussenkomst van het Brugse Vrije en na een proces mag de Watering van de Eiesluis terug tijdelijk lozen door de sluis van Blankenberge. Na het Barrièretractaat kwamen het St-Isabellafort en het Sint-Paulusfort in handen van de Noordelijke Nederlanden. Het verder gebruik of herstel van de Isabellasluis was dan ook uitgesloten.

De Verenigde Wateringen van de Eiesluis en Reigaarsvliet gingen vanaf 1735 samen op zoek naar een nieuw lozingspunt. Ondertussen was het vroegere Zwin bij Sluis reeds helemaal aangeslibd zodat het stuk kon ingepolderd worden. Om de nieuwe polder af te waren was een nieuwe sluis (Passluis) nodig. In 1753 kwamen de Noordelijke Nederlanden en het Brugse Vrije overeen dat alle wateringen op de oost- en de westzijde van het Zwin langs de nieuwe Passluis mochten afwateren. Vanaf 1755 gebeurde dat ook effectief.

De Passluis kon gemakkelijk gecontroleerd worden door de Noordelijke Nederlanden. Jozef II, die de grens van 1718 wou terugbrengen tot die van 1648 (1664), zocht een oplossing om minder afhankelijk te zijn van de Noordelijke Nederlanden. Hij besloot dat een nieuwe sluis moest worden gebouwd, die kon worden gecontroleerd door de Zuidelijke Nederlanden. De dijkbouwer Philippe-François Lippens uit Moerbeke-Waas, kwam in 1784 naar het Hazegras om een plaats te zoeken voor een nieuwe (Hazegras)sluis die moest worden beschermd door een fort.

Hazergrassluis

Voor de nieuwe sluis werd een plaats gekozen ten noorden van de vroegere Isabellasluis en –fort. De Legevaart werd enkele honderd meter verlengd tot de nieuwe sluis en Hazegrasfort die aansloten bij de nieuwe Hazegrasdijk (1784).

Na de ingebruikname van de Hazegrassluis richtten de zes betrokken waterschappen (Eiesluis, Reigaarsvliet, Hazegras, Oostkerke, Godefrootspolder, Greveninge, Volkaartsgote) de Generaliteit van de Hazegrassluis op (1785). De 6 waterschappen bleven onafhankelijk maar beheerden samen een aantal eigendommen : Hazegrassluis met sashuis, Hazegrasstraat, Zwarte Sluis (Hoeke), Hoekevaart, Oud Zwin, Isabellavaart. Daartoe betaalden alle gelanden nog een apart “geschot” aan de Generaliteit. Vele jaren nadat het Leopoldkanaal in gebruik werd genomen werd de Generaliteit van de Hazegrassluis ontbonden (1880).

In de eerste helft van de 19de eeuw slibde het Pas bij Sluis verder dicht zodat de Passluis niet verder bruikbaar bleef. België en Nederland sloten in 1849 een akkoord waardoor Nederland langs de Cantelmolinie kon afwateren naar de Hazegrassluis.

Na het graven van de nieuwe afleidingsvaart Leopoldkanaal (Zelzatevaart) (1857) werd alle water afgeleid naar Heist (omgekeerde Isabellavaart). In dezelfde periode werden plannen gemaakt om de monding van het Zwin verder in te dijken. De Nederlanders stelden voor om in de nieuwe dijk een gezamenlijke sluis (met gedeelde kosten) te bouwen. België was daar, na het graven van het Leopoldkanaal, niet mee akkoord.

De Internationale Dijk werd in 1871 gebouwd. Door de nieuwe Willem Leopoldpolder loopt een verhoogde grensweg die ook als waterscheiding tussen België (Leopoldkanaal) en Nederland (nieuwe sluis bij Cadzand) dient.

In 1889 richtte men de Oostwaterschap van de Leopoldvaart op. Hierin werden alle betrokken wateringen, die wel zelfstandig bleven, samengebracht. Bij de opkomst van Knokke besloot de Waterschap van de Zoute Polder om zelf de gronden te verkavelen. In 1908 werd daartoe de Compagnie Immobilière du Zoute opgericht. In de periode 1909-1930 stond de Watering al zijn grond af aan de Compagnie waarna de Waterschap van Zoute Polder werd ontbonden.

In 1977 kwam een fusie van verschillende polders, met als belangrijkste de Polder van Eiesluis en Groot Reigaarsvliet, in een nieuw opgericht Zwinpolder (2.500 ha). De grenzen van de watering bestaan in het noorden uit de bebouwde kom van Heist en Knokke, in het oosten uit de Watering van de Nieuwe Hazegraspolder en de Nederlandse grens, in het zuiden de “Damse Vaart” en in het westen het Boudewijnkanaal.

Binnen het werkgebied van de Zwinpolder bevinden zich twee gemeentelijke zuiveringsstations van Knokke-Heist. De oudste (1935) op de Paulusdijk (vroegere Sint-Bernardusfort) en het zuiveringsstation op de dijk van het Leopoldkanaal ten westen van Ramskapelle.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mail

Feodale en bestuurlijke organisatie

Bestuurlijke organisatie

De schenkingsakte van de schapenschorre “Greveninge” uit 737 spreekt van “in pago Rodanainse, in loco qui dicitur Grifningae”. De pagus Rodenburg (latere Aardenburg) liep van de “Honte” tot juist voor Brugge dat zelf in de pagus Flandrensis (Vlaanderengouw) lag. Ten laatste in 941 waren beide gouwen samengevoegd en vormden de kern van het toekomstige graafschap Vlaanderen. Het graafschap viel onder de bevoegdheid van de Franse koning (cfr. Verdrag van Verdun en volgende) en werd ter plaatse bestuurd door een graaf (cfr. Boudewijn I met de IJzeren Arm die de Franse koningsdochter Judith schaakte) die Brugge als hoofdplaats verkoos.

Het graafschap was ingedeeld in kasselrijen, met aan het hoofd de kastelein of latere burggraaf. De vroegere pagus Rodanensis, pagus Flandrensis en een deel van de pagus Mempiscus vormden samen de Brugse kasselrij die de grootste van het graafschap Vlaanderen was (ca 1000). Vanaf 1127 vormt Brugge een afzonderlijke entiteit met een eigen bestuur. Het overblijvende platteland van de oorspronkelijke kasselrij vormde dan de kasselrij van het Brugse Vrije. Het grondgebied van het Brugse Vrije groeide in de 11de en 12de eeuw sterk aan door de vele indijkingen en inpolderingen in de kuststreek, o.a. in de streek ten noordoosten van Brugge (huidige Knokke-Heist).

Het Brugse Vrije was vanaf de 12de eeuw verdeeld in een achttal vierscharen (schepenen die recht spraken). Na een aantal reorganisaties bleven vanaf ca 1330 drie kwartieren over : het Oostvrije (oosten van Zwin), het Noordvrije (noorden Brugge) en het Westvrije. Tot de 18de eeuw bleven de parochies Westkapelle, Ramskapelle, Knokke en Heist voor hun rechtspraak afhankelijk van het Noordvrije met een eigen schepenbank en een eigen burgemeester. Bestuurlijke zaken werden over heel het Brugse Vrije centraal beslist door een gezamenlijk college van 27 schepenen (van ca 1500 tot 1795) en vier burgemeester (o.a. Marc Albert Arrezola de Onate, schenker van de zonnewijzer in het oude St.-Margarethatorentje en heroprichter van de Knokse Sint-Sebastiaansgilde) (elk kwartier had zijn eigen burgemeester en een burgemeester aangeduid door de graaf).

De graaf was in het bestuur vertegenwoordigd door een erfelijke burggraaf die vanaf 1224 werd vervangen door de baljuw die een grafelijk ambtenaar (bijgevolg afzetbaar) was. Het Noordkwartier was verdeeld in een aantal ambachten (bv. Oostkerke, Dudzele, Lisseweegse ambacht) die vaak teruggingen op de moederparochies. Die ambachten bestonden uit enkele parochies.

Het bestuur in de parochies bestond uit een hoofdman, een ontvanger en twee pointers (belastingsambtenaar), die allen door het bestuur van het Brugse Vrije waren aangesteld. De ambachten stonden o.l.v. een “aman” die de zowel fiscale, rechterlijke als bestuurlijke bevoegdheid had. Hij maakt het innen van de belastingen en de nieuwe decreten bekend,... en hij was ook de verantwoordelijke voor de “berijder” (soms “baljuw” genoemd) die politionele bevoegdheden had. In grote parochies werd de “berijder” bijgestaan door “officieren” (hulpagenten).

Het Brugse Vrije had bestuurlijke, rechterlijke (o.a.als beroepshof) en financiële (o.a. belastingen als haardgeld...) bevoegdheden. Daarnaast had het Brugse Vrije ook een controlerende en bemiddelende functie. Afgevaardigden van het Brugse Vrije kwamen zeer geregeld de dijken controleren (vb. na zware stormschade) en zij verplichtten de verschillende wateringen om de dijken goed te onderhouden en te herstellen. Wanneer waterschappen de verantwoordelijkheid voor bepaalde afwateringsproblemen naar elkaar toeschoven bemiddelde het Brugse Vrije (cfr. afspraken Watering van de Eiesluis en de Blankenberge Watering). Ook bemiddelde het Brugse Vrije geregeld bij de Graaf van Vlaanderen om toelating te krijgen om de duinkonijnen die schade aanrichtten aan de dijken, te mogen verdelgen.

Rechterlijk was de plaats van het misdrijf bepalend voor de keuze van de rechtbank. In normale omstandigheden verscheen men in eerste aanleg voor de vierschaar van het ambacht (kwam bijeen in Brugge). Het was wel zo dat binnen het grondgebied van het Brugse Vrije een aantal conclaven lagen met een eigen rechtssysteem. In heel het Brugse Vrije vond men stukken grond die behoorden tot het “Proosse” of het “Kannunikse” (cfr. Westkapelle...) met een eigen rechtbank bij St.-Donaas.

Een bijzondere plaats wordt bekleed door het Hof van Kalvekete (Westkapelle) die zelf de rechtsmacht bezat over heel het eigen domein (leen en achterlenen). Het Hof van Kalvekete bezat zelfs een eigen galgenveld. Vanzelfsprekend hadden ook de steden een eigen rechtbank. Voor Sint-Anna-ter-Muiden (stadsrechten 1243) had die enkel bevoegdheid over het stadsterritorium dat veel beperkter was dan het grondgebied van de parochie (Vuile Vaart was lange tijd de grens met de parochie Westkapelle).

De structuur van het Brugse Vrije met de eenheid van macht (bestuurlijk, rechterlijk, uitvoerend) bleef bestaan tot de Franse periode. Het graafschap Vlaanderen en de kasselrij van het Brugse Vrije verdwijnen om plaats te maken voor de provincies die ingedeeld waren in kantons (1796). De parochies Westkapelle (874 inw.), Ramskapelle (336 inw.), Heist (467 inw.) en Knokke (498 inw.), vormden samen met Hoeke (142 inw.) en Lapscheure (608 inw.) het kanton Westkapelle (2925 inw.) dat in het Departement van de Leie lag. De vroegere parochiale administratie werd afgeschaft en moest worden overgedragen aan de gemeenten. De vroegere hoofdman van de parochie Westkapelle , Frans Gheyle, werd gepromoveerd tot hoofdman van het kanton. Hij werd bijgestaan door een bestuur dat bestond uit Filip Bulcke (hoofdman Ramskapelle), Sebastiaan Nachtegaele (hoofdman Knokke) en Frans en Jozef Vanhoute.


Leiedepartement

In Westkapelle werd ook een afdeling van de “gendarmerie nationale” gestationeerd. In de kantonhoofdplaats zetelde ook een “Juge de Paix” (vrederechter). In 1799 worden de kantons afgeschaft als bestuurlijke eenheden (kantons bleven bestaan als rechterlijk gebied tot 1800 – oprichting van arrondissementen). De gemeenten krijgen een eigen “maire” (burgemeester) en “adjoints” (schepenen) met een eigen gemeenteraad. In Westkapelle vinden we Jan Semeins (1799) als eerste burgemeester, in Ramskapelle Filip Bulcke, in Heist Joannes Quintens (werd in 1803 gemeenteontvanger en door J. Dierickx-Visschers opgevolgd als burgemeester) en in Knokke Sebastiaan Nachtegaele. De fundamentele Franse hervormingen overleefden de Nederlandse periode (1815-1830) en de Belgische Onafhankelijkheid (1830).

Feodale organisatie

Volgens het feodale recht behoren alle gronden aan de graaf. Die kan de gronden in leen geven of aan particulieren verkopen. Bij de inpolderingen deed de graaf beroep op rijke particulieren die wilden investeren in dijken en polders. Bij de oudste indijking richtte de graaf een aantal leenhoven op die hij in leen schonk aan “investeerders”. Die leenhoven lagen meestal kort achter de dijkenlijn Evendijk-Zomerdijk-Kalveketedijk-Brolozedijk. Alhoewel de eerste leenmannen niet gekend zijn, neemt men aan dat die dikwijls rijke burgers van Brugge waren.

Ook konden leenhoven die in het binnenland lagen een leenhof in het ingedijkte gebied verkrijgen (vb. leenhof van Aaishove bij Kruishoutem verkreeg het gebied “Aaishove” in Ramskapelle). Ook het Hof van Dudzele verkreeg vele gronden in Koolkerke, Dudzele en Ramskapelle.

Het Hof van Dudzele bezat in de drie parochies ook nog een aantal feodale rechten : “hof ende heerlichede van Dudzeele, haer bestreckende door het ambacht ende prochie van Dudzeele, Coolkercke ende Ramscapelle” ; “item zoo behoort den voornoemden heere van Dudzeele, ter causen van syne voornoemde heerlichede, de auditie vande rekenynghe vande respective kercken vande prochien van Dudzeele, Ramscapelle ende Coolkercke, ende vande respective disschen ende gilden vande voorsegde respective kercken ; het stellen vande kercke ende dischmeesters vande voorseyde respective kercken, midtsgaders de ontvanghers van diere ; binnen de voorseyde ambachten ende prochies de vrije voghelinge ende patryserie ; item de vrye jagherye met vrye range ende teeckene, midtsgaders de vrye maelderye binden voorseyden ambachte ende prochie voorseyt”.

Ook het Hof van Arzele uit Dudzele bezat een tiental achterlenen. Dat hof had ook het “ammanschap” van het ambacht Dudzele. Ook de Heerlijkheid van Voormezele dat vele leengoederen in de Zandstreek bezat (heerlijkheid Tillegem in St.-Michiels, Voormezeels in stad Brugge, gronden in Jabbeke en Aardenburg) had leengoederen in Ramskapelle en zou tot halfweg de 13de eeuw gronden bezitten in de nieuwe Keuvel-, Monniken- en Hoge Polder in Knokke.

Het belangrijkste leenhof in Ramskapelle was echter het Hof van Ramskapelle. Het was gelegen in het Zuidoosten van het dorp in Ramskapelle langs de Dudzeelse Heerweg (nu doorsneden door afleidingskanalen).

In de parochie Westkapelle was het Hof van Reigaarsvliet, gelegen kort achter de Brolozedijk, maar verloren gegaan ca 1600, het belangrijkste leenhof : meeste achterlenen en manschappen omvang van het grondgebied, grootste aandeel in weyland echter de dijk... Het leenhof bezat ook vele leengoederen in Brugge en in de Watering van Blankenberge. Waarschijnlijk was de latere Heer van Reigaarsvliet eerst heer van een leengoed in of bij Brugge. Hij hielp eerst mee met de indijking van het gebied ten noorden van Brugge, waar hij enkele stukken in leen kreeg. Daarna hielp hij met de bouw van de Evendijk, sector Brolozendijk, waarvoor hij door de graaf werd beloond met nieuwe leengoederen, o.a. het Hof van Reigaarsvliet die het nieuwe leenhof van het geheel wordt werd.

De Heer van Reigaarsvliet mocht zijn schapen laten grazen op het voorland, nl. de Greveningeschorre. Wanneer hij die schorre hielp inpolderen verkreeg hij nieuwe gronden in leen. Ook bij de opeenvolgende indijkingen van de Polder van 177 Gemet, de Brixuspolder, en de Noordpolder werd hij telkens beloond met de uitbreiding van zijn leengoed.

De oudste bekende Heer van Reigaarsvliet was Hendrik van Reigaarsvliet. Zijn zoon Gillis werd in 1229 schepen van het Brugse Vrije. Jan van Reigaarsvliet was in de periode 1306-1316 ook schepen van het Vrije. In 1462 werd het leenhof gekocht door Pieter Blandelin. In de 16de eeuw werd de familie de Baenst eigenaar. Vanaf 1661 kwam de familie Maroux door erfenis in het bezit van het leenhof. Lodewijk Maroux werd in 1773 de laatste Heer van Reigaarsvliet.

Ook het Hof van Kalvekete was een van de belangrijkste leenhoven achter de Evendijk. Net als het Hof van Reigaarsvliet bezat het vele leengoederen in de omgeving van Brugge zodat kan veronderstelt worden dat de eerste leenman van Brugge of omgeving afkomstig was. Het Hof van Kalvekete bezit ook leengoederen in Lissewege van waaruit men meewerkte met de inpolderingen in de omgeving van het latere Koudekerke waar men dan ook leengoederen verkreeg. Ook na de indijking van de Vardenaars-, Keuvel- en Monniken-, Hoge en Butspolder verkreeg het Hof van Kalvekete nieuwe leengoederen. Het Hof bezat ook een lange strook in de Evendijk, vanaf Veldegoed tot Schapenbrugge, dat Kalveketedijk werd genoemd.


Hof ter Kalvekete

In 1350 werd het leenbezit als volgt omschreven : de stede te Calvekeete lighende inde prochie van Waescapelle, grood 100 gemeten landts metten antwerpe ende dike datter toebehoort, ende de viscerie van Eyenbrughe toter zee, yser ende staal, coper ende metaal ; item ene vierscare lighende in de prochie Zeverne met alle den boeten lene ende groote, ende hoghe justicie, met 48 manschepe der toe behorende ; item in sinte Mariekerk 53 gmeten lands dat men heet Bueslen, met 26 manscepe al den voorsede leengoede van Calvekeete toebehoorende”.

Hier verwijst men naar het visrecht vanaf Eienbroek (Oostkerke), op het Oude Zwin (tot bij Kwintinsluis). Ook had het Hof van Kalvekete zijn eigen vierschare (rechtbank) die ook “hoghe justicie” had (mocht doodstraf uitspreken). Deze vierschaar ging samen met de vierschaar van Zeveren (bij Damme). De vroegst gekende houder van het Hof van Kalvekete is Gerolf van Kalvekete (1229). Een andere Gerolf van Kalvekete is in 1293 schepen van het Brugse Vrije. Ca 1300 komt het Hof van Kalvekete door huwelijk in hadden van de heren van Koekelare. Later werden nog de heren van Meulebeke, de heren van Dadizele en de heren van Peuty ook Heren van Kalvekete.

Een kleiner leenhof in Westkapelle was het Hof ter Poele (omgeving van ’t Walletje) dat kort achter de Kalveketedijk lag. In 1400 werd het leenhof gekocht door Lodewijk van Reigaarsvliet. Het Hof ten Poele was ook in het bezit van het Hof ter Zaele (Oostkerkestraat). Het Hof ter Veldegoed te Heist, juist voor de grens met Westkapelle (carrosserie Lierman) bezat gronden in Westkapelle. Het Hof te Veldegoed bezat ook het molenrecht in Westkapelle. De Heer van Oostkerke bezat dan weer het “ammansrecht” in Westkapelle. In de omgeving van het dorp Westkapelle behoorden vele gronden tot het Kannunikse en het Proosse die rechtstreeks onder het gezag van het kapittel van de proost van Sint-Donaas valt.

De twee grootste leenhoven in het latere Heist zijn het Hof van Koudekerke en het Hof van Heis. Het Hof van Koudekerke was zeker het belangrijkste hof binnen de Evendijk. Het bezat vele gronden o.a. langs de Ramskapelse Heerweg, een derde van het ammansrecht van het ambacht Lissewege, het weiderecht op de Evendijk vanaf de Gentele tot voorbij Heist (waarschijnlijk als compensatie voor het meewerken aan de bouw van die dijk) en ook het weiderecht op de later noordelijk aangelegde dijk, stukken grond in de Oudemaarspolder, het visrecht “de palijncksate... wesende de gherechte visscherie op alle gehbanne wateren”... Het centrum van het leenhof lag in Koudekerke naast de kerk.

Ook het Hof te Heis, met centrum langs de Ramskapelse Heerweg was een belangrijk leenhof met vele gronden in de Oudemaarspolder. het had ook het Hoge Leen, waar later het dorp Heis(t) zou ontstaan, in leen. Op een bepaald ogenblik bezat het leenhof een veertigtal achterlenen waarvan een twintigtal in de omliggende parochies van Brugge (o.a. in Koolkerke, Sint-Baafs, Sint-Kruis). Waarschijnlijk was oorspronkelijk een van die achterlenen het belangrijkste leen. Ook had het Hof van Heis(t) de rente op 5 molens op de vesten van Brugge.

De oudst bekende Heer van Heis is Lodewijk van Moerkerke. De familie van Moerkerke verkoopt het hof in 1444 aan Pieter Bladelin. Enkele jaren later (1473) komt Joos van Varsenare, raadsman en kamerheer van de hertogen van Bourgondië, in het bezit van het Hof van Heis. Daarna wordt Pieter Lanckhals in het bezit gesteld. Nadat hij werd onthoofd omwille van zijn steun aan Maximiliaan van Oostenrijk (1488), wordt het hof in beslag genomen. Daarna wordt het Hof van Heis teruggegeven aan de familie Lanckhals die het ca 1700 verkoopt aan de familie van Pottelsberghe. In 1743 wordt Jean-Baptist van Pottelsberghe de laatste Heer van Heis.

Een ander, eerder beperkt leenhof was het Hof te Veldegoede die een aantal achterlenen verkreeg in de Knokse polders (Hoge Polder, Monnikenpolder, Butspolder,...) als gunst voor de medewerking bij het bouwen van de dijken. In 1435 wordt Jan de Baenst, baljuw van Brugge, leenhouder van het Hof van Veldegoed. In de 16 de eeuw verkreeg de familie van Halewijn het Hof en daarna de familie van Claerhout. In 1771 kwamen de prinsen van Croy in het bezit van het Hof van Veldegoed.

Een bijzonder feodaal recht in Heist hoorde aan de Heer van Dudzeele : “item 200 compotent de voornoemde mevrouwe (van Dudzele), ter cousen van heerelichede van Dudzeele, de vierboete vanden duynen van der zee, de elcke den heere voormaels verpacht heeft an de gildebroeders van de gilde van onze vrouw tot Heyst, ten pryse van 12 pd. grooten ende 9 stuvers tsiaers, suver gelt, boven de reparatie ende onderhoudynghe vande voornoemde vierboete, die de voornoemde ghildebroeders waeren sculdich te doene onvermindert heurlieden pacht ; ende alsoo tot Heyst anne de oorloghe gheen visschers meer uut en voeren, soo en proffyteert den heere danaf niet voor als noch”. De Heer van Dudzele verpachtte de vuurtoren van Heist voor de som van 12 pd groten aan de O.-L.-Vrouwgilde van Heist (vissersgilde). Die gilde moest de vuurtoren wel onderhouden. Enkele kleinere rechten waren de “caesepennynckrente” en de “voorpotschuld” die beiden aan de St.-Baafsabdij van Gent moesten worden betaald.

Bij de inpoldering van de latere polders in Knokke merkt men een vermindering van de feodale rechten. Blijkbaar gaf de Graaf er toen de voorkeur aan om de investeerders te vergoeden in zuivere eigendom, i.p.v. hun een leengoed in leen te geven. In de Keuvelpolder was nog ongeveer de helft feodale grond, maar de Monnikenpolder, de Butspolder en Vagenierspolder kwamen grotendeels in particulier bezit. Grote delen van de Hoge Polder (Volkaertsgote) kwamen in leen bij het Hof van Knokke (ten noorden van Grote Keuvel). In de bedoelde polder vond men nog de kleinere leenhoven “Hoeve Rode Kalf” en de “Verbrande Hoeve”. In de Butspolder vindt men geen feodale grond maar de gronden worden verdeeld tussen het Hof van Knokke, Veldegoed, Kalvekete en Hof ten Poele. Ook in de Vagevierspolder zijn geen feodale gronden. De polder komt in volle eigendom van Jan van Namen (ca 1285)

Jan de Baenst verkrijgt in 1428 de eeuwigdurende pacht van de Hazegrasschorren mits de betaling van 25 pd. par. per jaar. Zijn opvolgers tot en met de Hertog van Croy in 1782 betalen die pacht die hen de volle beschikking (met recht op indijking) geeft. De Staat spande in de 18de en 19de eeuw enkele processen in om dat recht te bevechten maar de Staat verliest de processen (cfr ook proces eind 19de eeuw tegen familie Lippens).

Walter van Gistel, Heer van Voormezele, verkreeg leengoederen tussen de Kragendijk en de Butspolder : stuk van de Keuvelpolder met o.a. de Grote Keuvel, de Monnikenweg en een deel van de Keuveldijk, ook een stuk uit de Monnikendijk, de Kleine Keuvel en een deel van de omgeving, de omgeving van de latere Vaucelleshoeve en een stuk grond bij de “Duivelsput” (Graaf Jansdijk). In 1255 verkoopt hij de gronden met alle rechten aan de abdij van Vaucelles. Wanneer die abdij in het begin van de 14de eeuw in de financiële problemen komt gaat die abdij geld lenen bij de Cisterciënzerkloosters Ter Duinen, Loos, Cambron en Clairmarais. Die kloosters kregen elk een hoeve in bruikleen. De Keuvelhoeve kwam in bruikleen aan het klooster Ter Duinen.


Keuvelhoeve (Kalfstraat)

Belangrijke feodale rechten voor Knokke en omgeving waren het jacht- en lagaanrecht. Het jachtrecht hield in dat de graaf het recht behield om te jagen op de grafelijke domeinen die o.a. bestonden uit de aanwassende schorren en duinen. De talrijke konijnen in de duinen stelden dikwijls problemen (verzwakten de dijken, vernietigden veldgewassen). Geregeld vroeg het Brugse Vrije de toelating aan de Graaf om de konijnen te mogen verdelgen. Om te verhinderen dat de lokale bevolking de konijnen zou stropen, stelde de graaf “duneherders” aan.

Het lagaanrecht was gebaseerd op het recht van de graaf om de door de zee aangeworpen landstrook bij zijn domein te voegen. Alles wat na een schipbreuk op die strook aanspoelde werd door hem in beslag genomen omdat schipbreuk lijden een overtreding van het zeerecht was. De baljuw van de kustkasselrij moest het lagaanrecht doen uitvoeren. Daartoe stelde die toezichters (soort professionele zeedrifters) aan die de aangespoelde goederen naar Brugge moesten brengen waar die werden verkocht ten voordele van de graaf. Grote stukken (vb. grote stukken wrakhout) werden soms ter plaatse verkocht.

Vooral de buitenlandse handelaren die het Zwin opvoeren, protesteerden herhaaldelijk bij de Graaf. Wanneer hun schip kapseisde bij het binnenvaren van het Zwin, verloren zij hun goederen zelfs als die aanspoelden op de kust van Knokke. In 1477 versoepelde Maria van Bourgondië het lagaanrecht. De vreemde handelaren kregen dan hun aangespoelde goederen terug mits het betalen van een onkostenvergoeding. De “lagaanofficier” te Knokke woonde ca 400 meter ten zuidwesten van het Paulusfort, dicht bij de zeeoever.

| inhoudstafel |

Afdrukken E-mail

Meer artikelen...

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.