headerbg bl
HomeGeschiedenisHeemkundige kringenZoeken in publicatiesWestkapelle - Tweede deel: De Kerkelijke Parochie (1)

Westkapelle - Tweede deel: De Kerkelijke Parochie (1)

Westkapelle - Tweede deel
De  Kerkelijke  Parochie     

HOOFDSTUK I - De Kerk

Het  voormalig  Kerkgebouw  uit drie beuken gevormd,was naar spitsbogentrant opgevat. Wij ontdekten geen enkele oorkonde die ons aangaande het  tijdstip van zijn opbouw inlicht.  

In het midden van de kerk stond de reuzentoren. (1). Tussen de jaren 1636  tot 1640  onderging het heiligdom een bijna volledige  herstelllng, naar de bouwtrant van de 17e  eeuw. Als bewijsdocumenten  komen hier te stade een  uitgebreid verslag  door Z, E. H. Jan Jennyn, Deken der Christenheid van Damme en gewezen pastoor van Westkapelle, na een kerkbezoek, ten jare 1640 opgesteld.  Ook enige overgebleven kerkrekeningen die dit rnerkwaardig verslag toelichten en voltooien worden aangewend.

Luidens het verslag waren enkel de muren van de noordbeuk (2)  of  O.L.Vr.-koor ,van hun dak ontbloot, recht gebleven. Het dak werd hersteld,  doch wij vermissen de rekening waar de herstellingskosten aangeschreven staan.  De driehoekige hoofding van de middenbeuk,  gans de  St-Niklaaskapel of Zuidkoor, de Sacristie die er  ten  Oosten aangevoegd was, werden prachtig  herbouwd. Dit werk kostte  933 gulden:  zo tekent het  Z. E. H. Jennyn  aan.

Op 2 oogst 1640 vergaderden  de  Hoofdmannen en de voorname  parochianen om over de  uit te voeren werken te beraadslagen;  ze besloten de zuiderzijkant  van het middenkoor en de sacristie te herbouwen,  de muren van het St-Niklaaskoor en van het Sanctuarium  herop te maken,  en dan,  indien de middelen het toelieten  de aangevangen werken te voltooien.

Op 11 oogst  keurden de Vicaarheren van het toen openstaande bisdom  die beslissing goed. Het werk werd aan de minst biedende aanbesteed,  in de rekening  lezen wij: “de matserie van den  zuidersten zijbeuk,  het maeken  van  den gevel van den Cruyschoor,  het maken van nieuwe vensters en van Sanctuarie,  het steken van  twee cruysvauten  ende andere werken”. Het werk werd aangenomen door Jan van  Troostenberghe en Jan Vander  Meulen,  metsers van Brugge  voor  950  gulden.  Op het einde van 1640 was  het  metselwerk voltrokken.  Het kostte  285  ponden,  9 schellingen,  6 deniers,   De rekening voegt er twee aanmerkingen bij:  de gevel van de kruisbeuk was wat  hoger  opgemaakt;  het zand  dat  men  benuttigde lag omtrent de Gentse vaart en kwam  ook uit de  Meulenwal  voort.

Nu  kwam  het dak aan de beurt.  De  parochieoverheden  richtten  een  tweede  aanvraag  tot  de Vicaarheren  om het voltooien van het timmerwerk. Het opmaken van het dak  kwam in aanbesteding, op 17 februari 1641,  ten huize van de Deken  der  Christenheid,  Jan Jennyn, pastoor  van  St. Gilles,  in ‘t bijwezen van  de  Eed  der  Brugse timmerlieden.  Een  meestertimmerman,  Jan Schokaert,  had  de begroting  van de werken  opgemaakt.  Romaan  Caigny, van Tielt,  nam  het werk aan,  mits de  bijvoorwaarde dat  hij al de materialen  ter plaatse  zou leveren,  voor  de som van  1700 gulden.  De Kerk voegde er  later nog  100 gulden bij, omdat Caigny het werk te  goedkoop  had. aangenomen en desniettemin volmaakt en prijzenswaardig zijn taak volvoerd  had.  De kosten van  het  tirnmerwerk met bijvoegelijkheden  beliepen tot de som van  466 ponden  11  schellingen,  6 penningen gr. Het schaliedak  waartoe  men  30.500  schaliën  verbruikte,  de  loden goot en de veusten,  door  Meester  Pieter  Morinne verzorgd,  kostten  194 pond,  2  schel.,  zes  pen.  groten.

Daarop volgde het bevloeren van de nieuwe beuk,  het  kruiskoor en de  sacristie door de Metser Simon van Houtte,  waarvoor hij 2.100 blauwe voetstenen en  2.350  tegelkens verbezigde.

Het Sint - Niklaaskoor  telde vijf  met geschilderd  glas  ingevulde vensters, door  Meester Frans Valcke uitgevoerd, als gifte gejond door Heer en Meester Willem Jennyn, pastoor, Niclaais  Claeissens,  Antoon  Vandenberghe,  Jan  Wulfaert,  mogelijks  Kerkmeesters,  en de  twee  dismeesters,  Michiel van  Nieuwenhuuse en  Jan  Haeck.  De rekening vermeldt  insgelijks dat de  bovengenoemde  Caigny  het  timmerwerk  van  het  Sanctuarium  voor  46  pond  aannam, dat  Jan  Schokaert in het Sanctuarium  “twee Cassynen  met de  fentineelen  en vier  waterveinsters” leverde  die samen  22 ponden  groten,  20  schellingen  kostten,  dat Joos  Hoorenaert,  smid te  Westkapelle  1062  ponden  ijzer  leverde aan   6 groten , 10 mijten  het pond.  Men  stak “den rney”  op  het dak!   Het werk was voltooid.

Nu  zou  er voor de inwendige optooïing  van de  kerk gezorgd  worden.  De  “heele huuve” of voute  van  het  middenkoor  werd  gelambrizeerd,  met  paneelwerk bekleed  in   wagenschot  tot aan de toren,  Jan   Maes,  bekende   Brugse  schilder, vervaardigde ten prijze van  24 pond,  6 schel. 8 groten  een  retabel,  een  schilderij (3).  Daarbij komen  een H,. Sakramentshuis,  twee  zitsels, een  “thuun” of  afsluiting  van  het  koor,  een  Communiebank,  alles in wagenschot (4).

Verder,  Meester  Aernout  Medaert,  voor  69  pond  groten vlaams,  maakte een  nieuw  orgel,   met  blaasbalg  en  toebehoorten;  de Prince,  voor  66 pond groten,  beeldhouwde de kast.

Wat later,  in 1648  hermaakte  men  gans het  doksaal.  Enige  vreemde  organisten  reisden  naar Westkapelle  om het nieuw  speeltuig  te  onderzoeken;  “mids den  quaden  wegh”  werden  ze gevoerd  in een “backwaghen”  met vier  paarden  bespannen.

In  1647  vervaardigde  de  Brugse  beeldhouwer,  Jacques du  Blon,  twee  biechtstoelen,  ten prijze van  25 pond groten.  Een van beide,  eigenaardig  van  vorm,  in fijn snijwerk,  met een  Sint-Niklaasbeeld  ten  top,  staat nog in de kerk. 

Het zelfde jaar  vervaardigde Jan de Moor een nieuw  baldakijn en  besteedde er  vijf  ellen  rode pane  toe,  aan  acht  gulden en half  de el ;   bovenop stond  een  verguld  “Coroonement”  of prachtkroon;  een  borduurwerker,  Michiel  Schokaert,  versierde de  behangsels  met  twee remonstranciën,  twee  beelden van  Sint-  Niklaas  en tekende  er  het  jaartal op.  Onder de begravingsrechten   tekent de  rekenmeester  aan dat er  ter  kerke  “eene  wieghe”  gemtest werd  ten  prijze  van  15 schell.  Groten.  Hiermede  wordt een  afgebakende  plaats  aangeduid  waar  men  bij  begravingen of  jaargetijden  de lijkbaar  zette.

Een  nieuw  altaar  versierde weldra de heropgebouwde  Sint - Niklaaskapel  of  zuidbeuk.  Michiel Pekel  metste  het  benedengedeelte.  De  altaartafel  of  de  schilderij  samen  met  de  nevens-aangevoegde  kolommen  kostten  558  pond,  6  schell.  8 groten.  De naam van de schilder staat niet aangewezen.  De schrijnwerker,  Joos van  Loo, vervaardigde “een  thuyn  met  ghesneden werck”.

Daarbij vermelden de rekeningen de volgende aankopen:  “behangxselkens  voor  hoogher  autaer  van vier  coleuren;  velums en  kasufels,  ten prijze van 14 pond  18 schell.. 10 groten; vier alben,  vier amicten, vier oversloppen, aan  24 p.  10 soh.  parisis;  een  “silveren lampe”  weghende 65 oncen ende  5 engelschen  ten  koste van  59 p. 13 soh. P .; zes  “metaelen  (5)  candelaers  om up  ijser  pinnen te stellen “ bij den autaer,  aan 4 p. 16 sch. 4 groten;  een  “metaelen cruyce”, voor 16 sch. 8 groten,  een  “ metaelen  croes  omme de lampe”  voor  3 schell.,  een “silveren bekken  met  twee silveren ampullen, een  silveren cruyce,  een  metaelen  croone ende metaelen oandelaers,  vier houtte canclelaers ofte  stallichten, om  bij de lijkbare te zetten,  twee cassen voor de vaenen”;  een zilveren vergulde  monstrans  met custode en twee glazen, vier kazuifels:  rood, wit, violet en groen, “twee autaerkleren,  groen ende violet,  een zwart ornement:  koorcappe, casufel,  pelder,  autaercleet “(6).

In de rekening van 1646 – 53  staan  6  pond  6 sch,  groten  ingeschreven,  ten  bate  van  twee Brugse  meester - schilders  die de hemels of vouten van de kerk,  de friezen,  de balken,  de vanekassen  schilderen.

Voordien  reeds waren aan het hoogaltaar  tussen  1636 en  1639   belangrijke  werken verricht, die er wellicht het zwaar gevaarte van maakten  dat bij de  laatste  kerkherstelling  verdween (7). Michiel  Pekel  metste  het  middenkoorvenster  achter  he t altaar  toe;  Jan Schokaert verhoogde het altaar en bovenop zette hij een “croonement”,  opgeluisterd  met  “gebeeldhouwde  lijsten,   twee  engbels,  eenen  sant  (mogelijks  het beeld  van  St Niklaas),  twee vleghels van  zijts  ende een hemel alles in snijwerck”.  Dezelfde schrijnwerker  maakte ook een   “pauwelioen”  boven     het  O..L.Vrouwaltaar  en één  boven  de vonte.  Hij ook richtte de stellingen op voor de  twee schilders  die wellicht, benevens de reeds vermelde  vouten of gewelven ook de gevels der voorkerk sohilderden,. Waren. zij het ook  die de wanden van het heiligdom  met groene muurschilderingen opluisterden  ?

Het geheugt ons,  toen we voor de herstelling, over ettelijke jaren,  de vervallen  tempel  bezochten, dat  muren en  pijlers met zwarte  teer  besmeerd waren geweest om de vochtigheid  te  bestrijden of  te verduiken.  Waar de teer afgevallen was,  kwam  de  in ‘t groen  getinte  kalklaag  bloot: Nog  blijven  sporen  van die groene tinten over op de onderste stenen der zware pijlers die de Toren  schragen.

De  midden-  en  zuidbeuk  waren  heropgebouwd  en  opgeschikt.  De  noordbeuk of   Onze  Lieve Vrouwkapelle  en  het  noordergedeelte van de  kruisbeuk,  luidens de  opgaven  der  kerkrekening van 1625 - 1654,  ondergingen  voorgaandelijk reeds  hun  herstelling:  voor  “metserie van  O.L.V, Capelle”  staan  20 p.  9 sch.  gr. ingeschreven;  voor  “houttewerck aen de  Cruyscappelle”  184 p. 15 sch, 4 groten:  Om het decken van  schalliën  van de  noortcappelle ende de cruyskerke”,  88 pond  groten.

Enkele  jaren  nadien, tussen 1636 en 1639 vervaardigde Jan Schokaert een  prachtige  afsluiting met twee deuren, gesneden lijsten, een beeld van  O.L.V. twee engelen, piramiden en voetbanken:  alles in wagenschot.  Dit meesterwerk  kostte 63 pond 8 schell. 4 groten.

Intussen bleven de binnenmuren van de kerk en de pijlers in stand en ondergingen de volstrekt vereiste  herstellingen.

Het westelijk gedeelte van de kerk tot aan de toren lag in puin en zou  slechts in 1908 heropgebouwd  worden.  De  overgebleven  stenen  verbezigden de  metsers in  het opmaken van het  nieuw  St-Niklaaskoor  en van het pastoreel  huis. De westgevels van zuid-  en  noordbeuken  waren  toegemetst;  onder de toren had  men  een  hoge kerkdeur  ingemaakt:  daar was  de  ingang tot het  heiligdom,  toen  ten  jare 1639,  Z. E. H. Deken Jennyn  de  kerk  bezocht.  “Toen de kerdeur die  onder de toren is,  opengaat,  schrijft  hij in zijn verslag,  blaast de wind zeer  dikwijls de keersen  uit  die op ‘t  hoogaltaar  branden.

Ternauwernood  ook  kan de kerk het volk  bevatten,  vooral als er  hier  soldaten  liggen, ”
Daarom werd  er bij de kerk een portaal  aangebouwd  van  17 voet  breed  bij 16 voet lang; het  kostte ten minste 500 gulden.  De kerkrekening van  1636 – 1639  licht ons  in. Het  portaal  was vierkant,  16 voet  lang en  breed.  Jan de  Mets  metste en  bevloerde  het ten  prijze van  15  pond  10 schellingen groten;  hij verbezigde  150 witte en 109  blauwe voetstenen.  Een  steenhouwer,  Jan vander  Plancke,  leverde  ook  70  elfduimers  en  52 negenduimers,  insgelijks  10  witte  negenduimers en verscheidene  zillen.  Jan Schokaert maakte er een dak op en drie  deuren in wagenschot;  de grote  ingangsdeur  was  met   een makelaar in gesneden werk versierd.

Toussain  van  Nederheim  leverde  3.500  schaliën;  Gheeraert Buscop 12 ankers,  een  ijzeren  kruis,  sloten,  hangen en ander  ijzerwerk;  Balthazar  Lemmens  “6  cruycken  ghentsch  Calck;” Jan  Aerts  kleine  zillen,  gargelstenen, slot - en  grendelstenen.  Uit die breedvoerige uitgaven leren wij hoe de oude rekeningen  echt  belangrijke  geschiedkundige  documenten  zijn waar de geringste  inlichtingen in voorkomen. (8).

Het  portaal  was  nog  in  wezen,  toen  men  in  1908  de  prachtige  kerkherstelling  begon.

Rond  de  kerk lag het  kerkhof  dat een  uitgestrektheid  had van  drie  lijnen  en met een haag omringd was,. Ten  jare  1646  kochten de  kerknmeeeters  aan  Jonker  Philip de Corte, Heer   van  Oostkerke,  twee honderd   iepenbomen  om  het  kerkhof  te  beplanten.

kerk-voor-1908Tekening  van  kerk vóór 1908

HOOFDSTUK II - De Pastorie

Eertijds  stond  de  Pastorie  op  de  pastoorsmote,  waarover  wij  reeds  gewaagden,  op tamelijke  afstand  van  de  kerk;  zij  was  door  3  gemeten  84  roeden  lands  omringd. De pastoorsmote,  van een wal  omsingeld,  lag  aan  het  uiteinde  der  Moriaanstraat,  in  de nabijheid  van  het  kapelleke dat  staat op  de  hoek  van  de  voorzeide  straat en de Meulenstraat.  Heden  zijn de  minste  sporen  van  mote  en  wal  verdwenen.

In 1640  bevond  zich die  woonstede in  deerniswekkende  toestand,  daar  Deken Jennyn  getuigt dat zij in puin viel.  Daarom  besloot  pastoor  Willem  Jennyn,  omtrent  60  roeien  van  bovenvermelde  grond  tot  het opbouwen  van een  nieuw  woonhuis  te  bestemmen;  hij omringde dit land  met  een  haag  en  plantte er  240  bomen op.  Naar  het  Bisdom  en  het  Magistraat  van ‘t Brugse  Vrije zond  hij een  aanvraag  tot  het oprichten  der  ontworpen  pastorie.  

De Vicaarheren van het  toen  openstaande  bisdom  stemden  toe en  gaven  hem  oorlof  de overgebleven  stenen van de  bouwvallige voorkerk te benuttigen,  Het Schependom  van ‘t Vrije belastte ieder  gemet  lands  met  een schelling  grote om in de  kosten te  voorzien.  Enige parochianen  verzetten zich hevig tegen die maatregel,  doch stemden  eindelijk toe op voorwaarde dat  de  pastorie  niet op  de  door de  pastoor aangewezen  grond  gebouwd zou  worden  maar op een stuk gronds dat de kerk toebehoorde en in de nabijheid van de kerk lag.  Zij beloofden  meteen de  hof  te  oosten en te  westen  met  muren  te  omringen.  Als beweegredenen  brachten  zij  bij dat de belasting  van  één schelling  onvoldoende  was om de door de  pastoor  ontworpen woonstede  op  te  maken;  dat de  parochie,  ten gevolge van de  oorlogstijd  steeds  met  nieuwe lasten overladen,  niets  meer kon  bijdragen;  zij steunden  ook op de nabijheid  van  de  kerk.  

Intussen  betrok  de  Herder  een  huis dat op geringe afstand van de kerk  stond  en eigendom was derzelve.  De Deken wijst er op dat dit huis,  hoewel  een weinig hersteld (9), klein en vochtig was en  nauwelijks  betamelijk om er de pastoor te huisvesten,  Meer  nog, hij bezat het vrij genot niet van de  bijliggende hof van  82  roeden  uitgestrektheid.  Deze  was  ten  dele door de koster gebruikt,  wiens  huisvrouw,  tegen wil en dank van de kerkmeesters,  hem ten  gehele  zocht  te behouden.  Zo  kwam het dat de Herder, om zijn vrijheid  te  handhaven,  zich nogmaals een andere woonstede  zocht  aan  te  schaffen.

Om die twisten te slechten, namen Deken en Kerkmeesters, op 1 oogst 1640  bij het vereffenen van de kerkrekening, het besluit de huizen van Pastoor en  Koster  met  het  bijliggende  land  in openbare  verpachting  te brengen.  Meteen  schrijft de Deken  in zijn verslag:  de burgerlijke  parochie of  gemeente, niet de kerk, draagt de verplichting  aan  Pastoor en  Koster een  woonhuis te verschaffen.

HOOFDSTUK III - De Toren

 Tijdens de  Middeleeuwen speelde de  toren van  Westkapelle,  in de Handelsgeschiedenis  van Vlaanderen  een  belangrijke  rol,  omdat hij als baken diende voor de talrijke koopvaardijschepen die  uit alle wereldstreken  en  vooral  uit  Oostland,  langs  het  Zwin, naar  Sluis,  Damme en Brugge  heen  vaarden  (10).

Daarom onderstond  hij, ten jare 1405  op  22  mei,  vanwege de  Engelsen, een hevige aanval,

De  jaarboeken  van  Jacob de  Meyer  geven  nopens  dit  geschiedkundig  feit  enige  inlichtingen. “Op  22  mei  bestookten  zij met eene  machtige vloot onze  zeekusten,  ter  haven  van  Sluis bestormden  zij de schepen die er op anker lagen en bovenal dezen der Oosterlingsche Kooplieden. Het  rijke  eiland  Cadzand  beroofden  en  verbranden  zij ten  geheele. De  Graaf  van  Pembroke, hun  admiraal,  werd  bij  Sluis door  een  steen  met een  blije (11)  geworpen,  gedood,  en  met hem  kwamen  omtrent  60  mannen  om.  Pembroke en nog  eenige anderen  begraafden  zij  ter kerke  van  Mude,  daarom  ook  vernielden de  Engelschen  dit  heiligdom  niet,  doch ontroofden er eene schilderij die het altaar versierde.  Zij  plunderden  Heysvliet  dat  ook den  naam  van Coudekerke droeg en wat in den  omtrek lag  en  leverden alles aan de vlammen over.  Die euveldaden  pleegden  zij  tusschen  22n en 27n mei”.  (12)

Ook zou Westkapelle aan de woede van de vijand  niet ontsnappen.  In een  stuk dat op de heropbouw  van de vernielde toren betrekking heeft, lezen wij:  “De toren van Waescappelle was verbrand  door  de  Engelschen  in  rneye  ten  jare  1405,  aan  dewelken  de  vreemde  kooplieden, ‘t land van  Vlaanderen  bezoekende  van  Oostwaarts  bij de zee,  kennisse  namen van ‘t aankomen in den voorzeiden  lande,  welke toren,  ter verzoeke van den kooplieden der Hanze, het Land van Vlaanderen  heeft doen  hermaken en heeft gekost hetgeen  hierna verklaard  staat,” Afgevaardigden van de vier Leden van Vlaanderen, Gent, Brugge, leper en de Kastelrij van ‘t Vrije, vergaderden te Oudenburg en besloten gans  Vlaanderen  te  belasten  met  een  som van 16.000  ponden  groten. Negen oorkonde: eertijds  in ‘t stadsarchief  van  Ieper bewaard,  lichten ons in aangaande de verdeling der opgelegde belasting onder de Vier Leden ‘s Lands en de smalle  of  mindere  steden van ‘t Graafschap  Vlaanderen;  over de werklieden die de  heropbouw van de toren  bewrochten; over  dezes  bouwvormen  en  het aan de werklieden  toegekende  loon  (13).

Uit de inhoud van die stukken menen wij te mogen besluiten dat het benedengedeelte van de oude reus in stand gebleven was en enkel enige  herstellingen vergde.  Immers uit de derde oorkonde vernemen wij dat het metselwerk aan  Adriaan  Brantin,  metser te Sluis,  voor 200 ponden groten aanbesteed werd, dewijl  Jan  Cleyaerd,  timmerman  van Brugge  voor  het timmerwerk van de torenspits  858  ponden groten  ontving.  Verder bewrocht  Jan  Scaerpine van  Brugge  het  lei- dekken  van  29  roeden  daks,  ten  prijze van  304  pond.  gr.  Jan Van  Arnhorg,  smid van  Sluis, leverde 3200 ponden  ijzer  tegen  153 pond  gr.  Het Kruis met zijn  optooiing  kostte  50 pond gr. De volledige kosten  beliepen  tot  2422  pond. .gr, (14)

Naar de gegevens van de hedendaagse wetensohap berekend,  zouden  ze  een  som van  omtrent 44.000  frank  uitmaken  (in 1915 = goudfrank),

De  toren  langs onder vierkant,  moest achtkantig opgetrokken worden;  hij telde acht klokvensters. De  naald  had  zes  stegen of  verdiepingen: de eerste  14 voet,  de tweede  12,  de derde 11, de vierde 10,  de vijfde  9,  de zesde  8 voet hoog,  Boven  deze verdiepingen stond de makelaar in een spits die een  hoogte  mat van  27 voeten.  Dus de volledige bekroning  klom tot  91 voeten  boven de  achthoekige stomp . in het dak dat ook acht  zijden  telde,  waren  vier vensters  ingemaakt  onder vorm van torentjes  waarboven  een  vaantje  uitstak  (l5).

De volledige herstelling schijnt  in  september 1412 voltrokken  geweest  te  zijn, omdat het zesde document, op 26  september  te  dien  jare  geschreven  een  nauwkeurige opgave geeft van al  de uitgaven en ontvangsten voor de torenbouw  (16).

Volgens een opgave van de  kerkrekeningen  1647 – 1651   betaalden  de  Kerkmeesters  aan  meester  Gheeraert  Coppet  85 ponden groten vlaams  om  het  metsen  van de  “Cruusvaute”  in de toren.  Die kruisvaute  is  tot  nu  toe  in stand gebleven.

Tussen de jaren 1625 en 1634  had de toren reeds enige  herstelling  genoten,  daar de Kerkrekening van 1625 - 1634  een  betaling  inschrijft  van  20  ponder  10  schellingen  groten  ten voordele van een metser,  Simoen van Houtte, voor  het“repareren van de torre zoo van buyten als van  binnen”

In de loop van ‘t  jaar 1664   barst  over  Westkapelle een geweldig onweder  los. Het  bliksem- vuur  trof  de  torenspits  die gans  in de vlammen  omkwam.  Sedert  twee  eeuwen  en  half  stond de  reus  zonder  krone, zo wij hem,  met treurnis in het gemoed , dikwerf  beschouwd  hebben, toen eindelijk hij en het gehele heiligdom  in ‘t ingaan  van de  20e eeuw,  prachtiger dan ooit uit  hun puinen  zouden  oprijzen  (17).

HOOFDSTUK IV - Kerkelijke Instellingen - Diensten en Eigendommen

Benevens de Pastoor telde de Kerk volgens een document van  1455,  ook  twee  Kapelanen  die de kapelaniën  van  Onze- Lieve –Vrouw  en St. Niklaas  bedienden,  Petras  Pype en  Victor  van Zwavenoorde  (18) .  In de  kerkrekeningen van de  17e eeuw  dragen  de beide  kapelaniën  de namen  van “Onse Vrouwe  gilde” en “Sint Niclays gilde”.

In 1639  was de  bezitter van St - Niklaaskapelanie,  E. H. Frans Rotsaert,  pastoor van  Sint –Pieters – op – den – Dijk.  Ze was  met een  mis te weke belast die  door de Pastoor van Westkapelle op de vrijdag  ontlast  werd.  Ze bezat een  eigendom van 7  gem. 2  lijnen, 76 roeden lands,  waarvan  de  pachtopbrengst  op  50 gulden  geschat werd.  De bezitter  betaalde  jaarlijks aan de  Pastoor 5 ponden groten.  Met  het jaar 1642,  bij beslissing van Deken Jennyn,  zou  hij voortaan  24 gulden ‘s  jaars  ontvangen.  Dit  laatsgenoemde  jaar  bestond  er  een  Broederschap van  Onze – Lieve - Vrouw,  de gewezen  Kapelanie  mogelijks  vervangende,  ook de “O.L.V. -messe” genoemd,  aan  hetwelk  6 gem,, 1 lijn, 85  roed.  lands  toebehoorde. Twee gildemeesters bestuurden de Broederschap.  De  Pastoor  las  wekelijks  twee  missen  ter ere van O.L.V. op de woensdag en de zaterdag.

Eertijds  stond  in de  kerk,  ter ere van ‘t H. Kruis, van  St. Elooi en St. Antonius  een  altaar waaraan een eigendom van  2 gem.,  2 lijn.,  9 roed.  lands  verbonden was.  Daarom  droeg  de Herder de verplichting de volgende  missen te  celebreren:

Op de  feestdag  der  H.  Kruisverheffing  (14 sept,)  met de zegen van het  Allerheiligste, de lofzang van  ‘t H. Kruis met gebed de  miserere en de  De profundis,

Op de  feestdag van  St, Elooi  (die door de parochianen van Westkapelle zeer  vereerd  wordt,  voegt  Deken  Jennyn  in zijn verslag  erbij)  zonder de benedictie van ‘t H. Sakrament,  met de lofzang,  het gebed en de beide  psalmen voor  overledenen.

Op het feest van St. Antonius, eremijt,  gelijk voor  voorgaande  mis.

Die missen moesten van de predikstoel afgekondigd worden.

Deze  inlichtingen  verschaft ons het verslag  over een dekanaal  bezoek,  ten  jare 1640 opgesteld. Om de toenmalige toestand van de Kerk en de parochie  nader  te kennen, raadplegen wij nog dit merkwaardig  document.

De  Kerk bezat  in 1639  de  volgende  heilige vaten en  juwelen:  een zilveren  monstrans,  drie zilveren  H. - Olievaatjes,  alles  in een  kasken  te  midden  van het  altaar  ingesloten,  een zilveren  kroon  met  een  paasbeeld,  een kleine lamp, een  kleine zilveren  kelk, die verguld was.

De  lamp brandde dag en nacht voor  het  H. Sakrament.  Beter  ware  het,  zegt de  Deken, ze des  nachts  niet te laten branden,  als de soldaten weg zijn, om reden van de  uitlopen  der naburige  ketters en van de  dieven.  De kerk bezat  geen  relikwieën.

De  doopvont  in  steen,  omgeven van een  geschilderde houten  tuin  met  pilaarkens,  met een houten  hemel  bekroond,  stond  aan  het  uiteinde van  het  O.L.V.  koor of  Noordbeuk.

In de parochie bestond een Schuttersgilde van St. Sebastiaan,  door een  deken  bestuurd,  die een eigendom van omtrent 18 gemeten gronds bezat. De deken gaf  jaarlijks de rekening  over  aan  de Pastoor,  in ‘t  bijzijn van de gildebroeders.  Na de mis op het feest van de gildepatroon,  werd de gildebroeders  een  eetmaal  opgedist,  Wat zij tot de versiering  van  het Huis van God  bijdragen, voegt  Deken  Jennyn  erbij,  hoorde ik nergens.

In de kerk staan  nu  twee altaren,  het  hoogaltaar aan  Sint  Niklaas  toegewijd,  het  O.L,V. - altaar in de noordbeuk.  De  retabel,  de  Geboorte  Christi  verbeeldende (19),  is mooi  geschilderd en wel 500 gulden waard;  nog  niet gewijd,  zal  het,  samen  met dit der  nieuwe  Sint - Niklaaskapel, geconsacreerd  worden.

Er  bestonden  hier  eertijds  vele  jaargetijden,  zo blijkt uit het verslag  van  een  Kerkbezoek op 6 juli 1627  door  Zijne  Exc, Bisschop Dionisius Christophori  volbracht,  later door  Z.. Exc. Bisschop  Servatius  Quinckerus,  op  twaalf  beperkt,  iedere  maand  een  te celebreren.  De  jaargetijden  ten  laste van de  Dis werden op vier gebracht.

De  donderdag  zingt de Pastoor  een  mis ter ere van het Allerheiligste met  uitstelling  en zegen voor  en  na de mis,

De  parochie  telt  300  communicanten  die allen aan  hun  paasplicht voldoen.  In de dekenij bestaat er  niet één  parochie waar zo grote vrede en eendracht  heerst als te  Westkapelle.  Op de zon -  en feestdagen  reisden  enige  parochianen  naar  Sluis om hun waren te verkopen en inkopen te doen,  met gevaar  de  H. Mis te verzuimen,. De Baljuw  heeft de taak op zich genomen deze parochianen en  hun  paarden aan te houden en zo kwam  er  vrees  in.  Ten andere,  het volk woont  naarstig de  goddelijke diensten  bij.


De Kerk bezit 197 gem., 1 lijne, 72 roeden  land;  dit  jaar  (1659)   liggen er  9  gemeten  van overstroomd,  de Dis  57 gem, 1 lijne, 57 roeden  (20).

HOOFDSTUK V - Oude   Stichtingen

Het  zal  niet  overbodig  zijn uit de beide reeds aangehaalde documenten  van 1510 en 1527  enige aantekeningen  over  te  schrijven,  die giften of  stichtingen  van  jaargetijden  herdenken.  Het  diene om  aan oude ceremoniën van eertijds en aan de godsdienstzin onzer voorouders te herinneren; ook  meteen  ter  navolging.  In het aanhalen volgen we de hedendaagse schrijfwijze.

“18  gemeten  1 lijn  41 roeden  vrijland  met de huizen en de bomen daarop staande,  een  hofstede, verre  oost van de Kerk van Westkapelle,  gegeven op 6 sept. 1475  door  Cornelius,  zoon  van  Jacob  Lambrechts,  om alle weke  een  messe gedaan  te  hebben  voor  St. Elooi,  eeuwiglijk ge-durende,  om  jaargetijde  en zondaggebed  en  ten dag  van ‘t  jaargetijde de armen  te delen  12 schellingen  parisis  in  gelde”.

Op  9  wedemaand  1522,  rente van 12  ponden  parisis,  bezet op 7 gem. 1 lijn Kanonnikland, gegeven  door  Claeijs,  zoon  van  Willem  Uuterwulghe  en  zijn  vrouw  Godelieve,  weduwe van Jacob,  zoon van  Jacob  Callaerts,  zaliger  memorie.

13  Ponden  parisis  bezet op 10 gemeten vrijland,  een hofstede  gegeven  in  1503  door  Jan,  zoon van  Jacob  Lambrechts  om  ten  eeuwigen  dage  iedere  week  een  mis  te doen, ‘s woensdags, aan  O.L.V. - altaar  te  Westkapelle,  ter hulpe  en  ter  lavenisse  van  zijn  ziel en van  alle gelovige  zielen.

Rente van  2 ponden  8 schellingen parisis,  bezet op  4 gemeten  48 roeden  proostland  met  de bomen,  en  is  gegeven door  Meester  Geraard  Minnebier  en  zijn  vrouw om op hun  lieden jaargetijde  in Lauwe op St.- Antoniusdag,  het  baarkleed  te spreiden,  de tombe  te  stellen  met de stallichten  en  daarop te stellen  13  witte  broden  elk  waard  zijnde  6 deniers  parisis die men na de dienst, aan de  schoolkinderen delen zal:  daarvoor zijn de zelfde kinderen gehouden  te offeren en elk kind te lezen een zeven psalm  indien ze dit kennen;  indien niet,  pater noster en ave maria, en dit op de voornoemde dag van  zijn  jaargetijde;  gegeven  in  1478.

Rente van 20 schellingen parisis,  bezet op een half  gemet  vrijland  met al de bomen erop staande, gelegen ten uiteinde van ‘t dorp,  in de boomgaard die men heet  thove,  gegeven door  Jan,  zoon van  Jan van der Heecke,  om zijn  jaargetijde dat  men doet ‘s dinsdags  in de Paasdagen;  gegeven in  1454.

2 Ponden  parisis bezet op 5  gemeten vrijlands  met al de stenen en bomen  erop staande en is een vervallen  hofstede,  noord  van de  Kerke,  gegeven  door  Lauwereyns  Sleyman  en  Margariete zijn  wijf,  in  1440,

Rente van  2 ponden  8 schellingen parisis,  gegeven door  Jan,  zoon van  Jacob Lambrechts, om alle jare  ‘s  woensdags,  na St. – Maartensdag   in de winter,  gedaan  te hebben  een  jaargetijde met  vigiliën  en  commendatiën  en een  zingende  rnisse van  Requiem,  met diaken,  subdiaken en koster.  De pastoor, voor dienst  en offerwas,  ontvange  12 schell.. par., de kapelaan en de koster elk  2  sch. par. De dismeesters  zijn verplicht te delen aan de armen  ten dis  13 witte broden van 12 deniers  het stuk, op elk brood een half  pond boter,  ten koste van de  voergenoemde dis. Aldus gegeven  in  ‘t jaar  1504.

Heer Jan Everaert,  priester,  gaf  een  gifte aan de  Dis van  2  lijnen  proostland, liggende  noord bij de  Pastoriemote;  zonder  dagtekeneing.

Pieter,  zoon van Masijn  van  Cassele en  Martine,  zijn wijf,   gaven  aan de  dis  1 lijne  33 roeden land,  strekkende  met het oosteinde aan de Meulenweg,  om  jaarlijks  ten dage van zijn  jaargetijde ten dis de arme lieden gedeeld te hebben een  viertel  tarwe en een  half  schaap  daarop,  tot lavenisse van  hunlieden  ziele;  in ‘t jaar  1509.

3  Gemete  land  gegeven door  Willem,  zoon van  Adriaan  Wielmaker, om hun   jaargetijde telken meiavond  met  vigilië  commendatiën  en  een  zingende  mis  van Requiem,  mits  te  stellen  2 kaarsen  ten  grave  en  te doen luiden vier pozen  met de meeste  klokke  naar  gewoonte  en  na de mis  ten  grave  te gaan;  in  1511.

2  Gemeten  land  gegeven  door  Clays,  zoon  van   Jan Tandt,  landmeter,  om alle  jaren ‘s  vrijdags op  half  vasten,  zijn  jaargetijde  te  doen.  Zelfde bepalingen  als  hierboven.

4  Gemeten  2  lijn,  25 r. land,  gegeven  door  Jacob,  zoon van  Pieter  Valewaerts en  Margriete, zijn wijf,  om  jaarlijks,  ten eeuwigen dage,  ‘s zondags  vóór  vastenavond,  ten dage van zijn jaargetijde  gedeeld  te  hebben  de arme  lieden  een halve  hoed  tarwe  en  een vetten “wederbùck” (21)  tot  lavenisse van  hunlieden  ziele;  in  1488.

12  gem.  28 r,  land  gegeven door  Jacob,  zoon van  Kwientin vander  Ryne en Margriete, zijn wijf, om alle  maandage,  ten  altare van den  H. Geest,  een  lezende  misse van Requiem;  na de misse de  priester  gaat  ten  grave en  leest de  Profundis met gebed; ‘s zondags  na verloren  maandag  na midwintere  (22)  of  binnen  de weke  een  jaargetijde  met  vigiliën, commendatiën,  zingende misse  van Requiem  met  diaken  en  subdiaken,  twee stallichten  ten  grave; ‘s zaterdags avond en ‘s zondags  voor  noenen doen luiden met de meeste klokke vier  pozen; ‘s  zondags  voor  het jaargetijde  de arme  lieden  te delen  ten dis  twee  proven,  een  halve  hoed  tarwe en een “wederbuuck”;  in   l5l5.

HOOFDSTUK VI - De Kerkpatroon

Aan  Sint Niklaas,  bisschop van  Myra die tijdens de 3e eeuw  leefde,  zijn  de Kerk en de parochie van  Westkapelle toegewijd,  De  Benediktijnermonniken  parochiestichters  stelden hem  mogelijks als  beschermheilige aan.

Nopens  zijn verering  in voorgaande tijden bezitten wij enkel  geringe oorkonden.  Reeds herinnerden  wij aan  een  Kapellanie die te zijner eer ter kerk ingericht was, doch  het  tijdstip van die  inrichting is ons onbekend. Ten jare  1640  schonk  Paus Urbanus VIII  (1623 - 1644)  een volle aflaat  in de Kerk te verdienen van ‘s namiddags  vóór  Sint - Niklaasfeest en de ganse feestdag, door de  gelovigen die te biecht en kommunie geweest waren en Sint -  Niklaas  vereerden. De  toeloop was zo groot dat de Kerk nauwelijks het volk kon  slikken; vier  biechtvaders  konden met moeite de biechten horen.  Zo verhaalt  Z, E. H, Deken  Jennyn,  in zijn meermalen aangehaald verslag.

Wij vermelden hoger de heropbouw van de kapel van Sint Niklaas of  het  zuidkoor der kerk en het opmaken van een nieuw altaar. Bij die gelegenheid vervaardigde een Brugse meester, wellicht Jan Maes, een prachtig schilderij dat als  retabel diende. Het mat een hoogte van 2,62 m op een breedte van 1,66 m.  Beschrijven wij kortbondig het afgebeelde onderwerp:  Christus,  na  zijn  verrijzenis verschijnt aan zijn Moeder,  boven  zweven  zes  engelen;  één  houdt een  kroon,  een tweede een wimpel  waarop de woorden  “Regina Coeili,  loetare”  geschilderd  staan,  anderen  strooien bloemen.  Onze Lieve Vrouw zit op  een bidbank geknield;  achter  haar  staat een engel  in ‘t groen gedost, die de hand opsteekt.  Achter  Christus  staat  Sint Niklaas,  in bisschoppelijk gewaad gehuld en van drie knapen vergezeld (23).

In de Kerkrekening van 1639 - 1642, op blz. 74,  staat een post  ingeschreven,  w ijzende op het drukken  van  aflaatbrieven  waar de aflaten op Sint - Niklaasfeest  of ommegangdag  te  winnen, aangekondigd staan.

Andere  posten  hebben  betrekking op de plechtige feestviering en de medewerking van uitgelezen zangers.  In de rekening van 1647 - 1651  lezen  wij: “Alzoo  tot meerder eere  Godts  op de hooghe feestdaghen  den  Goddelicken  dienst is  ghedaen  in  musicque  ghelyck  oock op de Patroons ende ommeganckdagh is ghedaen gheweest,  is bij ordre vanden Heere Pastoor ende Kerckmeesters de volgende  theeren  ghedaen”   belopende tot de som van  92 ponden  6 schellingen  par.

Onder de zangers en  muzikanten  noemt de rekening de  meesters  Frans de Clercg,  Noël Duwel, Charles  Storme,  Jan Tuten  en nog  vijf andere “musycynen  op St. Niclaeisdagh”.   Gezien de hoogoplopende  kosten  beveelt  de  Deken:  “Sy voortaen  de  speellieden  ende  musiciens achterghelaeten,  uutghenomen  den  patroondagh  ende  ommeganckdagh”.

De geestelijken der  omliggende  parochiën  woonden de  plechtigheden  van de ommegang en de processie bij.  De rekening van 1658  haalt een  betaling  aan : “an  Heer ende  Meester  Guillelmus Jennins,  pastoor  van  dese  parochie,  hem  toegheleyt  over  het  tracteren  vande  gheestelicken opden  ommeghanckdagh  vande  prochie,  commende  vereeren de  processie,  3  pond. 6 schell. 8 groten.”.Ze legden  de  reis per  rijtuig af of  te  paard. De Priesters in onze streek,  waaronder ook de herder van  Westkapelle,  omdat de wegen zich in slechte staat bevonden,  hielden er een  paard op na. (24)  Ook bezorgden de  Kerkrneesters  “de leverynghe van  haver  ende  hooi  voor de peerden  vande Eerweerde  Heeren  dewelcke  opden  ommeganckdagh  de processie quamen sien” in 1650  en volgende jaren.  Wij vermeldden  reeds de komst van enige orgelisten  naar  West-kapelle  “met een  backwaghen  midts  den quaden  wegh”.

Ter  gelegenheid van de ommegang,  bestak  men de  kerk met groene meitakken. Uit de rekening van  1648  vernemen wij dat  Jan de Jagher,  op de onznegangdag  120  bonden  meyen  leverde ten prijze van 20  schellingen groten.  In de processie gingen voorname godsdienstige groepen  uit:  zo was  in 1648 de Passie Christi er door twintig figuranten afgebeeld,  die elk een zinneheeld droegen.

HOOFDSTUK VII - De Geestelijkheid

Klik hier on verder te lezen

Westkapelle - Tweede deel: De Kerkelijke Parochie (1)

H. Juliaan Opdedrinck

Rond de Poldertorens
1959
03
026-079
Achiel Calus
2015-02-03 16:57:17

AfdrukkenE-mail

HoofdpuntenInterresante rubriekenZoekenAndere informatie
Startpagina
Activiteiten
Nieuws
Gastheerschap
Musea in de Zwinregio
Kustmusea
Geschiedenis
Reecz
Publicaties heemkunde
Tijdslijn
Bibliotheek
Europese projecten
Contact
Copyright © 2017  - Zwinstreek.eu - Alle rechten voorbehouden.